Leesfragment: Misschien wel niet

27 november 2015 , door Jannah Loontjens
| |

Op 19 augustus verschijnt Jannah Loontjens' nieuwe roman Misschien wel niet. Wij publiceren voor. 'Ik wil mijn hand naar mijn neus bewegen. Maar doden kriebelen niet aan hun neus. Ik beweeg mijn tenen. De kramp in mijn kuit wordt heviger. Een heel klein beetje beweeg ik mijn tenen. Hoeveel kan ik bewegen zonder dat het opvalt? Binnen in mijn lichaam beweegt het onophoudelijk, zuurstof vliegt mijn longen in en uit, mijn maag bubbelt, arbeidt, borrelt, mijn hart pompt, darmen zwoegen, mijn blaas loopt vol. Ik strek mijn vingers. Mijn rechterarm ligt op mijn buik in de mitella.'

In haar nieuwe roman Misschien wel niet beschrijft Jannah Loontjens vier dagen uit het leven van Mascha. Ze woont in Amsterdam, heeft net als haar vriend een goede baan en samen hebben ze twee kinderen. Ze leidt een leven dat exemplarisch lijkt voor deze tijd, waarin een grote keuzevrijheid en social media het leven veraangenamen, maar ook ingewikkeld maken. 
Mascha beleeft losbandige avonden met haar vrienden, doet haar best een goede moeder te zijn, houdt haar relatie onder de loep en heeft een geheime Facebook-affaire. Dagelijks voert ze de strijd met het nemen van haar verantwoordelijkheden. 
Behalve over de lotgevallen van een jonge vrouw in wie velen zich zullen herkennen, gaat Misschien wel niet ook over de belangrijke thema's van deze tijd, een tijd waarin het steeds moeilijker wordt om te durven kiezen.

N.B. Op 22 augustus wordt Misschien wel niet gepresenteerd in onze boekhandel aan het Spui. U kunt hierbij aanwezig zijn.

 

Er zijn al best veel mensen dood. Vroegere vrienden, leraren, collega's, familie. Maar of het me raakt, blijft onvoorspelbaar. Toen ik hoorde dat mijn juf van de lagere school was overleden, kwam er een verdriet in me boven waarvan ik niet wist dat het bestond. Mijn schouders begonnen te trekken, mijn keel werd dik. Ik had die vrouw sinds mijn twaalfde niet meer gezien, moet je je voorstellen. Bij het overlijden van een oude vriend bleef ik juist zoeken naar het verdriet dat er toch moest zijn, maar dat zich leek te verschuilen in ongeloof. Het kon toch niet waar zijn. Hij was het type man dat heel lang en goed en gezond en opgewekt zou leven, veel kinderen zou krijgen, een goedlachse vader zou zijn. Daar was hij voor bestemd, dat wist ik zeker. En waar was hij nu? Wat deed hij? Ik bleef tot na zijn begrafenis nog het gevoel hebben dat iemand een vergissing moest hebben gemaakt. Het werd me duidelijk dat ik eigenlijk niets wist. Niets van hem, niets van de laatste jaren van zijn leven, niets van waar hij nu was. Niets van rouw of rouwverwerking. Niets van de dood. Hoeveel eeuwen beschaving? Van de dood weten we nog altijd niets. We concentreren ons op het leven, niet op de eindeloze mist die erna volgt. Of we denken aan de dagen die er nog hadden kunnen zijn, het gesprek dat nog gevoerd had moeten worden, de verzoening, de bemoediging, een plagerijtje. Al verliest dat ene misgelopen gesprek aan gene zijde alle relevantie, het zijn die dingen die het gemis veroorzaken. De dingen die nog hadden kunnen zijn. Drie werkwoorden. Hadden. Kunnen. Zijn.
'Masje had een natuurlijkheid van bewegen en kijken die ik eerder met een kat zou vergelijken dan met een homo sapiens.' Aysun onderdrukt een lach en ademt diep in. 'Op straat keken mensen haar na. Mannen maar ook vrouwen... Ze had dit zelf niet door, dat nam me voor haar in.' Ze kucht. 'Hoe lang is het geleden dat wij elkaar voor het eerst zagen? Toch wel zo'n twintig jaar. Nu kan ik wel bekennen dat ik in het begin verliefd op haar was. Pas veel later kwam ik erachter dat ik eigenlijk niet goed wist wat ik aan haar had. Je wist nooit in welk humeur je haar zou treffen. Ze belde me niet op mijn verjaardag. Ze kwam niet naar mijn eindvoorstelling. Ze steunde me niet. Maar…'
Stilte.
'Nee, wacht, sorry hoor… Ik begin opnieuw.'
Tot nu toe heb ik nog niets gehoord wat ze me niet al eens heeft gezegd, dat ik een kat ben, altijd zo op mezelf. Aysun is meer bezig met haar rol dan met het verhaal. Jammer. Daniël deed het zojuist beter. Misschien bewaart Aysun haar echte inzichten voor als ik werkelijk dood ben. Dood. Het woord waarvan de volgorde van de letters omkeerbaar is, maar dat juist het meest onomkeerbare uitdrukt. Ik kan me de tijd nog goed herinneren dat ik niemand kende die dood was. Als kind voelde ik een vagelijke aantrekkingskracht bij het zien van mensen in rouw. Het openlijke gesnotter, de geaccepteerde neerslachtigheid, de donkere blikken, rimpels tussen de ogen. Dat was het leven in zijn volste vorm, op de rand van het verdwijnen. Ik wist toen niet dat kort daarna mijn moeder zou verdwijnen. En dat ik daar amper iets bij zou voelen. Ze zou ook maar even weg zijn, ze kon elk moment weer terugkeren.
Mijn kuit krampt, ik doe mijn best zo stil mogelijk te liggen.
Waar zou Tom aan hebben gedacht toen hij hier lag? Het besef van eindigheid? De metafysische relevantie? Of waren zijn gedachten bij het college dat hij morgen moet geven, bij zijn favoriete student of juist bij de studenten die klagen over zijn wollige formuleringen? Er is weinig wat Tom uit zijn slaap kan houden, maar het gepieker over de mening van zijn studentjes kan hem nachtenlang laten woelen.
Hij wilde eerst niet meedoen. We zijn volwassen mensen… begon hij. We zijn ouders, alleen omdat we dronken zijn hoeven we nog niet… Hij kon zijn zin niet afmaken. We schoten in de lach. Even was het net of dat ouderschap ook maar een spel was. Hij vond het macaber, zei hij, om te doen alsof een van ons de definitieve scheidslijn was gepasseerd. We haalden hem over, beloofden het goede in de toespraken te benadrukken. Zoals dat ook op echte begrafenissen gebeurt.
Dan wilde hij ook als eerste dood zijn. Misschien om zich afzijdig te houden, onder de deken, op de grond, om zo aan het idee te wennen. Daniël sprak over hem. Tom is ruimhartig met zijn intelligentie, zei hij. Tom voelt een drang de ander te verrijken.
'Masje en ik leerden elkaar eigenlijk pas echt kennen tijdens ons jaar in New York,' begint Aysun weer. 'Masje zocht grenzen op, zwierf van nachtclub naar nachtclub, danste op podia… Ze was een social butterfly. Comparative Literature studeerden we. We lazen hardop. Anne Sexton, Walt Whitman, Allen Ginsberg… die zagen we trouwens nog optreden in een kerk op Broadway, met zijn jonge minnaar naast zich. Ik hoor hem nóg voordragen, nieuw werk, maar ook Howl: I saw the best minds of my generation destroyed by madness.'
Aysun weet Ginsbergs bezwerende ritme en intonatie goed te imiteren.
'Maar weer terug in Amsterdam gebeurde er iets. Ze maakte een wending. Ze werd serieus, ging geneeskunde studeren, microbiologie, ze wilde bijdragen aan de gezondheid van mens en wereld. Ze had het gevoel haar tijd te hebben verdaan met klojo's die ze in het nachtleven aan de haak sloeg. Ik heb me erover verbaasd, over haar plotselinge idealisme, haar keuze voor een beroep waarbij ze amper met mensen in contact kwam, haar vaste baan in het lab... Soms denk ik dat die keuze enkel voortkwam uit de wens een duidelijk antwoord te hebben op de vraag: wat doe jij?'
Ze heeft gelijk, het was een keuze die voortkwam uit mijn verlangen naar helderheid. De één vindt houvast in een religie, ik in microbiologie. En ik wilde iets doen dat echt was, me op de dingen richten die ook buiten de verbeelding bestonden.
'Ze zei niet mee te willen draaien in het "circus van grote ego's", zoals ze het schrijverswereldje noemde. Zij wilde zich voortaan op het allerkleinste richten; op het microscopisch kleine dat toch ons voortbestaan bepaalt.'
Als ik mijn ogen sluit, drijf ik op een vlot dat bij elke golf achterover kantelt. Er wordt gelachen.
Ik moet even zijn weggedommeld. Ik adem uit en open mijn ogen. Het lamplicht dringt tussen de woldraadjes door.
'Masje was onbevangen, ze had een kinderziel…'
Zijn de anderen ook zo dronken? Die laatste twee glazen hadden niet gehoeven. Bonk donk dronken.
'Maar waar denk jij eigenlijk aan bij een kinderziel?' onderbreekt Daniël haar. 'Je gelooft toch niet in een ziel of zoiets als reïncarnatie?'
Ik wil mijn hand naar mijn neus bewegen. Maar doden kriebelen niet aan hun neus. Ik beweeg mijn tenen. De kramp in mijn kuit wordt heviger. Een heel klein beetje beweeg ik mijn tenen. Hoeveel kan ik bewegen zonder dat het opvalt? Binnen in mijn lichaam beweegt het onophoudelijk, zuurstof vliegt mijn longen in en uit, mijn maag bubbelt, arbeidt, borrelt, mijn hart pompt, darmen zwoegen, mijn blaas loopt vol. Ik strek mijn vingers. Mijn rechterarm ligt op mijn buik in de mitella.
'Ik ben serieus benieuwd wat je bedoelt met een kinderziel. Of eigenlijk sowieso met een ziel. Wat moeten we nog met de ziel sinds Freud het onderbewuste ontdekte?'
'Daniël!' Aysun stampt op de grond. 'Ik ben hier een toespraak aan het houden!'
'Heb jij daar een antwoord op, jij bent de filosoof hier.' Hij wendt zich tot Tom. Daniël is hard voor Aysun. Ze hadden broer en zus kunnen zijn. Meedogenloos tegen elkaar, maar zodra een buitenstaander een van hen bekritiseert, vormen ze een blok.
'Een ziel…' mompelt Tom.
'Dames en heren, De Ziel!' buldert Daniël.
Er wordt gelachen.
Ziel. Ziel. Seal. Zegel. Zeehond. Ik lig hier wel een beetje als een aangespoelde zeehond. Een langgerekte bult onder een kleed. Een zeppelin heeft ook de vorm van een zeehond. Ik zie hem nog vredig boven de daken zweven. Oscar zat achterop en klemde zijn armpjes om mijn middel. 'Mam!' riep hij. 'Is dat een zeppelin?'
Boven de huizen zweefde het voertuig log en elegant, lichtblauw en oranje. 'Zo cool! Dit is de eerste keer dat ik een zeppelin zie!' riep hij, zijn stemmetje hoog van verrukking.
'Zullen we hem volgen?' stelde ik voor.
Ik negeerde de straat die we anders in slaan, fietste ook de volgende langs die we naar zijn school hadden kunnen nemen. Zolang ik de zeppelin zag, fietste ik rechtdoor. Bij de kruising sloeg ik linksaf. Het was een grote weg met een geasfalteerd fietspad. Ik tuurde langs de daken, maar zag de zeppelin niet meer.
'Laten we teruggaan naar waar we hem eerst zagen.'
'Goed,' zei ik en ik wilde keren, maar ineens ontwaarde ik tussen twee schoorstenen het blinkende blauw en oranje.
'Daar is hij!' Ik slingerde het fietspad op en voelde me Oscars bondgenoot. Even was ik niet zijn moeder, niet dertig jaar ouder, even waren we gelijkwaardig in onze achtervolging van een goedmoedig deinende zeppelin.
Een toeter. Een gil. Een scooter die tegen mijn voorwiel op reed. Daarna was het zwart.
Ik lag op mijn rug, hoorde het stemmetje van Oscar - 'mama, mama.' Ik probeerde om me heen te kijken, maar mijn hoofd leek klem te zitten en ik zag niets. Ik wist heel zeker dat ik mijn ogen open had en toch was de wereld om mij heen zwart. Oscar, dacht ik. Als Oscar maar ongedeerd is. Mijn god, mijn god, raasde het door mijn gedachten.
'Oscar?'
'Mama…' piepte hij.
'Heb je pijn?'
'Neehee,' huilde hij. 'Je bloedt, mam.'
Goed. Met Oscar ging het goed. Niets ernstigs.
'We doen er een pleister op.' Ik wilde hem geruststellen, maar ondertussen zag ik niets. Ik begon te vermoeden dat ik blind was geworden, dat ik nooit meer iets zou zien. Dit was mijn lot. Ineens wilde ik niets liever dan dat de kinderen volwassen waren. Dat ik geen verantwoordelijkheid meer zou dragen voor hun leven. Als ik blind zou zijn zou ik het moederschap al helemaal niet meer aan kunnen.
'Je vloog op straat,' piepte Oscar.
Waarom zag ik niets? Ik voelde nattigheid op mijn kin en langs mijn kaak. Bloed. De bacteriën weten je meteen te vinden, de straatschooiers, de infectiekiemen. Een oorlog woedde rond de wond, ik zag het voor me, de commensale bacteriën die probeerden de aanvallers de toegang te ontzeggen, de poort te verdedigen, de ophaalbrug op te hijsen, ze te verdringen en bevechten, door macht en dwang en wil. Misschien geen vrije wil, maar toch zeker een wil, een impuls, een macht tot zelfbehoud die deze kleine organismen ook in mijn voordeel deed vechten.
'Mama…'
Ik wilde Oscar geruststellen, hem veiligheid bieden, voorkomen dat hij zich zorgen zou maken, maar ik kon niets. Mijn onvermogen was daar, liggend op het wegdek, gerechtvaardigd, en toch leek dit gevoel sterk op de machteloosheid die me ook op andere dagen kon overvallen; het besef verantwoordelijk te zijn voor mijn zoons, voor twee levende wezens die mij nodig hadden. Hun moest ik de weg wijzen, ongeacht mijn eigen zoektocht. Waarom vind ik alles altijd zo ingewikkeld? De eenvoudigste dingen: het wekken van kinderen in de ochtend, de zalige kinderslaap doorbreken, het bedenken van wat we zullen eten. Zal ik een kindermaaltijd maken of juist iets koken wat ik zelf lekker vind? Zal ik ze dwingen hun bord leeg te eten? Nee, dat niet. Ik zal ze niet dwingen. De weerstand die de jongens mij kunnen bieden, ik ben er niet tegen opgewassen. Waarom kan ik niet eenvoudig zeggen Eet je bord leeg. Waarom voel ik me een vreemde aan mijn eigen keukentafel? Verdwaald in een onbekende stad met een koffer vol vreemde spullen aan tafel bij mensen die ik niet ken?
'Sorry mevrouw, sorry... o, focking hell, sorry…' De jongen klaagde met een Amsterdams accent. Ik hoorde meer stemmen. Mensen praatten door elkaar.
Vanuit het heelal bekeken, verschilde dit ongeluk niet veel van een kleine infectie op een lichaam, een verkeerde bacterie in een pukkeltje. Een kleine hapering, meer niet. Sommigen zien bacteriën als willoze diertjes die met de juiste antibiotica zijn uit te schakelen. Maar ook in het 'deel-en-vermenigvuldigpatroon' schuilt twijfel. Twijfel over de te nemen richting, groeien of niet, delen of één blijven, bestaan of niet bestaan. Hamlet. Hij was misschien wel de eerste moderne mens. Zijn lot is niet zozeer tragisch omdat hij gedoemd is zijn vader te wreken, maar omdat hij twijfelt. Hij had een held kunnen zijn, ware het niet dat hij twijfelde. I could be bounded in a nutshell and count myself a king of infinite space, were it not that I have bad dreams.
Ik trok een voor een mijn benen op en staarde in een donker waterig niets. Mijn benen waren er. In mijn hand Oscars handje. Hij was ongedeerd. Mijn paniek zakte weg. Er was iets gebeurd wat ik niet in de hand had. Er was me iets overkomen waar ik niet voor had gekozen. Die gedachte, dat ik er niet verantwoordelijk voor was, vervulde me met kalmte. Het was een vrijbrief om me eraan over te geven. Om te blijven liggen zonder me te schamen. Hoe vaak heb ik er niet naar verlangd om zomaar te stoppen. Om gewoon maar te blijven liggen. Niet uit bed te komen, niet te ontbijten, niet naar school te brengen, geen werk, geen vergadering, geen crèche, geen school, geen eten, geen vragende blikken van analisten, of van kinderen, geen verhaaltje bij bedtijd, geen tv, geen internet. Er zomaar mee op te houden. Eenvoudig stoppen. To be or not to be. Gewoon blijven liggen. Op mijn rug. Plat als een veeg bloed op een glaasje onder de microscoop. En alle dingen die me tot de orde willen roepen aan me voorbij laten gaan, wekker, telefoon, de stem van Tom.
Niet dat ik dood wilde. Ik wilde juist leven.
'Mevrouw, moet ik 112 bellen?'
De jongen herhaalde dat hij dacht dat ik naar links ging.
'Mama.' Oscars stemmetje klonk angstig. Hij schaamde zich omdat zijn moeder op straat lag. Soms kan ik me storen aan zijn schaamte. Oscar schaamt zich snel. Hij kan zich schamen als ik me buk om mijn veters te strikken. Als ik een vraag stel aan een winkelbediende.
Hij is bijna acht. Soms observeer ik hem zodat ik een idee krijg hoe ik zelf moet zijn geweest toen ik die leeftijd had. Wat er eigenlijk door me heen ging toen ik op een stoel ging staan om bij de hoestdrank te kunnen die mijn vader op de kast had gezet. Ik zette het flesje aan mijn mond en nam een flinke slok. Lekker was dat. Acht. Ik was net een paar dagen acht toen mijn moeder verdween. Acht. Het jaar van de grote verandering. Ik observeer Oscar en zijn leeftijdgenootjes en probeer te begrijpen waarom ik ervoor koos niet te geloven dat mijn moeder weg was.
De jongen van de scooter klonk boven de anderen uit. Paniekerig. Ik had met hem te doen.
De sirene van een politieauto.
Ik opende mijn ogen. Het zwart was veranderd in een donkerpaarse gloed, waarin herkenbare vormen opdoemden. Daken. Bomen. Auto's. Mensen.
'Kunt u overeind komen?'
'Ik zie de wereld in paars en blauw.'
'Ben ik ook blauw?' Een mannenstem.
'Ja.'
Bepaalde periodes in mijn leven waren goed. Er zijn ook jaren geweest die ik als goed beschouwde, maar waarvan ik nu weet dat het slecht ging. Nu zit ik in een tijd waarin…
'Mama, doe nu wat de politieagent zegt.'
Ik probeerde te gaan zitten, maar mijn arm weigerde.
Het paars en blauw deinde en deed me denken aan een digitale imitatie van een stad bij nacht. Ik zou meer van muziek moeten leren genieten, me verdiepen in klassieke muziek. Geen internet, geen Facebook meer, niet meer chatten. Het kan een zegen zijn om niet goed te kunnen zien.
Iemand begon mijn arm te buigen en strekken. Het deed vreselijk pijn.
Uit de diepte kwam een oranje vlek opborrelen. Steeds feller oranje. De schooltas van Oscar.
Een rode auto. Een blauwe. Een witte. De ambulance. Een agent. Een voor een doemden de dingen uit de duisternis op. Witte daklijsten. Een boom. Een perfecte boom. Bruine stevige stam. Zelfverzekerde, dunne, buigzame takken. Driehoekjes blauw tussen fijne pengetekende takjes en felgroene bladeren. Het paste precies. De zwarte vertakkingen. Trillende blaadjes. Licht door lichtgroen.
Prachtig.
Ik wilde mijn hoofd schudden.
Dit is Amsterdam, dacht ik. Dit is Amsterdam en dit is mijn leven. Met Oscar, Bobby en Tom. Ik voelde me zielsgelukkig. De agent ondersteunde me en hielp me overeind. Voor we de ambulance in stapten, keek ik omhoog. Daar zweefde de zeppelin, recht boven ons, als een oog dat ons in de gaten hield.
'Het is net een ballon. Een ballon van een reuzenkind,' zei Oscar.
Dat had hij precies goed gezegd.

'Tja, de ziel, het is maar net wat je onder een ziel verstaat…' doorbreekt Tom de stilte.
'Dat is mijn vraag.'
'Laat Tom nou even uitpraten.' Irritatie van Susan. Ik was bijna vergeten dat zij er ook nog is. Onze spontane, langbenige buurvrouw van een paar deuren verder. Hoog opgestoken rossig haar, sproeten en een brede mond. Als we onze kinderen naar school brengen, zegt ze me lachend gedag. Lachend alsof ze zojuist een medaille op de Olympische Spelen heeft gewonnen, of de Staatsloterij. Zo'n lach. Het kan niet. En toch is het zo. Elke ochtend.
'Het onderbewuste is iets wat we kunnen onderzoeken. We kunnen ons onderbewuste verkennen door onze gewoontes en denkpatronen te bekijken, maar de ziel is ongrijpbaar.' Tom.
'De ziel is als de wind…' Aysun.
'Ja, als de wind. Dat heb je mooi gezegd.'
'De wind, de adem, de geest, de spirit, spiritus… de adem, die in je komt en je uiteindelijk weer verlaat.'
'Ja, klopt, het begint bij de adem. God blies Adam het leven in, hij blies hem een ziel in,' vult Tom aan. 'Ziel is toch eigenlijk een religieuze term. Als je lichaam sterft, reist je ziel verder naar de hemel, het vagevuur of de hel, of naar een ander oord, dat hangt maar net van je religie af. Maar het onderbewuste heeft geen rol meer na de dood. Dat is een belangrijk verschil.'
Ik hoor Bobby roepen.
'Heb je je wel eens proberen voor te stellen of er ook een God had kunnen zijn als hij geen mensen zou hebben geschapen? Een wereld, helemaal intact, planten, dieren, maar geen mensen.' Daniël praat luid. 'Geen natuurvervuiling, alleen pure natuur. Flora, fauna… En een heel tevreden God die er een beetje dikbuikig omheen zweeft.'
Ik zie voor me hoe Daniël uit zijn ogen kijkt, fanatiek, door zijn eigen verbeelding meegesleept.
'We dwalen af,' zucht Susan.
'Ja, maar dat is wel waar het om draait. Dat we er zijn. Wij mensen. Wat is het dat ons doet leven? Waar komt leven vandaan? Die energie, die leven schenkt aan de dingen, dat is voor mij de ziel. Het is weinig persoonlijk, maar juist iets wat het persoonlijke overstijgt,' gaat Tom verder.
'Volgens mij roept een van de kinderen,' zegt Susan.
'Masje, Bobby roept!' Toms stem klinkt schrikachtig, alsof iemand hem heeft betrapt.
Ik antwoord niet.
Aysun lacht. 'Masje houdt zich goed als dode.'
Ik hoef niet te kijken om te zien wat er gebeurt. Ik zie voor me hoe Susan zich naar Tom toe draait. Hoe hij overeind komt. Ik hoor hem de trap op gaan. Bobby vraagt vast waarom mama niet naar boven komt. Nou, we spelen een spel waarbij we om de beurt onder een deken moeten liggen. Nu is zij aan de beurt. Ze speelt dat ze dood is en Aysun houdt een toespraak. Zou hij dat zeggen?
Susan en Aysun smoezen.
'Ik wilde sowieso liever een jongen. Het lijkt me zo erg het voorbeeld te moeten zijn,' fluistert Aysun. 'Mij als voorbeeld! Oef!... I'm soooo sophisticated!'
'Even naar de wc.'
Susan weet zich geen raad met Aysun, ze vindt haar hysterisch. Ik hoor haar naar boven gaan. Beneden is ook een wc. Maar ze wil Tom boven in de gang tegenkomen. In het voorbijgaan met haar tieten langs zijn arm strijken.
Daniël stommelt rond. Hij vult de wijnglazen. Hij is na mij aan de beurt. Praktisch. Eerlijk. Vol ironie. Wat kan ik nog meer over hem zeggen? Ik kan vertellen hoe we elkaar leerden kennen. 'Heb jij een hond?' vroeg hij. We stonden in de kantine van de Oudemanhuispoort. Ik schudde mijn hoofd. 'Jij?' 'Nee, het was ook zomaar een vraag,' zei hij. Ik vond hem leuk. Tom hing in zijn buurt en grijnsde verlegen. Aysun was er toen nog niet bij. Ik voelde me meer tot Daniël aangetrokken dan tot Tom - onze verliefdheid zou pas jaren later ontluiken. Net als mijn ergernis aan Daniëls opportunisme, aan zijn botheid en pessimisme. Als student was hij charmant, zijn baldadigheid was gedurfd en gevat. Hij was niet bang, niet zo beleefd als Tom. Tom is beschaafd. Zoals zijn vader altijd zijn hand boven de rekening hield. Als hij ons uit eten nam mochten we niet zien hoeveel het had gekost. Een prijs noemen was ordinair. Tom lachte om zijn ouders. Nu is hij precies zo. Maar dat gaat over Tom.
Wat kan ik over Daniël zeggen? Dat hij er altijd bij heeft gehoord? Ik kan zijn onzekerheid benoemen die hij het liefst overschreeuwt, zijn verkrampte levenshouding waarmee hij zichzelf dwarszit. We hebben allemaal concessies gedaan, maar hij lijdt er het meest onder. Hij had journalist willen worden. Een tijd lang leek hij goed op weg, maar zodra hij een verzoek kreeg van een krant of tijdschrift, vond hij de opdracht belachelijk, te clichématig. Hij gedroeg zich arrogant, maar was eigenlijk bang te falen. Ondertussen volgde hij de adviezen van zijn vader, ging bouwkunde studeren, verdiende bij als loodgieter.
Nee, ik weet al wat ik kan vertellen. Ik vertel hoe zijn schuldgevoel aan hem knaagde toen hij een dakloze geld had geweigerd. Een paar dagen later ging hij naar de jongen op zoek en bood hem aan koffie te zetten. De zwerver zat in hun keuken, Daniël smeerde boterhammen. Dat verhaal had me geraakt. Aysun was ervan geschrokken. Ze vreesde dat dit een nieuwe gewoonte zou worden. Ik vond het ontroerend. Ja, dat vertel ik. Mooi, dan weet ik dat vast.
'Toch begrijp ik wel wat je bedoelt met die kinderziel,' zegt Tom. Hij komt de trap af gesprongen.
'Een kinderziel… Ha!' roept Daniël uit. 'Ja, Laurel en Hardy hadden een kinderziel. Samen één. Ieder een halve kinderziel!' Hij buldert.
'Nee, het gaat niet om kinderlijkheid,' zegt Aysun. 'Als je naar bekendheden wilt verwijzen… eh… dan denk ik eerder aan Marilyn Monroe, of…'
'Welja, grote kans dat Napoleon of Hitler ook een kinderziel had.'
'Doe niet zo flauw.'
Ik moet om Daniël lachen.
'Dan eerder Gandhi,' zegt Aysun. 'De afwezigheid van cynisme, het vertrouwen in de goedheid van de mens...'
'Je hebt gelijk. Masje heeft dat,' zegt Tom. 'Ze heeft iets… iets onbevooroordeelds…'
Een kinderziel dus. Het is een merkwaardig idee dat mijn ziel een leeftijd zou hebben die losstaat van mijn eigen leeftijd.
'Maar het kan soms ook tot ondoordacht, impulsief gedrag leiden. Dat dan weer wel.' Tom.
'Masje kon niet veinzen...' probeert Aysun de draad op te pakken. 'Toen ik haar bekende dat ik verliefd op haar was, zei ze "o leuk!" en ze ging nog wat te drinken halen.'
Er wordt gelachen.
Vreemd dat ze denkt dat ik niet kan veinzen. Waarschijnlijk omdat zij altijd nog méér veinst. Dat is het. Aysun kan gemaakt enthousiast en meelevend doen. Vooral bij mensen die ze minder goed kent. Mijn veinzen is subtieler en daardoor geloofwaardiger. Maar ook valser.
'... Masje bezat een gave om de ander...'
Het merkwaardigste is nog wel dat er een dag zal komen dat we echt op elkaars begrafenis zullen spreken. Wie van ons zal er het eerst sterven? Volgens de statistieken gaan de mannen eerder. Maar wat zegt dat? Misschien sterf ik als eerste.
Mijn telefoon gaat. Hij ligt niet ver van mij vandaan op een stoel. Iemand ijsbeert door de kamer. Het getingel stopt en begint weer.
'Je gaat nu toch niet oppakken?' Susan.
'Kijk dan even wie het is.' Aysun.
'Het is je tante.' Tom.
Mijn tante? Zij is wel de laatste die na middernacht zou bellen.
'Laat maar gaan.'
'Volgende keer gaan we pokeren!' roept Daniël. 'Daar komt ook psychologie bij kijken.'
'Laat haar nou verdergaan.' De stem van Susan. 'Ik vind het interessant.'
De deurbel gaat.
'Wie belt er nou zo laat aan?'
Geroezemoes. Voetstappen.
'Je bent bang dat ik je wijn opdrink,' zegt Daniël met gedempte stem.
'Helemaal niet.' Aysun.
'Jawel. Je bent bang dat ik je wijn opdrink.'
'Hoezo? Er is toch wijn genoeg?'
'Ik nam zonet een slok uit je glas en toen pakte je het meteen terug. Jij denkt hij drinkt in twee slokken heel mijn glas leeg.'
'Dat is waar. Jij neemt altijd heel grote slokken, voor jou is dit nog amper een bodempje. Voor mij een redelijk vol glas.'
'Zie je?' Daniël klinkt triomfantelijk. 'Je bent bang dat ik je wijn opdrink.'
Ik trek de deken van mijn hoofd.
Tom komt binnenlopen.
'Het is je vader.'

 

© Jannah Loontjens, 2014

Uitgeverij Ambo|Anthos

MINDBOOKSATH : athenaeum