Leesfragment: Monte Carlo

08 mei 2014 , door Peter Terrin
| | |

Op 8 mei verschijnt de nieuwe roman van Peter Terrin: Monte Carlo. Wij publiceren voor. 

 

'De prins glundert. De belangrijkste dag van het jaar verloopt helemaal volgens plan. Met het verplichte diner achter de rug, met de praatjes tot een bevredigend einde gebracht, zoekt hij de hand van zijn Amerikaanse vrouw. Ze is zo elegant als haar ouders met haar naam hebben voorspeld.'

 

Monaco, mei 1968. Net voor de start van de grand prix formule 1 is het publiek getuige van een vreselijk ongeluk. De bescheiden Jack Preston, monteur bij Team Lotus, redt het leven en vooral het gezicht van Deedee, jonge filmster en belichaming van de nieuwe zeden. Weer thuis bij zijn vrouw, in een afgelegen Engels dorp waar de jaren vijftig maar moeilijk wijken, wacht Jack met verlangen en angst op een teken van Deedee, dat zijn leven zal veranderen.

Monte Carlo is een puntgave vertelling, een aangrijpende geschiedenis over geloof, heldendom en de wil om gezien te worden.

 

Het vuur is nog geen vuur. Niet echt. Maar de hoogwaardige brandstof die net uit de Lotus is gelekt, is geen vloeistof meer. Deze verandert van gedaante, op dit ogenblik, een brute ommekeer die gepaard gaat met wat sommigen zullen omschrijven als een geblaf, een gemeenplaats, in werkelijkheid het geluid van een reusachtig, naar zuurstof happend beest. Geen vuur nog, een wolk van hitte, zonder kleur, voorlopig onzichtbaar in het felle zonlicht van deze uitzonderlijk warme lentedag in Monte Carlo. Een wolk die hem in de rug duwt en tegelijk omvat. Overall, ondergoed, zelfs de brillantine in zijn haar zijn nog valabele grenzen, in staat hem af te schermen, zijn huid te sparen. Op dit ogenblik bestaan ze naast elkaar, evenwaardig, zijn overall en de spokende hitte. Het vuur dat nog geen vuur is.

 

De naam van de man is Jack Preston.
Zijn vader, zachtaardig, gesneuveld voor het vaderland, wou hem Adam noemen, maar zijn moeder vond Adam te deftig, niet passen bij hun soort eenvoudige mensen. Hem Adam noemen, dacht ze, achteroverleunend in de opgeklopte kussens, terwijl haar pasgeboren zoon de lippen om haar zeer gevoelige linkertepel sloot en daarbij een zacht kermen voortbracht, als van een overrompelend geluk na het doorstane leed, een geluk zo groot dat het niet helemaal in zijn lijfje paste, waardoor het overschot met opeenvolgende trillingen van de stembanden afgevoerd moest worden, hem Adam noemen, dacht ze, zou verkeerde verwachtingen scheppen en hem voorbestemmen voor een leven verziekt door ontgoocheling.
Jack. Naar haar doodgeboren broertje dat de voorbije maanden geen seconde uit haar gedachten was geweest en haar de nacht tevoren in een droom had bezocht, haar als een volwassen man de hand had geschud op een manier die in de droom niet de minste twijfel liet bestaan over zijn ware identiteit.
Adam, dacht zijn vader elf jaar later. De gedachte viel samen met het inslaan van een kogel vlak bij zijn gezicht. Nu hij hier op dit vreemde strand lag, getroffen in de borst, de pijn ver voorbij, nu hij geen deel meer nam aan het tumult, ebde zijn angst weg. Het mortiervuur, de schorre kreten, de fluitende kogels, de zee, alles vervaagde. Op het ogenblik dat de inslaande kogel het zand deed opspatten en een kuiltje maakte, precies in zijn blikveld, kwam de naam Adam als een warme herinnering, een onverwacht geschenk, de zoon die zijn zoon ook was. Het stille, exclusieve genoegen van een geheim verbond, besloten in één woord. Adam. Hij fluisterde, hij voelde zijn lippen bewegen, en hij stierf.

 

De prins glundert. De belangrijkste dag van het jaar verloopt helemaal volgens plan. Met het verplichte diner achter de rug, met de praatjes tot een bevredigend einde gebracht, zoekt hij de hand van zijn Amerikaanse vrouw. Ze is zo elegant als haar ouders met haar naam hebben voorspeld.
De sfeer is gemoedelijk, het gezelschap is inmiddels aan elkaar gewend. Door de grote glaspartijen van de ontvangstruimte stroomt het zonlicht naar binnen, in de verte weerkaatst door de azuurblauwe zee, een schittering die men bijna kan horen. Een vogel in zweefvlucht trekt zijn aandacht, hoog tegen de hemel maakt hij steeds opnieuw rondjes, glijdt hij met de luchtstroom mee en keert zich er weer tegenin, als naait hij met zijn scherpe snavel lus na lus een onzichtbare scheur in de luchtlagen. En de prins wordt die vogel, hij kijkt neer op dit lapje grond tegen de flank van een berg, als een adelaar, hij kijkt mee over Gods schouder naar de menselijke bedrijvigheid, deze concentratie van inspanning en energie en intellect, deze roemruchte opeenhoping van buitengewone welvaart en architectuur, het romantische rijm met de kleuren van het gesteente hogerop, het verblindende wit van de gerangschikte jachten in de haven eronder - een prinsdom, bedenkt hij ouder en wijzer, en nostalgisch door de wijn, als een voortdurende, nooit in te lossen belofte. Daar pal middenin, haarscherp afgetekend, het circuit voor de grand prix. Een grillige ring van geladen afwezigheid.
Hij neemt de trouwring van zijn vrouw tussen de vingers en spreekt in stilte de hoop uit dat er vandaag geen doden zullen vallen, niet zoals vorig jaar. Met zijn andere hand strijkt hij zijn snor. Daarna keert de prins zich om naar zijn genodigden, maar in gedachten is hij bij Deedee.

 

Copyright © 2014 Peter Terrin
Copyright © auteursportret Marco Mertens

Uitgeverij De Bezige Bij

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum