Leesfragment: Naar de haaien

27 november 2015 , door Erich Kästner
| |

Deze week verscheen Naar de haaien van Erich Kästner voor het eerst volledig en in Nederlandse vertaling (van Maaike Bijnsdorp en Lucie Schaap). Wij brengen een uitgebreid fragment.
'Fabian legde een mark op tafel en vertrok. Hij had geen idee waar hij zich bevond. Als je op de Wittenbergplatz lijn 1 neemt, bij de Potsdamer Brücke overstapt op een tram zonder op het nummer te letten en twintig minuten later uitstapt omdat er plotseling een vrouw in het rijtuig zit die op Frederik de Grote lijkt, weet je echt niet meer waar je bent.'

Naar de haaien is een roman die op grootse wijze de verzenuwde periode tussen de beurscrash van 1929 en de definitieve machtsovername van de nazi’s in 1933 vastlegt. In deze jaren van armoede en gebrek doolt de werkloze Fabian door Berlijn, een stad die zich zowel op politiek als erotisch vlak in een crisissituatie bevindt. Het boek werd in 1931 in Duitsland verkort, gecensureerd en onder een andere titel op de markt gebracht (Fabian: het verhaal van een moralist), om twee jaar later op de brandstapel te belanden: de nazi’s achtten ook de gemuilkorfde editie obsceen, decadent en getuigen van een gedegenereerde geest. Na ruim tachtig jaar is nu voor het eerst de roman te lezen zoals Kästner die bedoeld heeft.

Erich Kästner (1899-1974) was schrijver en dichter en brak internationaal door met zijn veelgeprezen kinderboek Emiel en zijn detectives, dat in meer dan 50 landen vertaald is en waarvan alleen al in Duitsland 2 miljoen exemplaren werden verkocht.

 

Hoofdstuk 1

Een ober als orakel • De ander gaat toch • Een instituut voor geestelijke toenadering

Fabian zat in café Spalteholz en las de koppen van de avondkranten: Engels luchtschip ontploft boven Beauvais, Strychnine opgeslagen bij linzen in pakhuis, Negenjarig meisje uit raam gesprongen, Minister-presidentsverkiezingen opnieuw onbeslist, Moord in Wienerwald, Schandaal bij gemeentelijk inkoopbureau, De kunstmatige stem in uw vestzak, Lagere kolenomzet in Ruhrgebied, Cadeaus voor rijksspoorwegdirecteur Neumann, Olifanten op de stoep, Onrust op de koffiemarkt, Schandaal rond Clara Bow, 140.000 metaalarbeiders dreigen met staking, Gangsterdrama in Chicago, Onderhandelingen in Moskou over houtdumpingen, Garde van Starhemberg in opstand. Dagelijkse kost. Niets bijzonders.
Hij nam een slok koffie en kromp ineen. Het bocht smaakte naar suiker. Sinds hij tien jaar geleden in de mensa bij de Oranienburger Tor drie keer per week tegen heug en meug macaroni met sacharine naar binnen had gewerkt, had hij een hekel aan zoet.
Snel stak hij een sigaret op en riep de ober.
‘Wat kan ik voor u doen?’ vroeg die.
‘Een vraag beantwoorden.’
‘Zegt u het maar.’
‘Zal ik gaan of niet?’
‘Waarheen, meneer?’
‘Ik wil een antwoord, geen vraag. Zal ik gaan of niet?’
De ober krabde zich denkbeeldig achter de oren. Hij verplaatste zijn gewicht van de ene platvoet naar de andere en opperde verlegen:
‘Het lijkt me het beste om niet te gaan. Het zekere voor het onzekere, meneer.’
Fabian knikte. ‘Mooi. Dan ga ik. Mag ik de rekening.’
‘Maar ik heb het u toch afgeraden?’
‘Daarom juist. Afrekenen, graag.’
‘En als ik het aangeraden had, was u dan niet gegaan?’
‘Dan ook. Afrekenen, graag!’
‘Ik snap het niet,’ zei de ober boos. ‘Waarom vraagt u het dan?’
‘Als ik dat eens wist,’ zei Fabian.
‘Eén koffie en een boterham, vijftig, dertig, tachtig, negentig pfennig,’ somde de ober op.
Fabian legde een mark op tafel en vertrok. Hij had geen idee waar hij zich bevond. Als je op de Wittenbergplatz lijn 1 neemt, bij de Potsdamer Brücke overstapt op een tram zonder op het nummer te letten en twintig minuten later uitstapt omdat er plotseling een vrouw in het rijtuig zit die op Frederik de Grote lijkt, weet je echt niet meer waar je bent.
Hij liep achter drie haastig doorstappende arbeiders aan en bereikte zo, over planken struikelend langs schuttingen en grauwe hoerenhotelletjes, station Jannowitzbrücke. In de ondergrondse haalde hij het adres tevoorschijn dat Bertuch, zijn afdelingschef, voor hem had opgeschreven: Schlüterstraße 23, mevrouw Sommer.
Hij stapte bij Zoo uit. Op de Joachimsthaler Straße vroeg een springerig meisje met spichtige benen hem of hij zin had. Hij reageerde afwijzend op het aanbod, schudde dreigend met zijn vinger en wist te ontsnappen.
De stad leek wel een kermisterrein. De gevels van de huizen waren besmeurd met een veelkleurig licht, waarbij de sterren aan de hemel schamel afstaken. Boven de daken knetterde een vliegtuig. Plotseling regende het aluminium daalders. De voorbijgangers keken naar boven, lachten en bukten zich. Fabian moest even aan het sprookje denken waarin een klein meisje haar hemd om hooghoudt om de munten op te vangen die uit de hemel vallen.
Hij plukte een van de daalders van de stijve rand van de hoed van een onbekende. ‘Bezoek de Exotikbar, Nollendorfplatz 3, mooie vrouwen, naakte beelden, pension Condor op hetzelfde adres’ stond erop. Fabian stelde zich ineens voor dat hij in dat vliegtuig daarboven zat en op zichzelf neerkeek, op die jongeman in de Joachimsthaler Straße te midden van de krioelende menigte, in de lichtkring van de straatlantaarns en etalages, in het gewemel op straat in de koortsig gloeiende nacht. Wat een kleine man. En dat was hij dus!
Hij stak de Kurfürstendamm over. Langs een van de gevels rolde een lichtreclame van een Turkse jongen met elektrische ogen. Iemand stootte hard tegen de hak van Fabians laars. Hij draaide zich kwaad om. Het was de tram. De trambestuurder vloekte.
‘Kijk een beetje uit!’ riep een agent.
Fabian lichtte zijn hoed en zei: ‘Ik zal mijn best doen.’

In de Schlüterstraße deed een lilliputter in groen livrei open. Het groene mannetje klom op een sierlijk laddertje, hielp de bezoeker uit zijn jas en liep weg. Het was amper uit het zicht verdwenen of een weelderige dame, vast en zeker mevrouw Sommer, kwam ruisend door het gordijn en zei: ‘Loopt u maar mee naar mijn kantoor.’ Fabian volgde haar.
‘Een zekere heer Bertuch heeft me uw club aangeraden.’
Ze bladerde in een notitieboekje en knikte. ‘Bertuch, Friedrich Georg, chef de bureau, 40 jaar, gemiddelde lengte, bruin haar, Karlstraße 9, muziekliefhebber, houdt van slanke blonde vrouwen onder de vijfentwintig jaar.’
‘Dat is hem!’
‘De heer Bertuch is sinds oktober lid en is hier sindsdien vijf keer geweest.’
‘Dat lijkt me een aanbeveling voor uw instituut.’
‘Het inschrijfgeld bedraagt twintig mark. Voor elk bezoek betaalt u nog eens tien mark.’
‘Hier hebt u dertig mark.’ Fabian legde het geld op het bureau. De weelderige dame stopte de biljetten in een la, pakte een kroontjespen en zei: ‘Persoonlijke gegevens?’
‘Jakob Fabian, 32 jaar, wisselend beroep, momenteel werkzaam in de reclame, Schaperstraße 17, hartkwaal, haarkleur bruin. Wat wilt u nog meer weten?’
‘Hebt u nog bepaalde wensen wat de dames betreft?’
‘Ik leg me liever niet vast. Mijn smaak neigt naar blond, maar mijn ervaring spreekt dat tegen. Ik heb een voorliefde voor grote vrouwen. Maar die behoefte is niet wederzijds. Vult u daar maar niets in.’
In de verte klonk grammofoonmuziek. De weelderige dame stond op en verklaarde ernstig: ‘Voor we naar binnen gaan moet ik u van de belangrijkste regels op de hoogte stellen. Toenadering tussen de leden onderling wordt niet afgekeurd, maar juist aangemoedigd. De dames genieten dezelfde rechten als de heren. Van het bestaan, het adres en de gebruiken van het instituut mogen alleen betrouwbare personen op de hoogte worden gesteld. Ongeacht de onbaatzuchtige bedoelingen van onze onderneming dienen consumpties direct te worden afgerekend. Binnen de muren van de club kan geen enkel paar aanspraak maken op privacy. Koppels die niet gestoord wensen te worden, wordt verzocht de club te verlaten. Dit etablissement is bedoeld om contacten te leggen, niet om wat daar eventueel op volgt te faciliteren. Leden die elkaar tijdelijk over en weer de gelegenheid tot nadere kennismaking hebben gegeven, wordt verzocht dit daarna weer te vergeten. Alleen zo zijn complicaties te vermijden. Hebt u mij begrepen, meneer Fabian?’
‘Volkomen.’
‘Dan verzoek ik u mij te volgen.’
Er waren een stuk of dertig tot veertig mensen aanwezig. In het eerste vertrek werd gebridged. Ernaast werd gedanst. Mevrouw Sommer wees het nieuwe lid een onbezet tafeltje, zei dat hij zich bij eventuele vragen altijd tot haar kon wenden en nam afscheid. Fabian ging zitten, bestelde een cognac met spuitwater en keek om zich heen. Was hij op een verjaardagsfeestje?
‘Ze zien er onschuldiger uit dan ze zijn,’ merkte een kleine vrouw met zwart haar op die naast hem kwam zitten. Fabian bood haar een sigaret aan.
‘U komt sympathiek over,’ zei ze. ‘In december geboren zeker.’
‘Februari.’
‘Aha! Vissen met een paar druppels Waterman. Vrij koel van aard. Bent u hier alleen uit nieuwsgierigheid?”
‘Atoomwetenschappers beweren dat zelfs de kleinste stofjes uit om elkaar cirkelende elektrische energiedeeltjes bestaan. Beschouwt u dat als een hypothese of als een opvatting die overeenkomt met de werkelijkheid?’
‘U bent ook nog eens gevoelig!’ riep ze uit. ‘Maar dat geeft niet. Bent u hier op zoek naar een vrouw?’
Hij haalde zijn schouders op. ‘Is dit een formeel aanzoek?’
‘Wat een onzin! Ik ben twee keer getrouwd geweest, dat is voorlopig wel genoeg. Het huwelijk is voor mij niet de juiste manier van zelfexpressie. Daarvoor heb ik te veel belangstelling voor mannen. Ik doe gewoon alsof elke man die ik ontmoet en die me bevalt mijn echtgenoot is.’
‘Wat betreft zijn pregnantste eigenschappen, mag ik hopen.’
Ze lachte alsof ze de hik had en legde haar hand op zijn knie. ‘Precies! Ze zeggen dat ik aan standzoekende fantasie lijd. Mocht u in de loop van de avond de behoefte voelen opkomen om mij naar huis te brengen: mijn woning en ik zijn klein, maar solide.’
Hij haalde de vreemde onrustige hand van zijn knie en zei: ‘Alles kan. En nu wil ik eerst even rondkijken.’ Maar zover kwam het niet. Toen hij opstond en zich omdraaide, stond er een grote, naar wens gebouwde vrouw voor hem die zei: ‘Dadelijk wordt er gedanst.’ Ze was groter dan hij en nog blond ook. Het zwarte brutaaltje hield zich aan de regels en verdween. De ober zwengelde de grammofoon aan. Aan de tafels ontstond beweging. Er werd gedanst.
Fabian bekeek de blondine wat beter. Ze had een bleek, kinderlijk gezicht en zag er afstandelijker uit dan haar manier van dansen deed vermoeden. Hij zei niets en bedacht dat ze over enkele minuten de graad van zwijgzaamheid zouden hebben bereikt die het beginnen van een gesprek, en bovendien een nietszeggend gesprek, onmogelijk maakt. Gelukkig ging hij toen op haar voet staan. Dat maakte haar tong los. Ze wees hem op twee vrouwen die onlangs slaande ruzie hadden gehad om een man en elkaar de kleren van het lijf hadden gerukt. Ze wist te melden dat mevrouw Sommer een verhouding met de groene lilliputter had, waarvan ze zich geen voorstelling durfde te maken. Ten slotte vroeg ze hem of hij nog wilde blijven; zij wilde weg. Hij ging met haar mee.

Op de Kurfürstendamm hield ze een taxi aan, noemde een adres, stapte in en vroeg of hij mee wilde rijden. ‘Maar ik heb nog maar twee mark,’ zei hij.
‘Dat maakt niet zoveel uit,’ antwoordde ze, en ze riep naar de chauffeur: ‘Licht uit!’ Het werd donker. De auto trok op en reed weg. Al meteen bij de eerste bocht viel ze over hem heen en beet hem in zijn onderlip. Hij sloeg met zijn slaap tegen de kapsluiting, greep naar zijn hoofd en zei: ‘Au! Dat begint al goed.’
‘Doe niet zo gevoelig,’ beval ze, en ze overlaadde hem met aandacht. Dat overviel hem. Bovendien had hij pijn aan zijn slaap. Fabian was er met zijn hoofd niet bij. ‘Ik wilde eigenlijk, voor u me wurgt, nog een brief schrijven,’ rochelde hij.
Ze gaf hem een stomp tegen zijn sleutelbeen, lachte zonder een spier te vertrekken de hele toonladder op en weer af en ging gewoon door met wurgen. Zijn pogingen om de vrouw af te weren werden in toenemende mate verkeerd opgevat. Elke bocht leidde tot nieuwe verwikkelingen. Hij smeekte het lot de auto nog meer bochten te besparen. Het lot had een avondje vrij.
Toen de auto eindelijk stilhield, poederde de blondine haar gezicht, betaalde voor de rit en deelde hem bij de voordeur van haar huis mee: ‘Ten eerste zit je gezicht onder de rode vlekken, ten tweede kom je een kopje thee bij me drinken.’
Hij veegde de lippenstift van zijn wangen en zei: ‘Het zou me een hele eer zijn, maar ik moet morgen weer vroeg aan het werk.’
‘Maak me niet kwaad. Je blijft bij mij. De meid zal je wel wekken.’
‘Maar dan kom ik er niet uit. Nee, ik moet echt thuis slapen. Ik verwacht morgenvroeg om zeven uur een dringend telegram. Dat komt de hospita me brengen en dan schudt ze me meteen wakker.’
‘Hoe kun je nu al weten dat je dan een telegram krijgt?’
‘Ik weet zelfs al wat erin staat.’
‘Wat dan?’
‘Het luidt: “Vooruit, opstaan! Je trouwe vriend Fabian.” Dat ben ik, Fabian.’ Hij keek met knipperende ogen naar het bladerdek van de bomen en was verrukt over het gele schijnsel van de lantaarns. De straat lag er stil bij. Een kat liep geruisloos het donker in. Kon hij nu maar langs de grijze huizen wandelen!
‘Dat verhaal van dat telegram is niet waar.’
‘Nee, maar dat is puur toeval,’ zei hij.
‘Waarom kom je naar de club als je niet geïnteresseerd bent in de consequenties?’ vroeg ze boos, en ze deed de deur open.
‘Ik kreeg het adres en ben nieuwsgierig aangelegd.’
‘Allee dan!’ zei ze. ‘Nieuwsgierigheid kent geen grenzen.’ De deur viel achter hen dicht.

 

© Thomas Kästner, 2013
© Vertaling uit het Duits: Maaike Bijnsdorp en Lucie Schaap, 2014

Uitgeverij Lebowski

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum