Leesfragment: Nacht voor het feest

27 november 2015 , door Saša Stanišic

Op 14 oktober verscheen Nacht voor het feest van Saša Stanišic (Vor dem Fest, vertaald door Annemarie Vlaming). Het Duitse origineel werd het best verkocht op onze Duitse afdeling. We hernemen onze voorpublicatie: 'De natuur verovert terug wat van haar is. Zou men elders zeggen. Wij zeggen dat niet. Omdat dat onzin is. De natuur is inconsequent. Van de natuur kun je niet op aan. En als je ergens niet van op aan kunt, leent het zich niet voor fraaie formuleringen.'

 

Het is de avond voor het dorpsfeest in Fürstenfelde. De inwoners hebben overdag gekookt en andere voorbereidingen getroffen. Het dorp slaapt; slechts een paar inwoners zijn nog wakker. Zo is er mevrouw Kranz, een schilder die aan een groot portret werkt, en meneer Schramm, een oud-kolonel die zelfmoord wil plegen. Ze worden in beslag genomen door oude verhalen, herinneringen en mythen die rondwaren. Zo ontstaat een mozaïek van het dorpsleven overdag en in de nacht dat culmineert in een groot feest.

N.B. Eerder besprak Jerker Spits de Duitse editie van Nacht voor het feest op Athenaeum.nl. U vindt deze recensie hier

We zijn bedroefd. We hebben geen veerman meer. De veerman is dood. Twee meren, geen veerman. Naar de eilanden kun je nu alleen als je een boot hebt. Of als je een boot bent. Of zwemt. Maar ga maar eens zwemmen als de brokken ijs in de golven tegen elkaar tingelen als een windgong met duizend staafjes.
In theorie zou je om het meer heen kunnen lopen door steeds de oever te blijven volgen, maar we hebben het pad verwaarloosd. De grond is drassig en de vlonders zijn vermolmd en gevaarlijk, het struikgewas woekert, bijna manshoog staat het het pad in de weg.
De natuur verovert terug wat van haar is. Zou men elders zeggen. Wij zeggen dat niet. Omdat dat onzin is. De natuur is inconsequent. Van de natuur kun je niet op aan. En als je ergens niet van op aan kunt, leent het zich niet voor fraaie formuleringen.
Onder de ruïne van de oude boerderij van Schielke, waar het meer de landweg teder beroert, heeft iemand zijn halve huisraad langs de oever gedumpt. Een koelkast is weggezakt in de modderige grond, met een blikje tonijn er nog in. De veerman heeft het ons verteld. En dat hij woest was geworden. Niet vanwege het afval in het algemeen, maar vanwege de tonijn in het bijzonder.
Nu is de veerman dood, en wie ons moet vertellen wat de oevers uitspoken weten we niet. Wie moet er zo fraai zeggen: ‘Waar het meer de landweg teder beroert’, en: ‘Dat was tonijn uit de verre zeeën van Noorwegen.’ Zulke zinnen kennen alleen veerlieden.
Sinds de val van de Muur hebben we geen fraaie formuleringen meer bedacht. De veerman was een goed verteller. Maar denk maar niet dat we op dit moment van zwakte het Diepe Meer, dat zonder de veerman nog dieper is geworden, vragen hoe het met hem gaat. Of het Grote Meer, dat de veerman heeft verdronken, naar zijn motief.
Hoe de veerman is verdronken heeft niemand gezien. En dat is maar beter ook. Wat valt er ook helemaal te zien als iemand verdrinkt? Het is geen fijn gezicht. Hij moet zijn uitgevaren in de avond, over het meer lag nevel. In de ochtendschemering dreef een roeiboot op het water, leeg en tevergeefs, als een afscheidsgroet zonder ontvanger.
Er kwamen duikers. Mevrouw Schwermuth had koffie voor hen gezet, ze dronken koffie, keken uit over het meer, daarna gingen ze het meer in en haalden de veerman eruit. Grote mannen, blond en zwijgzaam, werkwoorden slechts in de gebiedende wijs, bergen de veerman. Staan aan de oever in hun nauwe pakken, zwart en stijf als uitroeptekens, door de dood geplaatst. Eten vegetarische broodjes, druipen.
De veerman werd begraven en de klokkenluider miste zijn inzet, anderhalf uur later begonnen de klokken pas te luiden, toen iedereen al aan de begrafenistaart zat in Spoor 1. Zonder hulp komt de klokkenluider immers nog amper de trap op. Onlangs liet hij om kwart over twaalf de klok achttien keer luiden, wat hem ook nog eens een schouder uit de kom opleverde. En dat terwijl we een luidmechaniek hebben en Johann, de leerling. Maar van geen van beide heeft de klokkenluider een hoge pet op.
Er gaan er meer dood dan er worden geboren. We horen de oudjes vereenzamen. Zien de jongens geen plannen smeden. Of het plan om weg te gaan. Sinds afgelopen lente doet lijn 419 niet langer een keer per uur ons station aan. De mensen zeggen: nog een paar generaties, langer zal het hier niet gaan. Wij geloven: het zal gaan. Het is altijd op de een of andere manier gegaan. Pest en oorlog, plagen en hongersnood, leven en sterven hebben we overleefd. Op de een of andere manier zal het wel gaan.
Maar nu is de veerman dood. Bij wie kunnen de drinkers nu nog terecht als Ulli ze eruit heeft gesmeten? Wie moet er voor de gasten uit Berlijn en omstreken zulke fantastische eilandspeurtochten organiseren dat geen schat ooit wordt gevonden en de kinderen na afloop op de veerpont zachtjes huilen en de moeders beleefd hun beklag doen bij de veerman, en de vaders nog dagenlang lopen te piekeren over wat er is mis gegaan en eerst de nieuwe deelstaten en vervolgens hun eigen mannelijkheid in twijfel trekken, waarna ze, bij de oever aangekomen, een appel eten en op hun gedesillusioneerde fietsen verder fietsen, richting Oostzee, en nooit meer terugkomen? Wie?
De veerman is dood, en de andere doden vragen zich af wat een veerman onder de grond moet. Hij had gewoon in het meer moeten blijven en klaar.
Niemand zegt: ik ben de nieuwe veerman. Het handjevol mensen dat begrijpt dat we koste wat kost een nieuwe veerman moeten hebben, weet niets van veerponten. Of van hoe je wateren troost. Of ze zijn te oud. Anderen doen alsof we nooit een veerman hebben gehad. Nog weer anderen zeggen: de veerman is dood, leve de bootverhuur.
De veerman is dood en niemand weet waarom. We zijn bedroefd. We hebben geen veerman meer. En de meren zijn weer woest en donker en kijken om zich heen.

*

Het tankstation is dicht, om te tanken moet je naar Woldegk. Gemiddeld rijdt het dorp sindsdien minder rondjes door het dorp en meer rechtstreeks naar Woldegk, Fontane reciterend, zij die Fontane uit het hoofd kennen. Gemiddeld mist jong het tankstation meer dan oud. Niet alleen vanwege de benzine. Vanwege KitKat en blikjes bier en Unforgiving in de smaak orange inferno, de energiedrank die de Oost-Duitse tankstations in razend tempo verovert, met 32 mg cafeïne per 100 ml.
Lada, die Lada genoemd wordt omdat hij op zijn dertiende met de Lada van zijn opa naar Denemarken is gereden, heeft vandaag voor de derde keer in drie maanden tijd zijn Golf in het Diepe Meer geparkeerd. Heeft dat iets met het afwezige tankstation te maken? Nee. Dat heeft iets met Lada te maken. En met de oeverweg, waar je in theorie uitstekend met 200 km per uur overheen kunt.
Het meer borrelde. Johann en stomme Suzi, die aan de kant stonden, vonden het eerst grappig, daarna niet meer grappig. Er ging een minuut voorbij. Johann deed zijn zweetband af en sprong erin, terwijl hij de slechtste zwemmer van de drie is. En de jongste. Jongen onder mannen. Voor niets. Lada kwam uit zichzelf weer boven. Met zijn peuk nog tussen zijn lippen. Kon Johann meteen mee redden.
Fürstenfelde. Aantal inwoners: oneven. Onze seizoenen: lente, zomer, herfst en winter. Die zomer van ons moet je niet onderschatten. Onze zomer kan concurreren met die aan de Middellandse Zee. In plaats van de Middellandse Zee hebben wij de meren. De lente is niets voor allergiepatiënten en niets voor mevrouw Schwermuth van het Heemkundig Museum, die wordt in de lente depressief. De herfst is opgedeeld in tweeën, de vroege herfst en de late herfst. De late herfst is bestemd voor het landbouwmachinetoerisme. Vaders uit de stad komen ’s nachts met hun zoons hierheen om naar landbouwmachines te kijken. Zoons: sprakeloos van verrukking vanwege de reusachtige rubberbanden en reflectoren en geraas. Het verhaal van de winter in een dorp met twee meren is altijd een verhaal dat begint als de meren bevriezen en ophoudt als het ijs dooit.
‘Wat ga je nu met dat barrel doen?’ vroeg Johann aan Lada, en Lada, bepaald geen beginneling op het gebied van auto’s-uithet- meer-halen en weer-fatsoenlijk-aan-de-praat-krijgen, zegt: ‘Komt wel.’
Stomme Suzi wierp zijn hengel opnieuw uit. Hij had even gepauzeerd vanwege Lada’s ongelukje. Vissen is Suzi’s lust en zijn leven. Als je stom bent geboren, ben je op de een of andere manier tot vissen voorbestemd. Maar wat wil stom nu eigenlijk helemaal zeggen? Politiek correct zou je het een kapot strottenhoofd moeten noemen.
Johann tikte zachtjes een ritme op zijn dijbeen. Morgen heeft hij zijn klokkenluidersexamen. Speciaal voor het feest heeft hij een deuntje gecomponeerd dat hij met de klepels zal slaan. Beieren wordt dat genoemd. Lada en Suzi weten dit niet. En dat is maar beter ook, anders komen ze weer met van die domme opmerkingen.
De drie kleedden zich tot op hun onderbroek uit. Johann en Lada om hun kleren te laten drogen, Suzi uit solidariteit. Lada’s volmaakt gespierde lijf, Suzi’s volmaakt gespierde lijf. Johanns ribben. Suzi kamt zijn haar naar achteren, altijd een kam op zak, een met uitsterven bedreigd gebaar. Drakenstaart op zijn voorhoofd, het machtige drakenlijf rond Suzi’s nek gewikkeld, de vuurspuwende drakenkop op zijn schouderblad. Suzi, mooi als een Italiaanse film uit de jaren vijftig. Suzi’s moeder kijkt die altijd en dan grient ze.
Sprinkhanen. Zwaluwen. Wespen. Allemaal erg moe, heel erg moe.
Het is tenslotte al herfst.
Vandaag was de laatste warme dag van het jaar. De laatste dag waarop je goed in je onderbroek in het gras kon liggen, met kevers die over je heen klimmen alsof je een natuurlijke hindernis in het eindmorenelandschap bent, wat in zekere zin natuurlijk ook zo is. Als je hier vandaan komt weet je zoiets: de laatste warme dag. Niet vanwege de zwaluwen of vanwege de weer-app. Je weet het omdat je je hebt uitgekleed en bent gaan liggen en, als je een meisje bent, je tenen in het zand hebt begraven. Als je geen meisje bent heb je niets met je tenen gedaan maar ben je gewoon gaan liggen. En zo liggend keek je naar de hemel en je wist het zeker: vandaag – de laatste warme dag. Mocht er als door een wonder toch nog eentje komen, dan zou dat niets te betekenen hebben. Vandaag was de laatste.
Lada en Johann keken naar Suzi en gaven hem tips, hij ving namelijk niets. Probeer het eens onder de es, de vissen vinden het te heet, dat soort dingen. Suzi klemde de hengel tussen zijn benen en gebaarde. Lada begrijpt Suzi’s taaltje vrij goed. Eigenlijk begrijpt hij het vrij slecht, maar hij kent stomme Suzi nu eenmaal al sinds jaar en dag. ‘We hebben de tijd,’ vertaalde hij voor Johann. Die keek hem vragend aan. Lada haalde zijn schouders op, spuugde in het meer. Over de oeverweg kwam Anna aanfietsen. Halterjurkje of zoiets. Johann zwaaide spontaan, daar ben je jongen voor. Anna keek recht voor zich uit.
‘Hoe zwaai jij nou?’ Lada gaf Johann een stomp tegen zijn schouder. Over het meer tufte een rondvaartbootje. Lada floot schel. Er kwam beweging in de horde toeristen. Lada zwaaide, de toeristen zwaaiden terug. De toeristen maakten foto’s. Toen stak Lada zijn middelvinger op naar de toeristen.
‘Dat telt niet, dat zijn toeristen, die zwaaien altijd,’ zei Johann.
Lada stompte hem weer. Op Lada’s schouder laat een wolf zijn tanden zien. Op Lada’s rug staat: The Legend.
‘Wat sta je te kijken?’
‘Ik ga me ook laten tatoeëren.’
‘Hoor je dat, Suzi? Die kloothommel wil zich laten tatoeëren. Cool.’
Eén ding heeft Johann wel geleerd in de omgang met Lada: je hoofd koel houden. Focussen. Je laten provoceren: zwakte. ‘Betekent het iets?’ vroeg hij. Ook Suzi heeft een wolf, op zijn kuit.
Lada keek hem strak aan. Spuugde naast zich. ‘De wolven komen terug.’ Hij sprak zeer langzaam. ‘Duitsland weer wolvenland. Uit Polen en Rusland, duizenden kilometers leggen die af. Geweldige dieren. Jagers. Zeg eens roedel!’
‘Roedel.’
‘Vet, toch? Wat een power in dat ene woord! Suzi en ik zijn voorstander van de wolf.’ Lada greep Johann bij zijn nekvel. ‘Dat blijft onder ons, begrepen? Wij hebben wolven hierheen gehaald. Uit Lausitz. Want vroeger had je hier ook wolven. Vraag maar aan je moeder. Op de Zerveliner Heide, bij de raketlanceerbasis? Daar hebben we ze vrijgelaten.’
Cool blijven. Doorvragen. Soms lult Lada gewoon maar wat om Johann bang te maken. Suzi had zich omgedraaid, luisterde aandachtig. Johann schraapte zijn keel.
‘Hoeveel eigenlijk?’
‘Grappig. Ik dacht, die gaat natuurlijk vragen hoe. Vier. Twee jongen, twee volwassene. Luister, ouwe: ik lul niet. Je houdt je bek, ben ik duidelijk?’
‘Vanzelf.’
‘Goed.’
Suzi had beet. Korte sparteling. Een kleine karper. Suzi gooide hem weer terug.
Lada kwam overeind. ‘Mannen, we gaan, op naar Ulli. Suzi geeft een rondje.’ En zo geschiedde, want Lada is iemand die zijn woord houdt.

 

 

© Nederlandse vertaling Ambo|Anthos uitgevers en Annemarie Vlaming

Ambo|Anthos Uitgevers

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum