Leesfragment: Nachtbus naar Andalusië

27 november 2015 , door Eugen Ruge
| |

9 mei verschijnt de nieuwe roman van Eugen Ruge, Nachtbus naar Andalusië (Cabo de Gata, vertaald door Josephine Rijnaarts). Wij publiceren voor. ‘De bus trekt op voor ik kan gaan zitten. Ik wankel door het middenpad en word tussen de banken heen en weer geslingerd. Een van de passagiers die zojuist nog om me heeft gelachen, denkt me te troosten door me de werkelijke reisduur toe te fluisteren: cuarenta y cinco, vijfenveertig minuten. Ik ga zitten, kijk uit het raam en wacht op het moment dat datgene wat daar buiten voorbijtrekt “een vleugje Afrika” begint te krijgen.’

Een man laat alles achter zich: zijn stad, zijn land, zijn leven tot nu toe. Bij toeval belandt hij in Andalusië, in het vissersdorpje Cabo de Gata. De omgeving doet verlaten aan, de wind is kil: geen plaats om te blijven. Het enige levende wezen waarmee hij contact heeft, is een kat. En plotseling krijgt hij de indruk dat het dier hem iets wil zeggen.

Een indringend, subliem verteld verhaal over hoe verlangen kan leiden tot mislukking en hoe het bereiken van geluk soms vereist dat je jezelf overgeeft aan het onbekende.

Eugen Ruge (Rusland, 1954) studeerde wiskunde in Oost-Berlijn en werkte als wetenschappelijk medewerker aan de Oost-Duitse Academie van Wetenschappen; later schreef hij documentaires. In 1988 verliet hij de DDR. Sindsdien werkt hij als auteur en vertaler, vooral voor theater en radio. In tijden van afnemend licht, zijn romandebuut, werd bekroond met de Alfred- Döblin-Preis 2009, de Deutscher Buchpreis 2011 en de Aspekte-Literaturpreis 2012.

‘Een feest voor de lezer, ook al door de sublieme dialogen en de vele alledaagswaanzinnige scènes uit het leven, niet alleen in de DDR. Hopelijk heeft deze late debutant met dit boek niet alles verteld. We horen graag meer van hem.’ – NRC Handelsblad over In tijden van afnemend licht

N.B. Ook op Athenaeum.nl werd In tijden van afnemend licht lovend besproken, door Jerker Spits.

 

8

Wanneer ik nu, vijftien jaar maar ook duizend jaar later, in het vliegtuig van Minneapolis naar Tokio met mijn laptop op schoot deze zinnen zit te typen, lijkt het me onwaarschijnlijk, als iets wat ik achteraf heb bedacht, dat ik toen niet geweten zou hebben wat Andalusië was.
Ook herinner ik me nauwelijks nog wat ik voelde toen ik dat Cabo de Gata opzocht en in mijn gids zag staan dat het een plaats in het zuidoosten van Andalusië was, misschien omdat ik die pijnlijke ontdekking toen meteen heb verdrongen – de ontdekking dat Andalusië een landstreek was en echt bestond.
Een paar jaar eerder, nog in de tijd van de DDR, had ik namelijk Een Andalusische hond gezien, de beroemde film van Luis Buñuel. Aan de film zelf heb ik zo goed als geen herinneringen – als verontschuldiging kan ik aanvoeren dat de omstandigheden waarin ik hem zag zenuwslopend waren: we zaten in een half-illegale, onverwarmde clubkelder in Oost-Berlijn, de film werd in de oorspronkelijke taal vertoond met Engelse ondertiteling, voor zover die niet ontbrak; de film knapte een paar keer tijdens de voorstelling en ik weet niet eens zeker of ik hem wel helemaal heb gezien, of dat ik, murw door de vele onderbrekingen, de kou en de onbeholpen, op de heropvoeding van het publiek gerichte esthetiek, de kelder voortijdig verliet of delen van de voorstelling rokend in de bar erboven doorbracht. Wel herinner ik me de indruk die de titel van de film bij me achterliet, en vermoedelijk heb ik die titel juist omdat ik hem niet begreep zo goed onthouden, want ik bracht het woord ‘Andalusisch’ absoluut niet in verband met geografie, maar vatte het op als een soort fantasieadjectief, dat zoiets als ‘magnifiek’ of ‘betoverend’ betekende. Andalusië klonk ver en vreemd zoals de namen van alle plaatsen die onbereikbaar achter het IJzeren Gordijn lagen, maar was los daarvan, dacht ik, een plaats uit een sprookje, een verzinsel – tot ik het zag liggen op de weerkaart in die Spaanse krant, en toen ik ook nog in mijn reisgids las dat Cabo de Gata het ‘laatste romantische vissersdorp’ in Andalusië was, waar de boten, zoals het er letterlijk stond, ‘nog met de handlier’ uit het water werden getrokken, toen ik las dat je in het Nationale Park Cabo de Gata al ‘een vleugje Afrika’ voelde, wist ik dat dit de plaats was die ik had gezocht.
Ik ging met de nachtbus. Ik herinner me een afschuwelijke rit. De chauffeur moet de video vroeg of laat hebben afgezet, zodat er een eind kwam aan de terreur, maar door mijn herinnering spookt een eindeloze film, een kwelling waaraan je je niet kon onttrekken, de door de donkere ramen weerkaatste beelden bespringen me nu nog, schoten, herrie en geschreeuw dringen mijn weerloze oren, mijn brein binnen. Ik zit ineengedoken op mijn plaats en haat mijn medepassagiers omdat ze die marteling dulden of, sterker nog, schijnen te willen! Onderweg stoppen we een keer in een dorp, waarvan me alleen een ongepleisterd, kubusvormig huis in het schijnsel van een straatlantaarn is bijgebleven. Daarna rijden we door een landschap dat grijs kleurt in de ochtendschemer, boomloos, heuvelachtig, kaal, en ik herinner me dat ik halfluid tegen het raam, tegen mezelf, dat alle wetten van de waarschijnlijkheid tartende zinnetje zeg: Ik ben in Andalusië.
Vervolgens: het busstation van Almería, een armoedig, als ik me niet vergis rozekleurig betonnen gebouw. Meer zie ik niet van Almería. In de gids heb ik gelezen dat de stad niet echt een bezoek waard is. Het enige wat me hier interesseert is hoe ik verder kom. Er schijnt zowaar een busverbinding met mijn plaats van bestemming te bestaan. Ik heb nog tijd voor een sandwich en een kop koffie. Dan komt er buiten een gammele bus voorrijden, achter de voorruit een bordje: cabo de gata.
Ik vraag de chauffeur hoelang we erover doen; ik hoop dat het ver is, want wat ik tot nu toe heb gezien, is niet bepaald wat ik me bij ‘een vleugje Afrika’ voorstel. Eerst zoek ik in mijn hoofd met moeite de woorden bij elkaar. Maar de chauffeur, een dikke man in een groezelig, roodbruin, gebreid vest draait zich niet eens om, hij stoot alleen een sissend geluid uit tussen zijn niet meer voltallige voortanden. Ik herhaal mijn vraag, maar weer volgt er alleen gesis. En als ik dapper zeg dat ik hem nog steeds niet heb verstaan, maakt hij plotseling een kwartdraai, richt zich met zijn handen op het stuur geleund een stukje op, verontwaardigd blijkbaar over de inspanning die hij zich omwille van mij moet getroosten, en zegt dan luid en duidelijk, met consequente weglating van de letter ‘s’: tre ora!
Dan begint hij te lachen. En ineens blijkt hij in staat zich wel naar de drie of vier andere passagiers om te draaien om zich ervan te vergewissen dat iedereen zijn grapje heeft gehoord – maar wat houdt dat grapje in?
De bus trekt op voor ik kan gaan zitten. Ik wankel door het middenpad en word tussen de banken heen en weer geslingerd. Een van de passagiers die zojuist nog om me heeft gelachen, denkt me te troosten door me de werkelijke reisduur toe te fluisteren: cuarenta y cinco, vijfenveertig minuten. Ik ga zitten, kijk uit het raam en wacht op het moment dat datgene wat daar buiten voorbijtrekt ‘een vleugje Afrika’ begint te krijgen.
Ik herinner me vreugdeloze nieuwbouw (roze) met op de achtergrond geraamtes van fabrieken, waarvan moeilijk te zeggen valt of ze nog worden gebouwd of al aan het vervallen zijn. Ik herinner me primitieve buitenwijkhuizen met zulke lage daken dat ik er vanuit de bus bovenop kan kijken. Ik herinner me stroken gerepareerd asfalt, zwarte watertanks, antennes, een wirwar van kabels. Ik herinner me een piepklein tuinrestaurantje met stoffige, bonte lichtsnoeren. Ik herinner me nog heel goed die palmboom langs de weg, ook al onder het stof, een grauw geval dat op het harde beton een onbegrijpelijk bestaan leidt.
Dan zijn we de stad uit. De bus slingert met ingewikkelde lussen naar een bombastische kruising, die twee bijna onbereden, smalle landweggetjes midden in de steppe met elkaar verbindt, werkt zich via verwarrende bochten omhoog en rijdt uiteindelijk gewoon rechtdoor.
Ik herinner me ware vuilnishopen links en rechts van de weg. Puin, gebroken tegels, stenen, alles al onder een laagje zand en lichtjes overwoekerd. Het hele landschap lijkt een ondergewaaide, lichtjes overwoekerde vuilnisbelt. Zover ik kan kijken: scherven, oude schoenen, één keer het onderstel van een kinderwagen, en overal, opvallend, veelkleurig, de verworvenheden van de polymeerchemie, moeilijk afbreekbaar omdat ze bestand zijn tegen zuren en logen. Over honderd jaar zal die gele plastic zak aan de stekels van die agave nog steeds fladderen in de wind.
Dan ongeveer halverwege het traject langs de kant van de weg een reusachtig bord, voor de vertaling waarvan je eigenlijk geen woordenboek nodig hebt. Toch zoek ik het op, omdat ik niet kan geloven wat ik daar lees:
parque nacional cabo de gata – el ultimo paraiso de europa
Vanaf dat moment begin ik de minuten te tellen die me nog scheiden van het paradijs.

9

Een plaatsnaambord herinner ik me niet. De bus hobbelt over een stoeprand en staat stil. Ik ben de laatste passagier. De chauffeur gooit de deur open en roept iets, zonder zich om te draaien.
Dan sta ik op een plein, of liever op een scherpe driehoek tussen twee straten, die verderop uitkomen op een rotonde. De grond is hard en droog. Een bouwvallig muurtje. Een trafohuisje. Een roestig, scheef bushaltebord, de erop geplakte dienstregeling onleesbaar – het effect van zon en zeelucht.
De bus hobbelt over de stoeprand de straat weer op … en weg is hij.
Ik doe mijn rugzak om en loop in de richting die voor mijn gevoel naar zee leidt. Voor een kleine supermercado ligt een husky te slapen. Links verschijnt een kerkje, rechts een hoger gelegen plein. Een rij piepkleine appartementen van twee verdiepingen – uitgestorven.
Na ongeveer driehonderd meter stuit ik op de boulevard. Hoewel de wind met geniepige vlagen het zand opjaagt en in mijn ogen blaast, ligt de zee vermoeid te kabbelen, egaal grijs tot aan de horizon, waar zee en lucht in elkaar overgaan.
Langzaam loop ik de boulevard af. Honden cirkelen om me heen en blaffen naar me: kleine, bruinwitte mormels die er allemaal precies hetzelfde uitzien. En passant registreert mijn geest het woord ‘boulevardras’.
De huizen langs de boulevard zien er niet anders uit dan die midden in het dorp: pastelkleurige, kubusvormige gebouwen, allemaal in dat merkwaardige stadium tussen toekomstige voltooiing en beginnend verval. Slechts een van de drie restaurants aan de boulevard is open, dat wil zeggen: het hek voor de ingang is maar voor de helft dicht. De glazen deur klappert in de wind.
Ik herinner me een grote ruimte, waarvan de muren tot halve hoogte zijn betegeld (in een sierpatroon dat ik Moors zou willen noemen). Ramen zijn er alleen aan de voorkant. Naar achteren toe wordt het donkerder. Ik herinner me dat ik de oude vrouw die zich uit de donkere achtergrond losmaakt als een werkster of zo beschouw. Buenas dias, zegt de vrouw, of liever Buena dia, want ook zij spreekt de ‘s’ niet uit. Bij de chauffeur dacht ik nog dat het kwam omdat hij een paar tanden miste, maar deze vrouw heeft al haar voortanden nog – of misschien moet ik zeggen: heeft al haar voortanden weer, want haar regelmatige, witte gebit past niet echt bij de aardkleurige, gegroefde huid van haar gezicht. Ook de reusachtige bril past daar niet bij, net zomin als het kastanjebruine haar, dat in vormvaste krullen op haar hoofd rust.
Ik ga aan de bar zitten en bestel koffie. Even ruist de espressomachine, daarna wordt het weer stil en hoor je alleen het gieren van de wind en het klapperen van de buitendeur. De vrouw zwijgt, ik zwijg en drink langzaam mijn koffie op, en dat ik al die lange minuten het gevoel heb in een film te figureren, komt misschien omdat ik tijdens de hele scène mijn hoed ophoud.

[...]

 

© Eugen Ruge
Vertaling © Josephine Rijnaarts
Auteursportret © Tobias Bohm

Uitgeverij De Geus

MINDBOOKSATH : athenaeum