Leesfragment: Orfeo

27 november 2015 , door Richard Powers
| |

28 juni verschijnt Richard Powers Orfeo, vertaald door Rob van Essen. Wij publiceren voor. 'Als Els een D aanhield, ging de hond naar Es of E. Als Els naar Fidelio’s toonhoogte ging, gleed de hond een halve toon naar boven of beneden. Als een menselijk koor een akkoord aanhield, zong de hond een noot die er niet in zat. Wat voor tonen de meute ook opdiende, Fidelio vond er eentje die nog niet aan bod was gekomen. In het gejank van het dier hoorde Els de bron van muziek – de heilige gemeenschap van lichte dissonantie.'

Sinds zijn romandebuut in 1985 heeft Richard Powers zijn lezers keer op keer uitgedaagd met breed opgezette, schitterende romans waarin kunst, literatuur, muziek en natuurwetenschappen op de meest onverwachte manieren met elkaar worden verweven. Nu, in Orfeo, zijn eerste roman sinds vijf jaar, versmelt Powers muziek en microbiologie létterlijk met elkaar.

Orfeo vertelt het verhaal van de gepensioneerde avantgardecomponist Peter Els. In een hernieuwde poging muziek in de meest onverwachte patronen te vinden (een project waar hij al zijn leven lang aan werkt) heeft Els thuis een laboratorium opgericht waar hij onderzoek doet naar bacteriële dna. Maar dit is Amerika, een paar jaar na 9/11, en Homeland Security heeft hem in het vizier gekregen.

N.B. Eerder besprak Emmi Schumacher de Engelse editie voor ons. Lees haar recensie op Athenaeum.nl.

  

Orfeo

Een ouverture, en dan:
Fel licht valt naar buiten vanuit een vroegtwintigste-eeuwse American Craftsmanwoning in een rustige wijk, op een late voorjaarsavond, in het tiende jaar van de veranderde wereld. Schaduwen dansen over de gordijnen: een man is nog laat aan het werk, zoals elke avond de afgelopen winter, met achter hem planken vol glaswerk. Hij draagt vrijetijdskleding, een veiligheidsbril en latex handschoenen, en zijn Giacometti-lichaam buigt zich naar voren alsof hij bidt. De pony van zijn grijze maar nog steeds volle beatlekapsel hangt in zijn ogen.
Hij raadpleegt een boek op de met apparatuur bezaaide werkbank. In zijn ene hand: een eenkanaalspipet, uitgestoken als een dolk. Uit een klein, gekoeld medicijnflesje zuigt hij net zoveel kleurloze vloeistof op als een zweefvlieg uit een takje bergamot zou halen. Dit bolletje gaat in een buisje dat niet groter is dan het snuitje van een muis, een druppeltje dat zo klein is dat hij niet eens zeker weet of het er wel is. Zijn gehandschoende handen trillen als hij het gebruikte tipje van de pipet in de afvalbak mikt.
Vanuit de bekerglazen verdwijnen meer vloeistoffen in de poppenhuiscocktail: oligo primers om het wonder in gang te zetten, hittebestendige polymerase, nucleotiden die zich in rijen opstellen als soldaten bij het ochtendappel, duizend verbindingen per minuut. De man volgt het uitgeprinte recept als een amateurkok.
Het brouwsel wordt in de thermocycler gestopt voor vijfentwintig rondjes achtbaangeweld, heen en weer schietend tussen bijna kokend en lauw. dna valt uit elkaar en hecht zich weer aaneen, pikt vrij zwevende nucleotiden op en verdubbelt met elke cyclus, twee uur lang. Vijfentwintig verdubbelingen veranderen een paar honderd strengen in meer exemplaren dan er mensen op aarde zijn.
Buiten onderwerpen uitbottende bomen zich aan de grillen van een zwakke wind. Een zwerm onvermoeibare nachtzwaluwen scheert door de lucht op zoek naar insecten. De doe-het-zelfgeneticus haalt een bacteriekolonie uit zijn incubator en plaatst die in de laminaire luchtstroomkast. Hij schudt de afgeplatte cultuurfles en brengt de losgeschudde cellen over op een 24-wells plaat. Dit plaatje gaat onder een microscoop en wordt vierhonderd maal vergroot. De man brengt zijn oog naar de lens en ziet de echte wereld.
Bij de buren kijkt een gezin van vier personen naar de ontknoping van Dancing with the Stars. Eén huis naar het zuiden is een directiesecretaresse van een louche vastgoedfirma bezig met de voorbereidingen van de cruise naar Marokko van het komend najaar. Aan de andere kant van de dubbele rij achtertuinen liggen een marktanalist en zijn zwangere vrouw, een advocate, in bed met hun oplichtende tablets. Ze spelen Texas Hold’em via een buitenlandse goksite en taggen internetfoto’s van een bruiloft. Het huis aan de overkant is donker, de bewoners bevinden zich op een gebedsgenezingswake in West-Virginia die de hele nacht gaat duren.
Niemand heeft aandacht voor de rustige, oudere bohemien in de American Craftsmanwoning op South Linden 806. Hij is met pensioen, en mensen nemen allerlei hobby’s als ze gepensioneerd zijn. Ze bezoeken de geboortehuizen van generaals uit de Burgeroorlog. Ze leren de tenortuba bespelen. Ze nemen tai chi-les, gaan Petoskey-stenen verzamelen of fotograferen rotsformaties die op menselijke gezichten lijken.
Maar Peter Els wil slechts één ding voor hij doodgaat: zich van de tijd bevrijden en de toekomst horen. Hij heeft nooit iets anders gewild. En op een late avond in dit belachelijk mooie voorjaar lijkt deze wens niet onredelijker dan welke wens ook.


ik heb gedaan wat ze zeiden dat ik probeerde te doen. schuldig op alle punten.


Op de geluidsband: het gezoem van het verre universum. Dan zegt een heldere alt: Pimpleia County Hulpdienst. Telefonist 12. Waar bevindt u zich op dit moment?
Er klinkt een geluid als van een in een handdoek verpakte ratel. Een harde klap gaat over in gekletter: de telefoon die op de vloer valt. Na een paar seconden zegt een tenor, in het hoge register dat bij spanning hoort: Hallo?
Ja. Waar bevindt–
We hebben medische hulp nodig.
De alt zwelt aan. Wat is de aard van het probleem?
Het antwoord is een lage, onmenselijke kreet. De tenor mompelt: Rustig maar, lieverd. Het is goed.
Is er iemand ziek? vraagt de alt. Moet een ambulance komen?
Een volgende gedempte bons verandert in geruis. De stilte eindigt met een gesmoord O. Een snelle woordenstroom sterft weg, onverstaanbaar, ook na digitale filtering en versterking. De geluiden van tevergeefse geruststelling.
De telefonist zegt: Meneer? Kunt u uw adres bevestigen?
Iemand neuriet zacht een liedje, een slaapliedje van een andere planeet. Daarna wordt de verbinding verbroken.


ik heb gedaan wat ze zeiden dat ik probeerde te doen. schuldig op alle punten.


De twee agenten die in een indigo politiewagen voor South Linden 806 tot stilstand kwamen, hadden zich die avond al beziggehouden met een overdosis antidepressiva, een gebitsversplinterende schermutseling in een avondwinkel en een debat over eugenetica waarbij met handvuurwapens was geschoten. Het leven in een universiteitsstadje in Pennsylvania dat even zijn spieren aanspande, en de avond was nog jong.
Het huis was van Peter Clement Els, die als universitair docent op Verrata College had gewerkt en drie jaar geleden met pensioen was gegaan. In de politiecomputer was niets over hem te vinden; blijkbaar was de heer Els zelfs nooit door rood licht gelopen. De twee agenten – een jonge man met het loopje van een kogelstoter en een oudere vrouw die vol verbazing om zich heen keek – begaven zich over het tuinpad naar het trapje van de veranda. Esdoorntakken tikten in de voorjaarswind. Vanuit een buurhuis en een woning twee donkere tuinen verder, kwamen de geluiden van gedempte hilariteit. Hoog in de lucht gierden de motoren van een vrachtvliegtuig, op weg naar de regionale luchthaven. Vier blokken verder scheerden auto’s heen en weer over de snelweg. De veranda lag bezaaid met dingen die op het punt stonden weggegooid te worden: een houtversnipperaar, een paar stukgekauwde knoopbotten, een setje bloempotten in oplopend formaat, een fietspomp. De mannelijke agent hield de hordeur open en de vrouw klopte aan, op alles voorbereid.
Achter een halfrond raam bewoog iets, en de deur zwaaide open. In de wig van licht stond een magere, monnikachtige man. Hij droeg een randloze bril en een geruit werkhemd met een pluizige kraag. Zijn grijze kapsel zag eruit alsof een pioniersvrouw het met behulp van een omgekeerde bloempot had geknipt. Een archipel van etensresten bespikkelde zijn corduroy broek. Zijn blik was mijlenver weg.
De ruimte achter hem werd beheerst door milde chaos. Stoelen in Mission-stijl werden omringd door boekenkasten. Elk stuk oppervlak werd bedekt door boeken, cd-doosjes en kaarsen die met stalagmieten waren bekleed. Een hoek van het versleten Perzische tapijt was omgeslagen. Etensborden stonden opgestapeld op een met tijdschriften overdekte salontafel.
De vrouwelijke agent liet haar blik over het tafereel glijden. Peter Els? U heeft de hulpdienst gebeld?
Els sloot zijn ogen, en deed ze bijna meteen weer open. Mijn hond is zojuist gestorven.
Uw hond?
Fidelio.
U belde 911 voor uw hond?
Prachtige golden retriever. Veertien jaar. Ze kreeg opeens een bloeding.
Uw hond was ziek, zei de agente, met een stem die doorboog onder het gewicht van het menselijk tekort, en u belde geen dierenarts?
De schuldige partij sloeg zijn ogen neer. Sorry. Een beroerte, denk ik. Ze sleepte zich jankend over de vloer. Ze beet me toen ik probeerde haar te verplaatsen. Ik dacht, als iemand kan helpen door haar vast te houden...
Achter een hekje, in een gang die van de woonkamer wegvoerde, bedekte een groene sprei een bult die zo groot was als een ineengedoken kind. De mannelijke agent wees ernaar. Peter Els keek om. Toen hij zich weer omdraaide, was zijn gezicht een anagram van verwarring.
Ze moet gedacht hebben dat ik haar strafte. Hij hield de deur half open en bestudeerde het plafond. Het spijt me dat ik jullie heb lastiggevallen. Het voelde als een noodgeval.
De agent knikte in de richting van de bult. Mogen we even kijken?
Els verstrakte. Waarnaar? Ze is dood. Na een onhandige pauze deed hij een stap opzij.
In Els’ woonkamer leken de uniformen meedogenlozer, en vielen de wapens meer op. De met boeken en cd’s volgepropte planken, die drie muren van plafond tot vloer bedekten, werkten de mannelijke agent op de zenuwen. Hij stapte over het hekje, liep door de gang naar de afgedekte bult op de vloer en sloeg de sprei terug.
Ze vertrouwde me, die hond, zei Els.
Retrievers zijn goeie honden, zei de vrouw.
Die hond hield van iedereen. Het verbaast me dat ze het veertien jaar heeft volgehouden.
De mannelijke agent sloeg de sprei weer over het lijk. Hij liep terug door de gang en stapte weer over het hekje. Hij liet zijn hand over zijn riem glijden: wapenstok. handboeien, portofoon, sleutels, pepperspray, zaklamp, pistool. Op zijn koperen naamplaatje stond mark powell. U moet contact opnemen met de dierenhulpdienst.
Ik was van plan om... Els wees met zijn duim naar achteren. ... haar een fatsoenlijke begrafenis te geven. Het was een van haar favoriete plekken, daarachter.
U moet de dierenhulpdienst bellen, meneer. Vanwege de volksgezondheid. We kunnen u het nummer geven.
Ach! Peter Els trok zijn wenkbrauwen op en knikte, alsof hem opeens van alles duidelijk werd. De vrouw gaf hem een telefoonnummer. Ze benadrukte dat hij wettelijk verplicht was om te bellen en dat het verder allemaal vanzelf zou gaan.
Agent Powell liet zijn blik over de planken met cd’s glijden: duizenden schijfjes, de allernieuwste overbodige technologie. Tegen een van de muren stond een groot houten raamwerk dat deed denken aan een vrijstaande kapstok. In het raamwerk hing een aantal doorgezaagde watercoolerflessen aan bungeetouwen.
Power voelde aan zijn riem. Krijg nou wat!
Cloud chamber bowls, zei Els.
Cloud chamber wat?
Zo heet het nu eenmaal, zei Els. Je kunt erop spelen.
U bent muzikant?
Ik gaf er les in. Compositie.
U schreef liedjes?
Peter Els legde zijn handen om zijn ellebogen en boog zijn hoofd. Het is ingewikkeld.
Hoe bedoelt u, ‘ingewikkeld’? Techno-folk? Psychobilly-ska?
Ik schrijf niet veel meer.
Agent Powell keek op. Waarom niet?
Er is zoveel muziek op de wereld.
De portofoon aan de riem van de agent kraakte en een vrouwenstem gaf abstracte instructies door.
Daar zegt u wat. Er is zoveel van alles.
De agenten draaiden zich weer om naar de voordeur. Voorbij de eetkamer stond de deur van de studeerkamer open. De planken van de kamer stonden vol bekerglazen, buisjes en potten met bedrukte etiketten. Een kleine koelkast stond naast een lang werkblad, waarop een met een computer verbonden microscoop stond. Met zijn zwarte oculair en het zilveren objectief deed het witmetalen apparaat denken aan een miniatuur stormtrooper uit Star Wars. Op een werkbank langs de muur ertegenover stond nog meer apparatuur, met opgloeiende lcd-displays.
Wauw, zei agent Powell.
Mijn lab, zei Els.
Ik dacht dat u liedjes schreef.
Het is een hobby. Ik word er rustig van.
De vrouw, agent Estes, fronste. Waar dienen al die petrischaaltjes voor?
Peter Els bewoog zijn vingers heen en weer. Om bacteriën te huisvesten. Net als wij.
Mogen we misschien even...
Els deed een stap achteruit en staarde naar de badge van zijn ondervraagster. Het is al laat.
De agenten wisselden even een blik. Agent Powell maakte aanstalten om nog iets te zeggen, maar sloot zijn mond weer.
Oké, zei agent Estes. Het spijt ons van uw hond.
Peter Els schudde zijn hoofd. Die hond kon uren zitten luisteren. Ze hield van alle soorten muziek. Ze zong zelfs mee.
Toen de politie het huis verliet, was de wind gaan liggen en hadden de insecten hun mysterieuze verkenningen onderbroken. De agenten liepen het trottoir af en een halve maat lang was er sprake van een sereniteit die aan vrede grensde. De donkere kalmte duurde de hele weg naar de auto, waar de twee onmiddellijk begonnen te bellen.


waar was ik met mijn hoofd? nou, nergens. ik heb me altijd schuldig gemaakt aan te veel denkwerk. dit was actie, pure onversneden actie.


Vanaf het moment dat Els de naam voor het eerst had gebruikt, reageerde de hond alleen op Fidelio. Muziek bracht haar in extase. Ze hield van lang aangehouden intervallen, met name grote of kleine secunden. Wanneer een mens een toon langer dan een hartslag aanhield, kon ze niet anders dan meedoen.
Er zat structuur in Fidelio’s geneurie. Als Els een d aanhield, ging de hond naar es of e. Als Els naar Fidelio’s toonhoogte ging, gleed de hond een halve toon naar boven of beneden. Als een menselijk koor een akkoord aanhield, zong de hond een noot die er niet in zat. Wat voor tonen de meute ook opdiende, Fidelio vond er eentje die nog niet aan bod was gekomen.
In het gejank van het dier hoorde Els de bron van muziek – de heilige gemeenschap van lichte dissonantie.
In de paar degelijke artikelen over de muzikaliteit van honden die Els had kunnen vinden, las hij dat ze slechts een derde van een octaaf beheersten. Maar Fidelio slaagde er altijd in om elke toon die Els zong tot op één secunde te benaderen. Uit onderzoek naar de effecten van muziekgenres op de stemming van honden bleek dat heavy metal ze opwond en Vivaldi ze kalmeerde. Geen grote verrassing: in een van de weinige interviews die hem waren afgenomen, had Els verklaard dat De vier seizoenen van eenzelfde waarschuwingslabel zou moeten worden voorzien als sterk kalmerende middelen. Dit was jaren voor de opkomst van de kalmeer-uw-huisdier-rage: Muziek waar honden dol op zijn, deel 1, Stel uw huisdier gerust, Liedjes om af te spelen wanneer u niet thuis bent.
Op eenentwintigjarige leeftijd had Els gedweept met Wagner, en dus wist hij alles over Peps, Wagners spaniël en muze, en medeauteur van Tannhäuser. Als Wagner aan het werk was, lag Peps onder de piano aan zijn voeten. Als een passage Peps niet aanstond, sprong de hond op de schrijftafel en jankte tot Wagner het idee verwierp. Er waren jaren waarin Els zo’n uitgesproken criticus goed had kunnen gebruiken, en Fidelio zou hem het genoegen waarschijnlijk graag hebben gedaan. Maar toen Fidelio in zijn leven was gekomen, componeerde Els niet meer.
Net als Peps was Fidelio goed voor de gezondheid van haar baas. Ze wees Els erop wanneer er gegeten of gewandeld moest worden. En het enige wat ze ervoor terug wilde, was het lidmaatschap van de tweehondenroedel, loyaal aan haar alfa en met vergunning te janken wanneer er muziek klonk.
Els las over andere muzikale honden. Zo had je de buldog Dan, onsterfelijk gemaakt in de elfde van Elgars Enigma Variations, die gromde naar zangers die vals zongen. De bulterriër Bud had in het Witte Huis een Stephen Foster-medley opgevoerd voor Eleanor en Franklin D., vijf jaar voor Peters geboorte. Dertig jaar later, toen Els in Urbana, Illinois, in een John Cage-happening ronddoolde, voerden Lyndon Johnson en zijn bastaardje Yuki ten overstaan van een verbijsterd land een duet op voor de camera. In de drie korte decennia tussen Bud en Yuki hadden tweedekkers plaatsgemaakt voor ruimteraketten en seinlampen voor het arpa-netwerk. Muziek was van Copland opgeschoven naar Crumb, van ‘A Fine Romance’ naar ‘Heroin’. Maar er was helemaal niets veranderd in de muziek van honden.
Zingen verveelde Fidelio nooit. De onstilbare honger naar vernieuwing was niets voor haar. Grijsgedraaide stukken bleven haar boeien, al herkende ze nooit iets wat Els voor haar speelde, hoe vaak ze het ook had gehoord. Een altijddurende, voortgaande dans in een eeuwig stilstaand heden: dat is hoe ze elk stuk dat ze samen beluisterden in zich opnam, avond na avond, jarenlang. Fidelio hield van alle grote mijlpalen van de twintigste eeuw, maar ze sprong net zo vrolijk op wanneer ze op een zomeravond een paar straten verder het digitale geklingel van de wagen van de ijscoman hoorde. Ze bezat een connaisseurschap dat Els onmiddellijk voor het zijne zou hebben ingeruild.


ik had geen idee wat er zou kunnen gebeuren. dat is het probleem als je iets maakt. je hebt nooit een idee.


Bestond tonaliteit gewoon, als een door God geschonken iets? Of waren die magische verhoudingen, net als alles wat door de mens was gemaakt, tijdelijke regels die moesten worden gebroken op weg naar een genadelozer vrijheid? Fidelio werd Els’ proefdier, zijn experiment op het gebied van muzikale principes. De hond werd al opgewonden wanneer Els de versleten klarinetkoffer uit zijn jeugd pakte. Weer tijd voor een duet: ze begon al te janken nog voor Els een noot had gespeeld. Het eerste wat moest worden gecontroleerd was octaafequivalentie. Els hield een toon aan, en de hond antwoordde met een droevig interval. Maar als de klarinet een octaaf versprong, bleef de hond zijn toon vasthouden, alsof de toonhoogte helemaal niet was veranderd.
Het experiment overtuigde Els ervan dat zijn hond octaven op vrijwel dezelfde manier hoorde als mensen. Octaven waren in het lichaam ingebouwd, een waarheid die zich niet alleen uitstrekte over verschillende culturen, maar ook over verschillende genomen. Hoe je onderweg de stappen ook verdeelde, als je van do naar do ging, hoorden zelfs andere diersoorten hoe de toon weer bij zichzelf terugkeerde, als een kleurencirkel.
Alleen een krankzinnige zou het iets uitmaken. Maar Fidelio’s reacties brachten Els in vervoering. Ze voerden hem terug naar al die jaren in de woestijn, toen hij het menselijk gehoor naar plaatsen dwong waar het niet vrijwillig naartoe wilde, toen hij de muzikale wiskunde doorzocht op een binnenweg naar het sublieme. Fidelio, dat gelukkige schepsel dat meejankte met de bevliegingen van Els’ klarinet, verwees naar iets in de muziek buiten het domein van de smaak, ingebouwd in het geëvolueerde brein.
Els had het tot zijn levenstaak gemaakt om dat grotere iets te vinden. Onder het uitgeputte oppervlak van de muziek lag iets schitterends en blijvends. Ergens achter de bekende notenbalken lagen constellaties van noten, sequensen van tonen die de geest naar zijn bestemming konden voeren.
Hij geloofde nog steeds dat het bestond. Maar nu zijn hond dood was en hijzelf op de wachtlijst stond, geloofde hij niet meer dat hij het tijdens zijn leven zou vinden.

[...]

 

© 2014 Richard Powers
© 2014 Nederlandse vertaling Rob van Essen

Uitgeverij Atlas Contact

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum