Leesfragment: Romeinse één

27 november 2015 , door Szilárd Rubin
|

Deze week verscheen Szilárd Rubins roman Romeinse één (Római Egyes, uit het Hongaars vertaald door Frans van Nes). Wij brengen een fragment. ‘Ik haalde me voor de geest hoe Czakó met goedaardig medelijden had gelachen toen Ali de draak met me stak, en ineens zag ik zijn gezicht voor me, met de diepe, door kraaien uitgepikte oogkassen, een gezicht dat mooi had kunnen zijn en zelfs in de dood nog had kunnen triomferen, terwijl het in werkelijkheid juist onbehagen opriep. Dat gezicht ging samen met een volmaakt lichaam.’

In een kuuroord in Hongarije probeert Levente Rostás niet alleen verlichting te vinden voor zijn gewrichtspijn, maar ook de balans op te maken van zijn liefde voor Piroska. Hij heeft een turbulente periode achter de rug; eigenlijk moet hij erkennen dat zijn leven als schrijver mislukt is en dat zijn relatie met Piroska voorbij is.

Maar die erkenning valt hem niet gemakkelijk. Als hij op een nacht wakker wordt en niet meer kan slapen, sluipt hij naar de oude familiebadkamer met de Romeinse één. Terwijl het water begint te stromen, komen de demonen uit het verleden langs en nemen de herinneringen aan een traumatische jeugd weer bezit van hem.

Romeinse één is een sublieme en ontroerende roman over liefde, dromen, verwachtingen en teleurstellingen geschreven in een sprankelende taal. Het boek kwam voor het eerst uit in de jaren ’80 maar kreeg net als Een korte geschiedenis van de eeuwige liefde pas in 2010 erkenning, te laat voor de auteur, die in dat jaar overleed.

 

 

1

 

* * *

 

In mijn ziekenhuisbed schoot me om vijf uur ’s morgens de contactadvertentie te binnen die Ali Baksay voor me had gecomponeerd.

Zenuwzieke vrijgezel met schamel inkomen, jaartje ouder, langs vaderskant van Galicisch-joodse komaf, lijdend aan ernstige wervelverkalking en een ongeneeslijke huidziekte, beoogt huwelijk met uitzonderlijk goed verdienend, jongensachtig meisje, nimfachtig type, uit een oude officiersfamilie. Brieven onder motto: ‘Voor mijn part naar het platteland.’

Hij had me de tekst door de telefoon voorgelezen, op een zaterdagmiddag. Het was halfdrie. ‘Goed hè?’
‘Ach…’
‘Klopt precies, toch?’
‘Tja…’
‘Hoe gaat het trouwens?’
‘Ik lig in bed met een thriller.’
‘Een goeie?’
‘Nee, een slechte.’
‘Ga je er nog op uit?’
‘Waar zou ik heen moeten gaan?’
‘Goeie vraag… Nou, jongen, tot horens maar weer.’
Het geruis van de open lijn was allang opgehouden en opgevolgd door de ingesprektoon, maar ik hing niet op.
Voordat de centrale de verbinding had verbroken, had ik op de achtergrond Miki Czakó zacht horen lachen, beslist niet spottend, maar eerder vol medelijden.
Als ik Czakó nu eens terugbel… Dan kan ik hem zeggen dat ik een mooi onderwerp voor hem heb…
Jaren geleden, toen hem aan mijn vriendschap nog veel gelegen was geweest, voordat ik hem een streek leverde door het verhaal waarvoor hij het draaiboek al klaar had liggen aan een gearriveerde regisseur toe te spelen, had hij me dikwijls gevraagd om een film voor hem te schrijven. Hij wilde erg graag aan de bak. Hij kreeg alleen de kans niet: iedereen beschouwde hem als een amateur. Ik ook. Ik had lak aan hem. Ik ging tenminste nog door voor een dark horse, een paard waarop je gerust nog een gokje kon wagen, al voelde ik in die onpeilbare hoedanigheid inmiddels al een stuk of vijf verlopen roman-, film- of hoorspelcontracten op mijn geweten drukken.
In die tijd, eind jaren vijftig, woonde Czakó als onderhuurder boven café Emke. Wie zijn kamer wilde bereiken, moest zich een weg banen langs een heel aantal soortgelijke onderkomens, waartussenin nog net ruimte was voor een badcel, een voorraadkamer of een wc. Op de grond lag een matras met een schapendeken en daarop stond een mooie schaal van korond-aardewerk, waarop sinaasappels lagen. Hij had ook een klemlampje om bij te lezen, maar meestal brandde er een kaars. Twintig seconden zaten we in het halfdonker, maar dan werd de wand beschenen door de lichtreclame op de toren van het huurpaleis aan de overkant van de Grote Ring. In de wand zaten spijkers, waaraan Czakó zijn kleding had hangen. Hij had niet veel spijkers nodig, maar elke keer als de reclame oplichtte, deden zijn versleten spullen, de uitharende bontmuts en het al dikwijls verstelde jasje in het onwerkelijke schijnsel ineens aan museumstukken in een vitrine denken. Ik zat op de schapendeken naast de vroegere adjudant van de laatste Hongaarse stadscommandant van Kolozsvár. Hij had een Transsylvaans verleden achter zich en de sinaasappels voor zich, als voorbodes van zijn latere roem. Tegen de tijd dat zijn wereldroem alleen nog met bartokiaanse maatstaven kon worden gemeten, zou hij zich in Italië het meest thuis voelen.
Ik haalde me voor de geest hoe Czakó met goedaardig medelijden had gelachen toen Ali de draak met me stak, en ineens zag ik zijn gezicht voor me, met de diepe, door kraaien uitgepikte oogkassen, een gezicht dat mooi had kunnen zijn en zelfs in de dood nog had kunnen triomferen, terwijl het in werkelijkheid juist onbehagen opriep. Dat gezicht ging samen met een volmaakt lichaam: op hete zomerdagen, als hij buiten op de poesta in zijn zwembroek stond te filmen, kon je goed zien hoe indrukwekkend het was, dan leek het net alsof hij het volgende ogenblik geen afgedragen trui, maar een huzarentenue met gouden knopen aan zou trekken. Maar dan waren er altijd nog die ogen, helaas, moet ik haast zeggen, want een beetje beeldhouwer zou dadelijk hebben gezien dat God dit gezicht had geschapen om de ogen eruit te laten steken, schieten of hakken, zodat zijn portret ons met lege oogkassen zou aanstaren, als het gezicht van een blinde held. In plaats daarvan ontpopte hij zich als een filmregisseur die zo doordringend keek dat ik drie hoog achter op het schapenkleed, toen hij nog niets fatsoenlijks gepresteerd had, zijn blik al moeilijk kon verdragen, hoezeer hij die ook probeerde te verbergen, want dat deed hij, in de wetenschap dat het leven heel andere obstakels kent dan de kunst; hij wist maar al te goed dat het lot hem ogen had toebedeeld die ongeschikt waren voor privégebruik.
De herinnering aan deze onbehaaglijke blik speelde uiteindelijk iets klaar wat mijn zelfrespect nooit had kunnen opbrengen: dat ik de hoorn op de haak legde.
Ik nam de thriller weer ter hand om er de zaterdag mee te doden.
‘“Hij is vergiftigd,” luidde het oordeel van de forensisch specialist, “met een gif waar je gemakkelijk aan kunt komen.”
De inspecteur knikte.
“Een medicijn?”
“Welnee, iets veel simpelers! Kijkt u eens door het raam. Wat ziet u daar staan?”
“Een goudenregen.”’
Buiten kwam de sneeuw, die tijdens Ali’s telefoontje al was gaan vallen, inmiddels in dikke vlokken naar beneden, ook al was het al maart. Bij zulk weer pakten er maar weinig mensen de auto voor een ritje naar Boedapest. En wie zou mij nou komen bezoeken?
Maar om drie uur ging de telefoon opnieuw.
‘Met Piroska Benkõ,’ zei een jonge stem kristalhelder, maar op een eigenaardige manier. Alsof er een jonge wolf uit het bos tevoorschijn kwam met het belletje van het afgedwaalde lammetje om zijn nek.
Nu, precies een jaar na onze eerste ontmoeting, wierp ik een blik op de foto boven mijn bed.
‘Haal me hier vandaan!’ zeiden de priemende, zwarte ogen, de kleine, spitse neus en het scherpe kinnetje boos.
Al twee weken bewoonde ik in mijn eentje een krappe cel op de bovenverdieping van het oude gebouw van de kuurkliniek in Hárkány. Ik werd elke dag om vijf uur wakker en Piroska keek me telkens boos aan.
Ik kwam overeind om een blik in de nawinternacht te kunnen werpen.
Het was nog donker en door het minuscule raampje kon ik langs het zwarte, met plekken sneeuw bedekte wandelpad de lantaarns zien branden. Op dit tijdstip ben ik geboren, tegen de tijd dat de rij lantaarns is uitgedoofd, ben ik al over de 44.
Piroska is nog geen 27…
Ik haalde het telegram uit mijn nachtkastje. Het was donker, maar ook bij licht zou ik niet meer hebben gezien dan 22 woorden, en die kende ik inmiddels vanbuiten.
‘betrokkene belde vanmorgen zal je schrijven voor je verjaardag of komt langs bega geen stommiteiten hou je gedeisd zaak komt mogelijk goed – ali’
Direct bij mijn aankomst in Hárkány had de portier me het bericht, dat hem vanuit het postkantoor telefonisch was gedicteerd, overhandigd. Maar als hij nu eens een fout had gemaakt… Voor de hoofdingang had de enige plaatselijke taxi gestaan, ik vloog naar binnen en sprong er twee minuten later bij het postkantoor weer uit.

[...]

 

© erven Szilárd Rubin, 1985, 2010
© Nederlandse vertaling 2014, Frans van Nes | Uitgeverij Van Gennep

Uitgeverij Van Gennep

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum