Leesfragment: Taipei

27 november 2015 , door Tao Lin
|

Deze week verscheen Tao Lins Taipei (in de vertaling van Edzard Krol). Op Athenaeum.nl een fragment. 'Op een avond, maanden geleden, waren ze in Lafayette Street op een stoeprand gaan zitten, om in een ontspannen houding een woordenwisseling voort te zetten. Paul was afgeleid geraakt door het kalme, intelligente optreden van Michelle, en was vergeten waarover ze het oneens waren, ook al bleef hij opgewonden praten, terwijl hij zich er, met steeds meer waardering, over verbaasde dat Michelle genoeg van hem hield om er niet gewoon vandoor te gaan en hem nooit meer te zien, wat ze kon doen.'

Tao Lin is een fenomeen. De Amerikaanse critici waren wekenlang in de ban van zijn grensverleggende autobiografische roman Taipei. Tao Lin vertelt hierin het verhaal van de jonge schrijver Paul, die op zoek is naar houvast in een wereld die steeds minder zekerheden biedt. Paul woont in Brooklyn en brengt zijn tijd grotendeels door met het checken van Facebook, Twitter, Tumblr en Gmail. Hij doorbreekt de sleur door zich met volle overgave te storten op drugs, feesten en reizen naar Taiwan, waar zijn ouders wonen. Kort nadat hij via internet zijn vriendin Erin ontmoet, trouwt hij gedrogeerd met haar in Las Vegas. Het feesten gaat onverminderd door, net als zijn zoektocht naar redenen voor zijn bestaan.
De koortsachtige, zinderende manier waarop Tao Lin weet in te zoomen op de verveling en doelloosheid in het leven van zijn personages, maakt hem tot een nieuwe, radicale loot aan de stam van de contemporaine literatuur. Taipei is een geraffineerde roman over jongeren die opgroeien in een tijd die wordt gedomineerd door synthetische drugs, vage relaties en smartphones.

1

Uit een nevelige, wolkenloos aandoende lucht begon het wat te regenen, terwijl Paul, 26, en Michelle, 21, naar Chelsea liepen om in een kunstgalerie een feestje bij te wonen ter gelegenheid van de lancering van een tijdschrift. Paul sprak niet meer en had meer het gevoel dat hij ‘door de ruimte zweefde’ dan dat hij ‘over het trottoir liep’. Met een uitdrukkingsloos gezicht staarde hij voor zich uit en deed een halfslachtige poging zich te herinneren waar hij een jaar geleden was, afgelopen november, meer om iets te doen te hebben dan omdat hij het wilde weten, al was hij niet ongeïnteresseerd. Nu en dan, vanuit zijn ooghoeken, als een trage, vormloze beweging, zag hij Michelle – die zo ver bij hem vandaan liep dat voetgangers zonder zich ervan bewust te zijn tussen hen door konden lopen. Paul dacht aan het woord ‘ergens’, zowel om het mediteren als om het doel op zich, tot Michelle hem vroeg of het goed met hem ging.
‘Ja,’ zei Paul automatisch. Op het moment dat ze even later een gebouw binnenliepen, wierp hij Michelle een wat steelse blik toe, en zag tot zijn verbazing dat ze grijnsde, waarna hijzelf ook moest grijnzen. Soms, tijdens een ruzie, als het net was alsof hij in een film speelde en de scène was afgelopen, begon Paul plotseling te grijnzen, waardoor Michelle grijnsde, en ze er weer van konden genieten om dingen samen te doen, één tot veertig uur lang, maar dat was ditmaal niet gebeurd, onder meer omdat Michelle als eerste had gegrijnsd. Lichtelijk verward wendde Paul zijn hoofd af en onderdrukte zijn grijns. ‘Wat is er,’ zei hij, onbedoeld luid, monotoon, eigenlijk zonder goed te weten wat hij voelde, en ze stapten een grote, alledaagse lift in, waarvan de deur langzaam sloot.
‘Wat is er,’ zei Paul op normale geluidssterkte.
‘Niets,’ zei Michelle, nog altijd met een grijns.
‘Waarom grijns je?’
‘Nergens om,’ zei Michelle.
‘Was er iets waardoor je moest grijnzen?’
‘Niets. Gewoon het leven. De hele toestand.’

Toen ze bij het feest naar binnen liepen, op de vierde verdieping, werd Paul zich ervan bewust dat hij, eens, op internet, enkele vaag negatieve uitlatingen had gedaan over iemand die misschien ook aanwezig was, dus stapte hij vlug op Jeremy af – een goed benaderbare kennis – en vroeg hem wat voor films hij de laatste tijd had gezien. Michelle stond vlakbij – de ene keer half in beeld, de andere keer niet, vervolgens volledig – waarna ze dichterbij kwam, met wat op een ironische glimlach leek, om te vragen of Paul iets wilde drinken. Op het moment dat Michelle met bier terugkeerde, was Jeremy hardop de uurprijs aan het berekenen van een tweedelige filmbiografie over Che Guevara. Paul bedankte haar, en stukje bij beetje, gebogen, als een krab, dwaalde ze steeds verder bij hem vandaan, ontspannen en gedesoriënteerd, leek het. Ze wil alleen zijn, dacht Paul wat beduusd. Of ze wil dat ik alleen ben.
Een uur later hadden ze hun derde of vierde drankje in de hand, zaten in een donkere hoek op een stoel en keken uit op wat volgens Paul een groep van zestig tot tachtig vrienden was. Uit onzichtbare luidsprekers kwam luide, dansbare, voornamelijk elektronische muziek – momenteel Michael Jackson. Paul staarde naar een gebied met torso’s. In zijn vorige relaties, wist hij, was hij ontevredenheid in zekere mate als enthousiasme voor de toekomst gaan opvatten, omdat die de mogelijkheid impliceerde van een meer bevredigende relatie met iemand die hij nog niet had ontmoet; bij Michelle, met wie hij een hechtere band had dan met eerdere vriendinnen – wat hij haar een paar keer had verteld, naar waarheid – gaf de ontevredenheid hem meer het gevoel dat hij persoonlijk faalde, wees die er overduidelijk op dat hij innerlijk niet goed functioneerde, waaraan hij zelf iets zou moeten veranderen. In plaats daarvan, wist hij vaag, rekende hij er eigenlijk op dat Michelle, of een soort combinatie van Michelle en de wereld, zijn negativiteit doorstond en de baas werd – om de oplossing te vormen waarin hij onherroepelijk, onvindbaar zou verdwijnen. Hij nipte aan zijn wijn, en dacht aan de tien tot veertig Xanax-pillen die Michael Jackson per avond had geslikt, volgens internet, voordat hij afgelopen zomer overleed. Afwezig schoof Paul zijn stoel in de richting van Michelle en raakte haar schouder aan, zonder precies te weten waarom, aarzelend en roekeloos als een kind dat een grote hond aanraakt die ergens anders naar kijkt. In de verwachting de verveelde uitdrukking van tien minuten geleden te zien, toen ze elkaar nietszeggend hadden aangekeken op het moment dat ze met een volgend drankje naar haar stoel was teruggekeerd, verbaasde Paul zich over de hevig, onmiskenbaar – bijna witheet – gedeprimeerde blik van Michelle. Haar gezicht kleurde afwijzend rood, als een afweerreactie, leek het, omdat ze er dan weer gefrustreerd en wat verward uitzag, dan weer terughoudend en uit het veld geslagen. Paul vroeg of ze snel wilde vertrekken. Michelle aarzelde, waarna ze vroeg of Paul dat wilde.
‘Ik weet het niet. Heb je honger?’
‘Niet echt. Jij?’
‘Ik weet het niet,’ zei Paul. ‘Ik zou wel ergens willen eten.’
Op een avond, maanden geleden, waren ze in Lafayette Street op een stoeprand gaan zitten, om in een ontspannen houding een woordenwisseling voort te zetten. Paul was afgeleid geraakt door het kalme, intelligente optreden van Michelle, en was vergeten waarover ze het oneens waren, ook al bleef hij opgewonden praten, terwijl hij zich er, met steeds meer waardering, over verbaasde dat Michelle genoeg van hem hield om er niet gewoon vandoor te gaan en hem nooit meer te zien, wat ze kon doen – wat iedereen altijd kon doen, had Paul gedacht, en plotseling werd hij gefascineerd door het concept dankbaarheid. ‘Wil je in The Green Table eten?’
‘Als jij dat wilt,’ zei Michelle.
‘Oké. Wanneer wil je gaan?’
‘Als ik dit glas wijn opheb.’
‘Oké,’ zei Paul, en hij schoof zijn stoel tot halverwege de plek waar die had gestaan. ‘Ik wil Kyle nog even aan iemand voorstellen. Over vijf minuten ben ik weer terug.’

Paul kon Kyle, 19, of de vriendin van Kyle, Gabby, 28 – zijn huisgenoten in een appartement in de buurt van het metrostation van lijn L Graham Avenue in Brooklyn – niet vinden en liep terug naar Michelle, totdat hij zich realiseerde dat hij langs Kyle liep, die eenzaam en aangeschoten tussen een dicht op elkaar staande groep mensen stond, alsof hij bij een concert was. Na een lichte aarzeling, even bewegingloos, draaide Paul zich om en vroeg of Kyle Traci wilde ontmoeten. Kyle knikte en liep achter Paul aan de galerie uit, een grote hal in, waar zes mensen elkaar de hand schudden, onder wie Traci – over wie Kyle eerder had gezegd dat hij haar ‘ontzettend lekker’ vond en Paul dat ‘haar blog veel hits krijgt’. Paul grijnsde verlegen toen hij iemand aanstaarde, en daarna iemand anders, totdat tot hem doordrong dat hij ‘absoluut niets’ te melden had, behalve misschien wat hij op dat moment dacht, wat hem niet gepast leek en bovendien telkens veranderde. Hij zag dat Michelle alleen zat, tegen een muur, een meter of tien bij hem vandaan. Toen hij op haar afliep, voelde hij iets geks op zijn voorhoofd, alsof er een plastic zak tegenaan plakte, die daar door de wind bleef zitten, was zich ervan bewust dat ze hem waarschijnlijk naar Traci had zien grijnzen, en vroeg haar of ze nu weg wilde.
‘Wil jij dat?’ zei Michelle, zonder op te staan.
‘Ja,’ zei Paul met een blik richting de galerie.
‘Je kunt nog wel wat met Kyle praten, als je wilt.’
‘Dat hoeft niet,’ zei Paul.
‘Zo te zien wel.’
‘Nee,’ zei Paul, die heel goed besefte dat hij vrienden vooral als een middel zag om een vriendin te krijgen, anders dan Michelle, die ze als doel op zich beschouwde (ze hadden het er een paar keer over gehad en waren zo ongeveer tot de conclusie gekomen dat Paul zijn schrijven had, Michelle haar vrienden). ‘Ik zeg hem alleen nog even gedag. Ik ben zo terug.’ Omdat hij Kyle niet in de hal trof, liep hij mechanisch de duistere, propvolle galerie in en hoorde ‘Lost in the World’ in zijn hoofd, op een onbesten- dige, bijna ernstige toon. Kyle stond zodanig afzijdig van een groep mensen dat niet helemaal duidelijk was of hij ze kende of niet. Hij keek Paul aan alsof hij zich afvroeg wat hij hem zou zeggen, daarna alsof hij Paul zou gaan beledigen, vervolgens niet zozeer alsof hij ervoor had gekozen om daarvan af te zien maar alsof het hem niet meer interesseerde.
‘Volgens mij vindt Michelle dat ik haar te weinig aandacht geef,’ zei Paul traag.
‘Grappig,’ zei Kyle na een paar seconden. ‘Omdat Gabby na een van onze feestjes zei dat je zoveel aandacht aan Michelle schonk en altijd bij haar stond om met haar te praten, terwijl ik altijd met iemand anders praat, en dat ik niet van haar hou.’
‘Wat zei je?’
‘Dat ik van haar hou en aandacht aan haar schenk,’ zei Kyle verveeld, vol zelfverwijt.

In de hal kon Paul Michelle niet vinden, waarna hij een hoek om sloeg en haar in een net niet witte gang, twintig, vijfentwintig meter verderop, gehurkt op de vloer zag zitten, als een zelden waargenomen dier, afwijkend en kwetsbaar, en blijkbaar zonder iets te doen. Paul, die bedeesd naar haar toe liep, herinnerde zich vaag dat hij op een avond kort nadat ze wat met elkaar hadden gekregen, op een of andere manier niet had verwacht dat het beeld van haar dat hij voor zich zag, zoals ze daar in Think Coffee stond (met haar blik omlaag gericht naar een folder, een van haar benen licht gebogen), groter zou worden terwijl hij haar naderde. De komische, verbijsterende angst – even geruststellend als verrassend, even amusant als voorspellend – die hij had gevoeld toen ze min of meer dreigend groter werd, was typerend geweest voor hun eerste twee maanden samen. Het had geleken alsof ze nooit ruzie zouden krijgen, en de leegte van de toekomst begon een kaderachtig iets over zich te krijgen wat heimelijk opwindend aanvoelde, alsof hij als een klein kind in de woning van een ander gezin belandde, of in de eerste verwikkelingen van een bizarre sciencefictionfilm verzeild raakte. Totdat Paul op een avond, eind april, na samen pasta bereid en gegeten te hebben, zich erover had beklaagd – goedig, zonder haar aan te kijken – dat Michelle nooit afwaste. Michelle staarde hem een paar seconden zwijgend aan, waarna er plotseling tranen in haar ogen opwelden, terwijl de bijbehorende, doorzichtige laag iets teers leek af te stoten. Paul staarde terug, merkwaardig gebiologeerd – hij had haar nog nooit zien huilen – om vervolgens over de houten vloer te kruipen, over de yogamat, duizelend van emoties, haar te omhelzen en zich te verontschuldigen. In mei klaagde hij een-, tweemaal per week (dat Michelle soms onverschillig deed, dat hij zich verwaarloosd voelde) en tegen juli was hij, bijna dagelijks, ofwel zichtbaar geïrriteerd, ofwel zwijgend en ondoorgrondelijk zwaarmoedig – alsof alleen hij verschrikkelijk veel gruwelijke waarheden kende, ook al wist hij heel goed dat dit niet zo was – hoewel hij zich nog steeds goed kon voelen, tot op zekere hoogte, na koffie, alcohol, of, als er eenvoudig aan te komen was, op recept verkrijgbare medicijnen, de afgelopen tijd methadon, geleverd door de vriendin van Michelle die van een trap was gevallen, en die ze vijf weken lang om de vijf à zes dagen hadden geslikt, tot drie weken geleden. Op een avond, daarna, had Michelle gezegd dat het wel leek of Paul haar ‘haatte’, waarop Paul haar, na een seconde of tien, had gewezen op een dag dat ze het samen wel leuk hadden gehad, om te grijnzen en niet logisch ‘nee’ te zeggen, toen Michelle terecht zei dat ze die dag aan de methadon waren geweest.
‘Waarom zit je zo ver weg?’
‘Ik zit op je te wachten. Je zei een uur geleden dat je wilde vertrekken.’

 

© 2013 Tao Lin
© 2014 Nederlandse vertaling Edzard Krol

Uitgeverij Podium

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum