Leesfragment: Tijdmeters

27 november 2015 , door David Mitchell
| |

15 december verschijnt Tijdmeters, de nieuwe roman van David Mitchell (The Bone Clocks, vertaald door Harm Damsma en Niek Miedema). Voorpublicatie!
'Rats! Een klap links tegen mijn gezicht.
We kijken elkaar aan, ik trillend vanwege de schrik, en ma kwaaier dan ik haar ooit gezien heb, in de wetenschap, volgens mij, dat ze zojuist iets kapot heeft gemaakt dat zich nooit weer laat herstellen. Ik loop zonder een woord te zeggen de kamer uit, alsof ik zojuist een woordenstrijd gewonnen heb.'

Op een druilerige zomerdag in 1984 ontmoet de van huis weggelopen tiener Holly Sykes een vreemde vrouw die haar in ruil voor een slok thee om ‘asiel’ vraagt. Pas jaren later zal Holly erachter komen wat voor asiel de vrouw precies bedoelde.

Tijdmeters volgt Holly’s leven. Van haar jeugd in het café in Gravesend tot haar oude dag in Ierland. Van het moment dat ze van huis wegloopt tot het moment dat ze moet overleven in een bijna failliete samenleving. De vroege verdwijning van haar jongere broertje is daarbij een belangrijk raadsel dat haar hele leven blijft doorwerken.

David Mitchell weet in zijn grootse nieuwe roman de thema’s en ideeën uit zijn eerdere boeken fenomenaal bijeen te brengen. Aan de hand van de ogenschijnlijk gewone Holly Sykes voert hij de lezer een bovennatuurlijke oorlog van goed en kwaad binnen, die hij tot de laatste pagina spannend weet te houden. Ontroerend, krankzinnig, bloedstollend, hilarisch, episch en mitchelliaans: meer dan ooit is dit boek niet onder één noemer te vangen.

N.B. Zie ook onze bespreking van Mitchells The Bone Clocks.

 

Hittegolf

1984

afbeelding Mitchell, Tijdmeters

30 juni

Ik trek de gordijnen van mijn slaapkamer open en daar heb je de dorstige hemel en de brede rivier vol schepen en boten en zo, maar ik denk al aan Vinny’s chocoladekleurige ogen, Vinny’s rug waarlangs de shampoo omlaagdruipt, zweetdruppels op Vinny’s schouders en Vinny’s plagerige lachje, en gelijk gaat mijn hart als een gek tekeer, en god wat wou ik graag dat ik wakker was geworden bij Vinny thuis in Peacock Street, en niet in die stomme kamer van mij. Gisteravond was het eruit voor ik het wist: ‘Jezus wat hou ik toch van jou, Vin,’ waarop Vinny een rookwolk uitblies, zijn prins Charles-stem opzette en zei: ‘Wij zijn werkelijk uitermáte gesteld op uw gezelschap, Holly Sykes,’ en ik deed het zowat in mijn broek van het lachen, al was ik wel een tikkeltje pissig dat hij niet ‘Ik hou ook van jou’ zei. Als ik eerlijk ben. Maar goed, vriendjes zeggen vaak de idiootste dingen om hun gevoelens te verbergen, dat staat in alle bladen. Ik wou dat ik hem nu gelijk kon bellen. Ik wou dat ze een telefoon zouden uitvinden waarmee je altijd met iedereen zou kunnen bellen, waar je ook bent. Hij is nu op zijn Norton onderweg naar Rochester, naar zijn werk, in zijn leren jack waar met zilveren sierspijkertjes LED ZEP op staat. In september, als ik zestien ben, neemt ie me mee op zijn Norton.
Beneden kwakt iemand een kastdeur dicht.
Ma. Niemand anders zou zo een kastdeur dicht durven kwakken.
Stel dat ze erachter is gekomen… klinkt een benauwd stemmetje in mijn hoofd.
Nee. Daarvoor zijn we te voorzichtig geweest, Vinny en ik.
Ma is in de overgang. Dat zal het wezen.
Op de draaitafel van mijn pick-up ligt Fear of Music van de Talking Heads, en dus laat ik de naald zakken. Ik heb die plaat van Vinny gekregen, de tweede zaterdag dat we bij Magic Bus Records hadden afgesproken. Het is een waanzinnige plaat. Ik vind vooral ‘Heaven’ en ‘Memories Can’t Wait’ erg mooi, maar er staat geen enkel zwak nummer op. Vinny is in New York geweest en heeft de Talking Heads echt zien optreden, live. Zijn maat Dan zat bij de beveiliging en heeft Vinny na het optreden backstage gesmokkeld, voor de afterparty met David Byrne en de band. Als hij volgend jaar weer gaat, mag ik mee. Ik kleed me aan, zie elke liefdesbeet en wou dat ik vanavond naar Vinny toe kon, maar hij is met een stel maten van hem in Dover. Mannen houden er niet van als vrouwen jaloers zijn, dus doe ik alsof ik het niet ben. Mijn beste vriendin Stella is naar Londen, op zoek naar tweedehandskleren op Camden Market. Ma vindt me nog te jong om naar Londen te gaan zonder dat er een volwassene bij is, en daarom heeft Stella Ali Jessop meegevraagd in plaats van mij. Maar ik mag – wat een feest! – vandaag de bar stofzuigen voor mijn drie pond zakgeld. Jippieeeee. En verder moet ik eigenlijk leren voor de eindexamens van volgende week. Maar ik lever net zo lief lege blaadjes in. Voor mijn part kan de school de pot op met zijn stelling van Pythagoras, Heer van de vliegen en de levenscyclus van de ringworm. Wie weet doe ik het nog ook.
Ja. Wie weet doe ik dát wel.

Beneden in de keuken is het net de Noordpool. ‘Môgge,’ zeg ik, maar alleen Jacko kijkt op van het bankje bij het raam waar hij zit te tekenen. Sharon zit verderop op de divan naar een tekenfilm te kijken. Papa staat beneden in de gang met de leverancier te praten terwijl buiten, voor de pub, de vrachtwagen van de brouwerij met grommelende motor staat te wachten. Ma staat stoofappels in blokjes te snijden en zwijgt me dood. Nou moet ik zeggen: ‘Wat is er, ma, wat heb ik nou weer verkeerd gedaan?’ maar dat verdom ik mooi. Ze heeft zeker gemerkt dat ik gisteravond te laat thuis was, maar laat ze er zelf maar over beginnen. Ik giet melk over mijn cornflakes en neem mijn bord mee naar de tafel. Ma laat het deksel op de pan kletteren en komt naar me toe. ‘Zo. Hoe zat dat gisteravond?’
‘Ook goeiemorgen, ma. Weer een heet dagje, hè?’
‘Nou, hoe zat dat gisteravond, jongedame?’
In geval van twijfel, hou je van de domme. ‘Hoe bedoel je?’
Haar ogen krijgen iets vals. ‘Hoe laat was je gisteravond thuis?’
‘Oké, oké, ik was wat aan de late kant. Sorry.’
‘Een volle twee uur is niet “wat aan de late kant”. Waar zat je?’
Ik kauw op mijn cornflakes. ‘Bij Stella. Helemaal de tijd vergeten.’
‘Ach, wat eigenaardig. Heel eigenaardig. Ik heb namelijk om tien uur Stella’s moeder gebeld om te kijken waar je bleef, en weet je wat die zei? Dat je al voor achten was weggegaan. Dus wie zit er hier te liegen, Holly? Jij of zij?’
Shit. ‘Toen ik bij Stella was weggegaan heb ik nog een wandelingetje gemaakt.’
‘En waar mag dat wandelingetje je dan wel heen gevoerd hebben?’
Elk volgend woord komt er bijtend uit. ‘Langs de rivier, oké?’
‘En welke kant ging dat wandelingetje op, als ik vragen mag? Richting zee of de andere kant op?’
Ik blijf even stil. ‘Wat maakt dat nou uit?’
Op tv, in de tekenfilm, klinken een paar ontploffingen. Ma zegt tegen mijn zus: ‘Zet dat ding uit en doe de deur achter je dicht, Sharon.’
‘Dat is gemeen. Holly is degene die op d’r kop krijgt.’
‘Ik waarschuw je, Sharon. En jou ook, Jacko. Ik wil…’ Maar Jacko heeft de benen al genomen. Wanneer Sharon ook is vertrokken gaat ma opnieuw tot de aanval over. ‘En maakte je die “wandeling” helemaal alleen?’
Waarom krijg ik het rotgevoel dat ze me in de val lokt? ‘Ja.’
‘En hoever ben je precies gekomen op die “wandeling”, zo helemaal in je eentje?’
‘Wil je het in mijlen of in kilometers?’
‘Och, misschien voerde dat wandelingetje je wel helemaal naar Peacock Street, naar een zekere Vincent Costello…’ De keuken draait om me heen, en door het raam zie ik hoe een stakerig figuurtje aan de overkant van de rivier zijn fiets van het pontje tilt. ‘Wat nou? Je tong opeens kwijt? Laat ik je geheugen even opfrissen: tien uur gisteravond, jij doet de jaloezieën dicht in de voorkamer, in een T-shirt en niet veel meer.’
Het klopt. Ik ben naar beneden gegaan om een biertje voor Vinny te halen. En ja, ik heb de jaloezieën in de voorkamer dichtgedaan. En ja, er kwam net iemand langs. Rustig maar, zei ik tegen mezelf. Hoe groot is de kans dat iemand me herkent? Ma verwacht dat ik zal instorten, maar dat gebeurt niet. ‘Wat zonde dat je je tijd verdoet als barjuffrouw, ma. Je zou eigenlijk een spionagenetwerk voor de geheime dienst moeten runnen.’
Ma kijkt me vuil aan, met die typische Kath Sykes-blik van haar. ‘Hoe oud is hij?’
Ik sla mijn armen over elkaar. ‘Gaat je niks aan.’
Ma’s ogen verkleinen zich tot spleetjes. ‘Vierentwintig, heb ik begrepen.’
‘Als je het al weet, waarom vraag je het dan?’
‘Omdat een vent van vierentwintig die het aanlegt met een meisje van vijftien in overtreding is. Er staat gevangenisstraf op.’
‘In september word ik zestien, en ik denk dat de politie van Kent wel wat beters te doen heeft. Ik ben oud genoeg om zelf uit te maken met wie ik omga.’
Ma steekt een Marlboro op. Ik zou er een moord voor doen. ‘Als ik dit aan je vader vertel, vilt hij die kostelijke Costello levend.’
Oké, zo nu en dan moet papa een hopeloze zatlap met zachte drang uit de zaak verwijderen, maar hij is beslist niet het type dat iemand levend vilt. ‘Brendan was vijftien toen hij verkering met Mandy Fry kreeg, en als jij denkt dat het alleen bij handjes vasthouden op de schommel bleef heb je het mooi mis. Ik kan me niet herinneren dat je hém ooit met dat gevangenisverhaal aan boord bent gekomen.’
Ze zegt, terwijl ze elk woord afzonderlijk uitspreekt, alsof ik imbeciel ben: ‘Voor – jongens – ligt – dat – anders.’
Ik snuif verachtelijk, alsof ik mijn oren niet kan geloven.
‘Ik zeg je eens en voor altijd, Holly, alleen over mijn lijk! Jij maakt het uit met die autoverkoper!’
‘Zal ik je eens wat zeggen, ma? Ik maak verdomme zelf wel uit met wie ik omga.’
‘Dat had je gedacht.’ Ma drukt haar peuk uit. ‘Voortaan breng ik je met het busje naar school en haal ik je ook weer op. Je zet geen voet buiten de deur, tenzij met mij, je vader, Brendan of Ruth. En als ik die kinderlokker ook maar ergens hier in de buurt zie, hang ik meteen aan de telefoon om aangifte te doen, reken maar van yes. En, en ik bel gelijk zijn baas om hem te vertellen dat hij minderjarige schoolmeisjes verleidt.’
Er verstrijken lange, trage seconden terwijl ik alles tot me laat doordringen. Mijn traanklieren beginnen zich te roeren, maar dat plezier gun ik mevrouw Hitler niet. ‘We zijn hier niet in Saoedi-Arabië! Je kunt me niet opsluiten!’
‘Zolang je hier in huis woont, heb je onze regels te gehoorzamen. Toen ik zo oud was als jij…’
‘Ja, ja, ja, jij had twintig broers en dertig zussen en veertig opa’s en oma’s en jij moest altijd vijftig hectare piepers rooien, want zo ging dat toen in dat fijne, gezellige Ierland, maar dit is Engeland, ma, Engeland! En het is 1984, en als het leven in dat achterlijke boerengat in West-Cork zo geweldig was, waarom ben je dan verdomme hiernaartoe ge…’
Rats! Een klap links tegen mijn gezicht.
We kijken elkaar aan, ik trillend vanwege de schrik, en ma kwaaier dan ik haar ooit gezien heb, in de wetenschap, volgens mij, dat ze zojuist iets kapot heeft gemaakt dat zich nooit weer laat herstellen. Ik loop zonder een woord te zeggen de kamer uit, alsof ik zojuist een woordenstrijd gewonnen heb.

Ik huil alleen maar een beetje, en het is geschrokken huilen, geen huilen met lange uithalen, en als ik uitgehuild ben loop ik naar de spiegel. Mijn ogen zijn wat opgezwollen, maar met wat eyeliner is dat zo verholpen. Een likje lippenstift, een beetje rouge… klaar is Kees. Het meisje in de spiegel is een vrouw, met haar korte, zwarte haar, haar Quadrophenia-T-shirt en haar zwarte spijkerbroek. ‘Zal ik je eens wat zeggen?’ zegt ze. ‘Jij trekt vandaag nog in bij Vinny.’ Ik begin alle redenen waarom dat niet kan op een rijtje te zetten, maar stop ermee. ‘Ja,’ zeg ik, draaierig en kalm tegelijk. En ik ga ook van school. Per direct. Voor de spijbelambtenaar ook maar tot tien kan tellen is het zomervakantie, en in september ben ik zestien en kan de hele scholengemeenschap me de bout hachelen. Zou ik dat durven?
Ik durf het. Dus is het pakken geblazen. Wat ga ik pakken? Wat er maar in mijn weekendtas gaat. Onderbroeken, beha’s, T-shirts, mijn bomberjack; mijn make-uptasje en mijn blikken doosje met armbanden en halskettinkjes. Tandenborstel en een handvol tampons. Ik ben al wat over tijd, dus ik kan ieder moment ongesteld worden. Geld. Ik heb nog dertien pond vijfentachtig aan briefjes en kleingeld. En ik heb nog tachtig pond op mijn spaarrekening staan. Vinny gaat me geen huur vragen, en volgende week ga ik meteen werk zoeken. Babysitten, iets op de markt, ergens in de bediening… d’r zijn zat manieren om wat te verdienen. Maar hoe moet het met mijn lp’s? Ik kan onmogelijk in één keer mijn hele verzameling naar Peacock Street slepen, en ma is zonder meer in staat om de hele zwik naar de tweedehandswinkel te brengen, gewoon om me te pesten, daarom wikkel ik Fear of Music voorzichtig in mijn bomberjack en stop hem zo in mijn weekendtas, zodat hij niet in de verdrukking komt. De andere platen verstop ik onder een losse plank in de vloer, voor tijdelijk, maar als ik het vloerkleed weer terugleg krijg ik de schrik van mijn leven: Jacko staat te kijken wat ik doe, in zijn Thunderbird-pyjama en op pantoffels.
Ik zeg: ‘Meneertje, ik schrik me dood.’
‘Ga je weg?’ Jacko’s stem klinkt afwezig.
‘Onder ons gezegd en gezwegen: ja. Maar ik ga niet ver. Zit er maar niet over in.’
‘Ik heb een aandenken voor je gemaakt, zodat je aan me zult denken.’ Jacko geeft me een rond stuk karton, zo groot als een doosje La Vache Qui Rit, waar hij een doolhof op getekend heeft. Die jongen is gek op doolhoven. Vanwege al die Dungeons & Dragons-boeken die Sharon en hij lezen. De doolhof die Jacko getekend heeft is eigenlijk doodsimpel naar zijn maatstaven, en bestaat uit acht of negen in elkaar overgaande kringen. ‘Hier, pak aan,’ zegt hij. ‘Het is een diabolische doolhof.’
‘Het ziet er helemaal niet uit als een diabolo.’
‘“Diabolisch” betekent “duivels”, zus.’
‘Wat maakt jouw doolhof zo duivels dan?’
‘De Schemering volgt je als je erdoorheen gaat. En als het je aanraakt, betekent dat je einde. Je hoeft dus maar één keer een doodlopend pad in te slaan en je bent er geweest. Daarom moet je het labyrint helemaal uit je hoofd leren.’
Dat heb ik weer: een gestoord broertje. ‘Oké. Nou, bedankt, Jacko. Hé luister, ik moet nog wat dingen rege…’
Jacko grijpt me bij de pols. ‘Leer dit labyrint uit je hoofd, Holly. Doe voor één keer de zin van je gestoorde broertje. Alsjeblieft.’
Daar schrik ik toch wel van. ‘Doe niet zo raar, meneertje.’
‘Beloof me dat je het pad door de doolhof uit je hoofd zult leren, zodat je desnoods blindelings je weg erdoorheen kunt vinden. Alsjeblieft.’
De broertjes van mijn vriendinnen verzamelen modelautootjes, doen aan fietscross of spelen met hun Atari – waarom moet ík er nou uitgerekend eentje hebben die woorden gebruikt als ‘blindelings’ en ‘diabolisch’? God mag weten hoe die het hier in Gravesend moet redden als hij homo is. Ik geef hem een aai over zijn bol. ‘Oké, ik beloof dat ik je doolhof uit mijn hoofd zal leren.’ Daarna slaat Jacko zijn armen om me heen, wat gek is, want Jacko is niet zo knuffelig aangelegd. ‘Hé, ik ga niet naar het andere eind van de wereld… Later, als je wat ouder bent, snap je het wel, en…’
‘Je gaat bij je vriendje wonen.’
Verbaast ie me weer. ‘Inderdaad.’
‘Pas goed op jezelf, Holly.’
‘Vinny is aardig. Als ma eenmaal aan het idee gewend is, zien we elkaar weer… Ik bedoel, we zien Brendan ook nog steeds nadat hij met Ruth is getrouwd, toch?’
Maar Jacko steekt het kartonnen deksel met zijn doolhof erop diep in mijn weekendtas, kijkt me nog één keer aan en verdwijnt.

[...]

© David Mitchell 2014
© Nederlandse vertaling Harm Damsma en Niek Miedema / Nieuw Amsterdam Uitgevers 2014

Uitgeverij Nieuw Amsterdam

MINDBOOKSATH : athenaeum