Leesfragment: Tot ziens daarboven

27 november 2015 , door Pierre Lemaitre
| |

7 maart verschijnt Tot ziens daarboven van Pierre Lemaitre (Au revoir là-haut, vertaald door Liesbeth van Nes). Wij publiceren voor. 'Albert keek langs Berry's schouder. Luitenant Pradelle stond op een kleine voorpost met een kijker naar de vijandelijke linies te spieden. Albert nam zijn positie in de rij weer in. Als er niet zo veel herrie was geweest, had hij kunnen nadenken over wat hem dwarszat, maar de krijsende fluittonen volgden elkaar op, onderbroken door explosies die je van hoofd tot voeten door elkaar schudden. Probeer je in die omstandigheden maar eens te concentreren.'

De Eerste Wereldoorlog heeft van Frankrijk een ruïne gemaakt. Te midden van de verwoesting proberen Albert en Édouard, soldaten die de verschrikkingen van de loopgraven meemaakten, de draad van het gewone leven weer op te pakken. Beiden zijn ze alles kwijtgeraakt en ze voelen zich bedrogen en verstoten door de maatschappij. Met een bedrieglijk plan besluiten ze het Franse volk een lesje te leren én zelf fortuin te maken. Precies datgene wat Édouard en Albert voor ogen hadden gebeurt: het geld stroomt binnen. Tegen de tijd dat het bedrog aan het licht komt, hebben Édouard en Albert al plannen gemaakt om uit Parijs te vertrekken. Maar zal het de vrienden lukken om het verleden ook echt achter zich te laten?

Tot ziens daarboven is een aangrijpende roman over de gevolgen van de Grote Oorlog en hoe een land de doden herdenkt, maar de overlevende soldaten lijkt te vergeten. Pierre Lemaitre won in 2013 de Prix Goncourt voor deze roman.

November 1918

1

De mensen die dachten dat de oorlog snel voorbij zou zijn, waren intussen al lang dood. En juist door de oorlog. Daarom hoorde Albert in oktober de geruchten over de komende wapenstilstand nogal sceptisch aan. Hij geloofde ze net zomin als de propaganda aan het begin, toen bijvoorbeeld werd beweerd dat de kogels van de moffen zo zacht waren dat ze onder daverend gelach van de Franse regimenten als beurse peren op hun uniform te pletter sloegen. In de loop van vier jaar had Albert daar hele ladingen van gezien, kerels die zich doodlachten als ze een Duitse kogel kregen.
Hij wist heus wel dat hij vooral uit een soort bijgeloof de komende wapenstilstand niet serieus wilde nemen: hoe meer je hoopt op vrede, hoe minder geloof je eraan hecht als die wordt aangekondigd, om zo het noodlot te bezweren. Alleen kwamen die berichten dag in dag uit met golven tegelijk binnen en steeds korter op elkaar, en begon iedereen te herhalen dat de oorlog werkelijk op zijn eind liep. Er werd zelfs geschreven, en dat was bijna niet te geloven, dat de oudste soldaten, die al jaren aan het front meesjokten, nodig moesten worden gedemobiliseerd. Toen de wapenstilstand ten slotte een aannemelijk vooruitzicht werd, begon de hoop het er levend af te brengen zelfs bij de grootste pessimisten post te vatten. Gevolg was dat niemand meer erg warmliep voor een aanval. Er werd gezegd dat de 163ste Infanteriedivisie uit alle macht zou proberen vanaf de andere kant van de Maas door te breken. Sommigen hadden het nog wel over een robbertje vechten met de vijand, maar in de lagere regionen waar Albert en zijn kameraden zaten, was men sinds de overwinning van de geallieerden in Vlaanderen, de bevrijding van Lille, de Oostenrijkse aftocht en de capitulatie van de Turken meestal een stuk minder uitbundig dan de officieren. Het geslaagde Italiaanse offensief, de Engelsen in Doornik, de Amerikanen in Châtillon... het was duidelijk dat ze op de goede weg zaten. Het grootste deel van de eenheid begon te doen alsof en er was een duidelijke scheidslijn te zien tussen hen die net als Albert het einde van de oorlog het liefst rustig tussen hun spullen met roken en brieven schrijven hadden afgewacht, en hen die brandden van verlangen te profiteren van de laatste dagen om samen gezellig de moffen nog eens toe te takelen.
Die demarcatielijn kwam precies overeen met de lijn die de officieren scheidde van de manschappen. Niets nieuws onder de zon, zei Albert bij zichzelf. De bazen wilden zo veel mogelijk terreinwinst boeken om in een sterke positie aan de onderhandelingstafel plaats te kunnen nemen. Het scheelt weinig of ze zouden nog staande houden dat het veroveren van dertig meter de uitkomst van de oorlog werkelijk kan veranderen en dat vandaag sterven altijd nog beter is dan gisteren.
Tot die laatste categorie behoorde luitenant D’Aulnay-Pradelle. Iedereen die het over hem had, liet de voornaam, het adellijk voorvoegsel, het ‘Aulnay’ en het verbindingsstreepje achterwege en zei gewoon ‘Pradelle’, omdat bekend was dat hij daar pisnijdig om werd. Je liep geen enkel risico, want hij stelde er een eer in het niet te laten merken. Klasseninstinct. Albert mocht hem niet. Misschien omdat hij knap was. Een lange, slanke, elegante vent met een bos golvend donkerbruin haar, een rechte neus en prachtig getekende smalle lippen. En donkerblauwe ogen. Albert vond het een lelijk smoelwerk. En dan altijd die woedende blik. Een jongen van het ongeduldige soort, zonder gewone kruissnelheid: hij versnelde of hij remde en daartussenin zat niets. Hij liep met één schouder naar voren, alsof hij de meubels opzij wilde duwen, kwam met volle snelheid recht op je af en ging onverhoeds zitten, dat was zijn normale ritme. Hij was een merkwaardige mix, want met zijn aristocratische voorkomen leek hij verschrikkelijk beschaafd en tegelijk meedogenloos tot op het bot. Een beetje zoals deze oorlog. Dat was misschien de reden dat hij zich er zo in thuis voelde. En daarbij ook nog een kanjer in roeien, waarschijnlijk, of in tennis.
Wat Albert ook niet kon uitstaan, was dat haar. Overal zwart haar, tot op zijn vingerkootjes, en plukjes die net onder zijn adamsappel uit zijn boord kwamen. In vredestijd zou hij zich waarschijnlijk een paar keer per dag moeten scheren om er niet onguur uit te zien. Er waren natuurlijk vrouwen op wie al dat haar indruk maakte, dat mannelijke, ruwe, viriele, een beetje Spaanse aan hem. Alleen Cécile... Nou ja, ook zonder Cécile te noemen had Albert de schurft aan luitenant Pradelle. Maar hij wantrouwde hem in de allereerste plaats. Omdat Pradelle van aanvallen hield. Stormenderhand nemen, bestormen, veroveren, hij deed niets liever.
Nu was hij de laatste tijd juist minder monter dan gewoonlijk. Door het vooruitzicht van een wapenstilstand was hij zichtbaar in de put geraakt, was zijn patriottische bezieling gefnuikt. Luitenant Pradelle ging kapot aan het idee dat er een eind aan de oorlog kwam.
Zijn buien van ongeduld waren verontrustend. Het gebrek aan ondernemingslust van de troepen werkte hem op de zenuwen. Als hij zelfverzekerd door de loopgraven beende en zich tot de mannen richtte, kon hij net zo veel enthousiasme als hij wilde in zijn woorden leggen als hij refereerde aan de verpletterende nederlaag van de vijand die met een laatste salvo de genadeslag zou krijgen, maar de mannen gaven hem alleen wat vaag gemopper ten antwoord en stemden voorzichtigheidshalve zwijgend toe door naar hun kistjes te kijken. Het was niet zozeer de angst om dood te gaan, als wel het idee nu dood te gaan. Als laatste doodgaan, zei Albert bij zichzelf, is hetzelfde als als eerste doodgaan, lulliger bestaat niet.
En dat was nou precies wat hem te wachten stond.
Hoewel de laatste dagen in afwachting van de wapenstilstand vrij rustig verliepen, kwam alles onverhoeds in een stroomversnelling. Van hogerhand was bevel gegeven dat van nabij poolshoogte genomen moest worden van wat de moffen uitspookten. Je hoefde werkelijk geen generaal te zijn om te weten dat ze hetzelfde deden als de Fransen, namelijk wachten tot het voorbij was. Dat neemt niet weg dat er iemand moest gaan kijken. De precieze opeenvolging van de gebeurtenissen vanaf dat moment kon later niemand meer reconstrueren.
Luitenant Pradelle koos Louis Thérieux en Gaston Grisonnier voor het uitvoeren van de verkenningsopdracht, moeilijk te zeggen waarom, misschien wilde hij de kracht van de jongere bundelen met de ervaring van de oudere. In ieder geval waren hun eigenschappen nutteloos, want geen van beiden zou er nog langer dan een half uur plezier van hebben. Normaal gesproken hoefden ze niet erg ver te lopen. Ze moesten een noordoostelijke lijn volgen, daar op tweehonderd meter wat doorknippen, vervolgens naar de tweede rij prikkeldraad kruipen, een blik werpen en terugkeren met de woorden dat alles in orde was, omdat er nu eenmaal niets te zien was. De twee soldaten maakten zich overigens geen zorgen dat ze de vijand moesten naderen. Gezien de status-quo van de laatste dagen zouden de moffen hen, zelfs als ze hen zagen, laten kijken en terug laten gaan, meer dan wat afleiding was het niet. Behalve dan dat de twee waarnemers zich, op het moment dat ze zo laag mogelijk gebukt vooruitkwamen, als konijnen lieten neerschieten. Eerst vielen er drie schoten en daarna een diepe stilte; de zaak was wat de vijand betreft afgedaan. Meteen probeerde iedereen te zien waar ze lagen, maar omdat ze naar het noorden waren gegaan, was de plek waar ze waren gevallen niet te zien.
Rondom Albert hield iedereen even de adem in. Toen barstte het geschreeuw los. De smeerlappen. Die moffen zijn nog geen steek veranderd, wat een smerig tuig! Barbaren, enz. En dan ook nog een jonge en een oude man! Dat veranderde aan de zaak niets, maar voor iedereen stond vast dat de moffen niet zomaar twee Franse soldaten hadden gedood, maar twee emblemen hadden weggemaaid. Woede alom, dus.
Tijdens de minuten die volgden, vuurden de artilleristen met een promptheid die je eigenlijk niet van hen gewend was, achter elkaar salvo’s uit hun 75’ers vanuit het achterland op de Duitse linies af, je zou je bijna afvragen of ze ervan afwisten.
Daarna kwam van het een het ander.
De Duitsers antwoordden. Aan Franse zijde duurde het niet lang of iedereen had zich verzameld. Ze zouden die klootzakken hun vet eens geven. Het was 2 november 1918. Het was nog niet bekend, maar de oorlog zou nog minder dan tien dagen duren.
En dan ook nog eens op Allerzielen aanvallen. Je kon maar beter niet al te veel belang aan symbolen hechten...
En daar staan we weer voor de strijd uitgerust, dacht Albert, klaar om het schavot te beklimmen (zo werd de ladder genoemd die ze gewoonlijk gebruikten om de loopgraaf uit te komen, over perspectief gesproken) en dan met het hoofd vooruit op de vijandelijke linies af te stormen. De jongens stonden tot het uiterste gespannen in rijen achter elkaar en slikten met moeite hun speeksel weg. Albert stond in derde positie, achter Berry en de jonge Péricourt, die zich omdraaide als om na te gaan of iedereen er wel was. Hun blikken kruisten elkaar, Péricourt glimlachte naar hem, een kinderlijke glimlach als voorbereiding op een goede grap. Albert probeerde terug te glimlachen, maar het lukte hem niet. Péricourt nam zijn positie weer in. Ze wachtten op het bevel tot de aanval, hun nervositeit was bijna voelbaar. Gechoqueerd door het gedrag van de moffen concentreerden de Franse soldaten zich op hun woede. Boven hen trokken de granaten in twee richtingen strepen door de hemel en lieten de aarde tot in de loopgraven beven.
Albert keek langs Berry’s schouder. Luitenant Pradelle stond op een kleine voorpost met een kijker naar de vijandelijke linies te spieden. Albert nam zijn positie in de rij weer in. Als er niet zo veel herrie was geweest, had hij kunnen nadenken over wat hem dwarszat, maar de krijsende fluittonen volgden elkaar op, onderbroken door explosies die je van hoofd tot voeten door elkaar schudden. Probeer je in die omstandigheden maar eens te concentreren.
Voorlopig staan de jongens te wachten op het bevel tot de aanval. Geen slechte gelegenheid om Albert eens gade te slaan.
Albert Maillard. Hij was een slanke jongen met een enigszins traag, bescheiden karakter. Hij praatte niet veel, hij kon goed uit de voeten met cijfers. Vóór de oorlog was hij kassier in een filiaal van de Banque de l’Union parisienne. Het werk beviel hem niet erg, hij bleef er alleen vanwege zijn moeder. Mevrouw Maillard had maar één zoon en ze had veel bewondering voor directeuren. Dus zag ze Albert al als directeur van een bank, en reken maar dat ze meteen enthousiast was en ervan overtuigd was dat hij zich ‘met zijn intelligentie’ rap naar de top zou opwerken. Die overdreven voorliefde voor het gezag had ze van haar vader, adjunct van het plaatsvervangend afdelingshoofd bij het ministerie van Posterijen, die de hiërarchie binnen zijn ministerie zag als een metafoor voor het universum. Mevrouw Maillard had alle directeuren in haar hart gesloten, zonder uitzondering. Ze was niet veeleisend wat betreft hun kwaliteit of herkomst. Ze had foto’s van Clemenceau, Maurras, Poincaré, Jaurès, Joffre, Briand... Sinds ze haar man had verloren, die het bevel voerde over een groep geüniformeerde suppoosten in het Musée du Louvre, bezorgden grote mannen haar heftige sensaties. Albert voelde niet veel voor de bank, maar hij had haar laten praten, wat bij zijn moeder nog het beste werkte. Toch was hij ook eigen plannen gaan ontwikkelen. Hij wilde weg, hij voelde wel wat voor Tonkin, al wist hij zelf niet goed waarom. In ieder geval wilde hij het beroep van boekhouder opgeven en iets anders gaan doen. Maar Albert was geen vlug type, alles kostte bij hem tijd. En al heel snel was daar Cécile geweest, hij was meteen hartstochtelijk verliefd, de ogen van Cécile, de mond van Cécile, de glimlach van Cécile, en daarna uiteraard de borsten van Cécile, de kont van Cécile, hoe wil je dan aan iets anders denken.

[...]

Copyright © Editions Albin Michel – Paris 2013
Copyright voor de Nederlandse taal © 2014 Xander Uitgevers bv, Amsterdam

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum