Leesfragment: Vlucht zonder einde

27 november 2015 , door Joseph Roth
| | |

Begin mei verschijnt Vlucht zonder einde van Joseph Roth in de vertaling van Elly Schippers. Wij publiceren voor. 'Dat ze op hem wachtte tot hij terugkwam, daar twijfelde hij niet aan. Maar dat ze niet langer van hem zou houden als hij eenmaal terug was en voor haar stond, leek hem net zo zeker. Want toen ze zich verloofd hadden, was hij officier. De grote droefheid van de wereld maakte hem destijds mooier, de nabijheid van de dood maakte hem groter, de heiligheid van een begravene omgaf de levende, het kruis op zijn borst deed denken aan het kruis op een grafheuvel.'

Vlucht zonder einde beschrijft de odyssee van Franz Tunda, officier in het keizerlijke leger tijdens de Eerste Wereldoorlog. Tunda ontsnapt uit krijgsgevangenschap en komt terecht in de chaos van de Russische Burgeroorlog, raakt betrokken bij de communistische avant-garde en zoekt zijn toevlucht in de armen van een mooie Georgische vrouw. Pas na allerlei omzwervingen keert hij vanuit Siberië terug naar Wenen, maar in de tussenliggende jaren is de vertrouwde wereldorde in elkaar gestort en komt Tunda nergens meer aan. Baku, Moskou, Wenen, Parijs - elke stad blijkt slechts een volgende etappe op zijn vlucht zonder einde.

Vlucht zonder einde verscheen in 1927 en is wellicht Roths meest persoonlijke roman; met de eindeloze omzwervingen van Franz Tunda voorspelde hij zijn laatste levensjaren. De roman verschijnt nu voor het eerst in het Nederlands, in de vertaling van Elly Schippers die als eindredacteur nauw betrokken was bij de Roth-vertalingen van wijlen Wilfred Oranje en met een inleiding van Arnon Grunberg.

 

I

Franz Tunda, eerste luitenant in het Oostenrijkse leger, raakte in augustus van het jaar 1916 in Russische krijgsgevangenschap. Hij kwam in een kamp enkele werst ten noordoosten van Irkoetsk. Met behulp van een Siberische Pool slaagde hij erin te vluchten. Tot het voorjaar van 1919 bleef de officier op de afgelegen, eenzame en trieste hoeve van de Pool aan de rand van de taiga.
Bij de Pool kwamen woudlopers, berenjagers en pelshandelaren langs. Tunda hoefde geen vervolging te vrezen. Niemand kende hem. Hij was de zoon van een Oostenrijkse majoor en een Poolse Jodin, geboren in een stadje in Galicië, de garnizoensplaats van zijn vader. Hij sprak Pools en had in een Galicisch regiment gediend. Het kostte hem geen moeite om zich uit te geven voor een jongere broer van de Pool. De Pool heette Baranowicz. Tunda noemde zich ook zo.
Hij kreeg valse papieren op naam van Baranowicz, was nu in Lodz geboren, in het jaar 1917 wegens een ongeneeslijke en besmettelijke oogaandoening uit het Russische leger ontslagen, van beroep pelshandelaar en woonachtig in Verchneoedinsk.
De Pool telde zijn woorden als parels, een zwarte baard noopte hem tot zwijgzaamheid. Dertig jaar geleden was hij als strafgevangene naar Siberië gekomen. Later bleef hij er vrijwillig. Hij werd medewerker van een wetenschappelijke expeditie ter verkenning van de taiga, trok vijf jaar door de bossen, trouwde daarna met een Chinese, ging over tot het boeddhisme, woonde als arts en kruidenkenner in een Chinees dorp, kreeg twee kinderen, verloor beide kinderen en zijn vrouw aan de pest, ging weer terug naar de bossen, leefde van de jacht en de pelshandel, leerde zelfs in het dichtste gras de sporen van tijgers herkennen en aan de angstige vlucht van de vogels de voortekenen van de storm, hij wist hagel- van sneeuw- en sneeuw- van regenwolken te onderscheiden, kende de gewoonten van woudlopers, rovers en onschuldige voetreizigers, hield van zijn twee honden als van broers en vereerde slangen en tijgers. Hij trok vrijwillig ten strijde, maar maakte al in de kazerne zo’n ongure indruk op zijn makkers en officieren dat ze hem als een geesteszieke weer naar de bossen lieten gaan. Elk jaar ging hij in maart naar de stad. Hij ruilde hoorns, huiden en geweien tegen munitie, thee, tabak en schnaps. Hij nam een paar kranten mee om op de hoogte te blijven, maar hij geloofde het nieuws noch de artikelen, zelfs aan de advertenties twijfelde hij. Al jaren ging hij in een bepaald bordeel naar een roodharige vrouw, Jekaterina Pavlovna heette ze. Als er een andere man bij het meisje was, wachtte Baranowicz als een geduldige minnaar. Het meisje werd oud, ze verfde haar zilveren haar, verloor de ene tand na de andere en zelfs haar valse gebit. Elk jaar hoefde Baranowicz minder lang te wachten, ten slotte was hij de enige die bij Jekaterina kwam. Ze begon van hem te houden, het hele jaar brandde ze van verlangen, het late verlangen van een late bruid. Elk jaar werd haar tederheid sterker, haar hartstocht vuriger, ze was een oude vrouw, met verlept vlees genoot ze van de eerste liefde van haar leven. Baranowicz bracht elk jaar dezelfde Chinese kettingen voor haar mee en fluitjes, die hij zelf sneed en waarmee hij vogelgeluiden imiteerde.
In februari 1918 verloor Baranowicz de duim van zijn linkerhand, doordat hij onvoorzichtig was bij het hout zagen. Het duurde zes weken voor hij genezen was, in april zouden de jagers uit Vladivostok komen, hij kon dat jaar niet naar de stad. Jekaterina wachtte tevergeefs. Baranowicz gaf een van de jagers een brief voor haar mee en troostte haar. In plaats van de Chinese kralen stuurde hij haar een sabelvel, een slangenhuid en een berenvacht als beddenkleedje. Zo kwam het dat Tunda in dat allerbelangrijkste jaar geen kranten las. Pas in het voorjaar van 1919 hoorde hij van de naar huis terugkerende Baranowicz dat de oorlog afgelopen was.
Dat was op een vrijdag, Tunda waste in de keuken het eetservies af, Baranowicz kwam binnen, het geblaf van de honden was te horen. In zijn zwarte baard tinkelde ijs, op de vensterbank zat een raaf.
‘Het is vrede, het is revolutie!’ zei Baranowicz. Op dat moment werd het stil in de keuken. De klok in de kamer ernaast sloeg drie harde slagen. Franz Tunda zette de borden behoedzaam en zachtjes op de bank. Hij wilde de stilte niet verstoren, waarschijnlijk was hij ook bang dat de borden zouden breken. Zijn handen trilden.
‘De hele weg,’ zei Baranowicz, ‘heb ik me afgevraagd of ik het je zou vertellen. Tenslotte vind ik het jammer dat je naar huis zult gaan. We zullen elkaar waarschijnlijk niet terugzien en schrijven zul je me ook niet.’
‘Ik zal je niet vergeten,’ zei Tunda.
‘Beloof niets!’ zei Baranowicz.
Dat was het afscheid.

II

Tunda wilde naar Oekraïne, van Zjmerinka, waar hij gevangengenomen was, naar het Oostenrijkse grensstation Podwoloczyska en vandaar naar Wenen. Hij had geen bepaald plan, de weg die voor hem lag was onveilig en vol bochten. Hij wist dat hij er lang over zou doen. Hij nam zich maar één ding voor: niet in de buurt van de Witte noch van de Rode troepen komen en zich niet met de revolutie bemoeien. De Oostenrijks-Hongaarse monarchie was uiteengevallen. Hij had geen vaderland meer. Zijn vader was als kolonel gestorven, zijn moeder was allang dood. Zijn broer was dirigent in een middelgrote Duitse stad.
In Wenen wachtte zijn verloofde op hem, de dochter van potloodfabrikant Hartmann. Van haar wist de eerste luitenant niet meer dan dat ze mooi, schrander, rijk en blond was. Die vier eigenschappen hadden haar geschikt gemaakt om zijn verloofde te worden.
Toen hij aan het front was, stuurde ze hem brieven en leverpastei, soms ook een gedroogde bloem uit Heiligenkreuz. Hij schreef haar elke week op donkerblauw veldpostpapier met een bevochtigd inktpotlood korte brieven, beknopte situatieschetsen, mededelingen.
Sinds zijn vlucht uit het kamp had hij niets meer van haar gehoord. Dat ze hem trouw was en op hem wachtte, daar twijfelde hij niet aan.
Dat ze op hem wachtte tot hij terugkwam, daar twijfelde hij niet aan. Maar dat ze niet langer van hem zou houden als hij eenmaal terug was en voor haar stond, leek hem net zo zeker. Want toen ze zich verloofd hadden, was hij officier. De grote droefheid van de wereld maakte hem destijds mooier, de nabijheid van de dood maakte hem groter, de heiligheid van een begravene omgaf de levende, het kruis op zijn borst deed denken aan het kruis op een grafheuvel. Liep het goed af, dan wachtten na de triomfantelijke mars van de zegevierende troepen over de Ringstraße de gouden majoorskraag, de stafschool en ten slotte de rang van generaal, allemaal omlijst met het zachte trommelgeroffel van de Radetzkymars.
Maar nu was Franz Tunda een jongeman zonder naam, zonder betekenis, zonder rang, zonder titel, zonder geld en zonder beroep, ontheemd en rechteloos.
Hij had zijn oude papieren en een foto van zijn verloofde in zijn jas genaaid. Het leek hem gunstiger om door Rusland te trekken onder de vreemde naam, die hem net zo vertrouwd was als de zijne. Pas aan de andere kant van de grens wilde hij zijn oude papieren weer gebruiken.
Het kartonnetje waarop zijn mooie verloofde was afgebeeld, voelde Tunda hard en geruststellend op zijn borst. De foto was gemaakt door de hoffotograaf die de modebladen foto’s bezorgde van dames uit de betere kringen. In de serie ‘Verloofdes van onze helden’ was ook juffrouw Hartmann opgenomen geweest als de verloofde van de dappere eerste luitenant Franz Tunda. Een week voor hij gevangen werd genomen, had het blad hem nog bereikt.
Telkens als de lust hem bekroop om zijn verloofde te bekijken, kon Tunda het knipsel met de foto gemakkelijk uit zijn jaszak halen. Hij treurde al om haar voordat hij haar had gezien. Hij hield dubbel van haar: als doel en als verlorene. Hij hield van de heldhaftigheid van zijn lange en gevaarlijke tocht. Hij hield van de offers die nodig waren om bij zijn verloofde te komen, en van de vruchteloosheid van die offers. Vergeleken met het waagstuk dat hij nu ondernam leek alle heldenmoed van zijn oorlogsjaren hem kinderachtig. Met zijn troosteloosheid groeide de hoop dat hij alleen al door die gevaarlijke terugtocht weer een begeerlijk man werd. Hij was de hele weg gelukkig. Als iemand hem had gevraagd of het de hoop was die hem gelukkig maakte of de weemoed, dan had hij het niet kunnen zeggen. In de ziel van menig mens veroorzaakt het verdriet meer gejubel dan de vreugde. Van alle tranen die iemand inslikt, zijn de tranen die hij om zichzelf gehuild zou hebben het kostbaarst.
Tunda slaagde erin de Witte en de Rode troepen uit de weg te gaan. In een paar maanden trok hij dwars door Siberië en een groot deel van Europees Rusland, per trein, met paarden en te voet. Hij bereikte Oekraïne. Hij bekommerde zich niet om de overwinning of de nederlaag van de revolutie. Met de klank van dat woord verbond hij vage voorstellingen van barricaden, gepeupel en de geschiedenisleraar op de cadettenschool, majoor Horwath. Bij ‘barricaden’ stelde hij zich opgestapelde, zwarte schoolbanken met omhoogstekende poten voor. ‘Gepeupel’ was zoiets als het volk dat zich op Witte Donderdag bij de parade achter het kordon van de landweer verdrong. Van die mensen zag je alleen bezwete gezichten en gedeukte hoeden. In hun handen hielden ze waarschijnlijk stenen. Dat volk veroorzaakte anarchie en hield van nietsdoen.
Soms herinnerde Tunda zich ook de guillotine, een woord dat majoor Horwath altijd zonder de laatste letter, dus als guillotín uitsprak, zoals hij ook Parí zei als het om Parijs ging. De guillotine, waarvan de majoor de constructie precies kende en bewonderde, stond nu waarschijnlijk op de Stephansplatz, het verkeer van rijtuigen en auto’s was stilgelegd (zoals op oudejaarsavond) en de hoofden van de beste families van het rijk rolden tot aan de Peterskirche en in de Jasomirgottstraße. Zo ging het er ook in Sint-Petersburg en Berlijn aan toe. Een revolutie zonder guillotine was net zomin mogelijk als zonder rode vlag. De Internationale werd gezongen, een lied dat cadet Mohr op de zondagmiddagen had voorgedragen, de middagen van de zogenaamde ‘smeerlapperijen’. Mohr liet dan pornografische ansichtkaarten zien en zong socialistische liederen. Het plein was leeg, ze keken door het raam naar beneden, leeg en stil was het, je kon het gras tussen de grote vierkante tegels horen groeien. Een ‘guillotín’ met een afgehakte, als het ware door het toestel zelf afgesneden ‘e’ was iets heroïsch, staalblauw van kleur en met bloed bevlekt. Zuiver als instrument beschouwd leek de guillotine Tunda heroïscher dan een machinegeweer.
Tunda koos dus zelf geen partij. De revolutie beviel hem niet, ze had zijn carrière en zijn leven verpest. Maar als hij naar de wereldgeschiedenis keek, was hij niet in dienst, en hij was blij dat geen enkel voorschrift hem dwong partij te kiezen. Hij was een Oostenrijker. Hij liep naar Wenen.
In september bereikte hij Zjmerinka. Hij liep ’s avonds door de stad, kocht voor een van zijn laatste zilverstukken duur brood en wachtte zich voor politieke gesprekken. Hij wilde niet laten merken dat hij niet op de hoogte was van de situatie en van ver kwam.
Hij besloot ’s nachts verder te trekken.
Het was een heldere, frisse, bijna winterse nacht; de aarde was nog niet bevroren, maar de hemel wel. Tegen middernacht hoorde hij plotseling geweerschoten. Een kogel sloeg zijn stok uit zijn hand. Hij wierp zich op de grond, een hoef raakte hem in zijn rug, hij werd vastgegrepen, omhooggetrokken, dwars over een zadel gelegd, over een paard gehangen als een stuk wasgoed over een lijn. Zijn rug deed pijn, door het galopperen verloor hij het bewustzijn, zijn hoofd zat vol bloed, het dreigde uit zijn ogen te spuiten. Hij kwam bij en viel meteen in slaap – zoals hij daar hing. De volgende morgen werd hij losgemaakt, hij sliep nog steeds, ze lieten hem azijn ruiken, hij sloeg zijn ogen op en merkte dat hij in een hut op een zak lag, achter een tafel zat een officier. Voor het huis hinnikten paarden helder en troostend, op de vensterbank zat een poes. Ze zagen Tunda aan voor een bolsjewistische spion. Een rode smeerlap! noemde de officier hem. De eerste luitenant had snel door dat het niet verstandig was om Russisch te spreken. Hij zei de waarheid, noemde zichzelf Franz Tunda, bekende dat hij op weg was naar huis en valse papieren had. Ze geloofden hem niet. Hij maakte al een gebaar naar zijn borst om zijn goede papieren tevoorschijn te halen. Maar hij voelde de druk van de foto als een waarschuwing of een herinnering. Hij legitimeerde zich niet, het zou hem trouwens toch niet geholpen hebben. Hij werd geboeid en opgesloten in een stal, zag door een opening de dag, zag een groepje sterren, uitgestrooid als witte papaver, Tunda dacht aan vers gebak – hij was een Oostenrijker. Nadat hij twee keer de sterren had gezien, raakte hij weer bewusteloos. Hij werd wakker in een zee van zon, kreeg water, brood en schnaps, om hem heen stonden leden van de Rode Garde, er was een meisje in een broek bij, achter twee grote, met papier gevulde borstzakken tekende zich vaag haar boezem af.
‘Wie bent u?’ vroeg het meisje.
Ze schreef alles op wat Tunda zei.
Ze stak hem haar hand toe. De leden van de Rode Garde gingen naar buiten, ze lieten de deur wijd openstaan, plotseling was de gloeiende zon te voelen, hoewel hij wit was en geen zin had om te branden. Het meisje was sterk, ze wilde Tunda overeind trekken, maar viel zelf op de grond.
Bij die stralende zon viel hij in slaap. Daarna bleef hij bij de Roden.

© 2014 Nederlandse vertaling Elly Schippers

Uitgeverij Atlas Contact

MINDBOOKSATH : athenaeum