Leesfragment: Alleen maar helden

15 april 2016 , door Charles Lewinsky
| | |

23 april verschijnt de nieuwe roman van Charles Lewinsky, Alleen maar helden (Kastelau, vertaald door Elly Schippers). Wij publiceren voor. ‘In zijn autobiografie geeft hij als reden op dat hij zich openlijk solidair had verklaard met een collega die vanwege zijn Joodse afkomst was ontslagen, dus dat hij voor zijn overtuiging zijn carrière op het spel had gezet. Een mooi verhaal, dat goed past in het draaiboek van zijn heldenepos. Alleen komt het niet overeen met de feiten.’

 

Winter 1944. De Beierse Alpen vormen - nog wel - een vredige omgeving. Een ideale plek om ver van Berlijn te overleven. Een kleine filmploeg gaat er in Kastelau een vurige propagandafilm draaien, een hart onder de riem voor het Duitse volk. Dat is althans wat de dorpsbewoners moeten geloven. Belangrijk is maar één ding: het moet er overtuigend uitzien! Alleen zo kan men zijn leven (en latere carrière) redden.

'Een adembenemend, bitterboos verhaal. Spannend van de eerste tot de laatste bladzijde. - SRF

N.B. Wij publiceerden eerder voor uit Tien-en-een-nachtTerugkeer ongewenst en De verborgen geschiedenis van Courtillon. Lees de fragmenten op Athenaeum.nl.

 

Knipsel uit The Hollywood Reporter van 10-9-1991

Ter herinnering aan de onlangs overleden acteur en Oscarwinnaar Arnie Walton vindt op 14 september 1991 in Mann’s Chinese Theatre een lange nachtvoorstelling plaats van zijn belangrijkste films. Vertoond worden The Other Side of Hell, The Good Fight en No Time for Tears. Inleiding: professor Barbara Cyslevski, ucla. Aanvang 23.00 uur.

Manuscript Samuel A. Saunders

Natuurlijk heette hij niet echt Arnie Walton. Marilyn Monroe heette ook niet Marilyn Monroe en John Wayne niet John Wayne. Misschien heeft hij die naam niet eens zelf bedacht, maar alleen geen bezwaar gemaakt toen de pr-afdeling van de studio ermee aan kwam zetten. Aan aanpassingsvermogen heeft het hem nooit ontbroken. Arnie Walton was de amerikanisering van de naam waaronder hij in nazi-Duitsland carrière had gemaakt. En ook dat was al een pseudoniem.
‘Born Walter Arnold, March 23rd 1914, Neustadt, Germany.’ Zo staat het in zijn naturalization certificate. Klinkt authentiek en geloofwaardig, zoals zoveel in zijn biografie. Maar: ik heb in Duitsland drieëntwintig steden en gemeenten met de naam Neustadt gevonden (inclusief de stad Wejherowo in Polen, die in 1919 nog Neustadt in Westpreußen heette) en in geen van de drieëntwintig met Duitse degelijkheid bijgehouden geboorteregisters is op die datum een Walter Arnold te vinden. Ook niet in de weken ervoor en erna.
Toch meen ik hem gevonden te hebben. Helaas zelfs twee keer, zodat ik hem niet duidelijk kan plaatsen. In Neustadt in Hessen (district Marburg-Biedenkopf) werd op 23 maart 1914 een zekere Walter Arnold Kreuzer geboren en in het register van Neustadt an der Orla in Thüringen (Saale-Orla district) staat op dezelfde dag een zekere Walter Arnold Blaschke genoteerd. Er zijn veel voorbeelden van acteurs die hun eigen voornaam als pseudoniem kiezen.
Kreuzer of Blaschke. Een van beide was waarschijnlijk zijn echte naam.
De kunstenaarsnaam Walter Arnold duikt voor het eerst op in het Deutsches Bühnen-Jahrbuch 1932, waar hij wordt genoemd als acteur in het ensemble van het Reußisches Theater Gera. De allereerste kritische vermelding is te vinden in de bespreking van een nieuwe enscenering van Maria Stuart (Geraer Zeitung van 11 januari 1933), waar staat: ‘De heer Walter Arnold deed het als officier van de lijfwacht heel behoorlijk.’
Ook ik heb mijn werk behoorlijk gedaan, met wetenschappelijke grondigheid. Ik weet dat hij in Gera nog geen grote rollen heeft gespeeld. Toen hij begon, was hij waarschijnlijk niet het onmiddellijk bejubelde acteergenie waarvoor hij zich later zo graag uitgaf.
In november 1933, in het tweede jaar van zijn engagement, werd zijn contract midden in het seizoen voortijdig ontbonden. In zijn autobiografie geeft hij als reden op dat hij zich openlijk solidair had verklaard met een collega die vanwege zijn Joodse afkomst was ontslagen, dus dat hij voor zijn overtuiging zijn carrière op het spel had gezet. Een mooi verhaal, dat goed past in het draaiboek van zijn heldenepos. Alleen komt het niet overeen met de feiten.
De plaatselijke pers uit die tijd bericht uitvoerig over de ‘zuivering van het ensemble van volksvreemde elementen’. Maar terwijl de naam van de ontslagen acteur, Siegfried Hirschberg, in alle artikelen wordt genoemd, is in dat verband nergens sprake van Walter Arnold, ook niet in de publicaties die zich hadden toegelegd op het met naam en toenaam aan de schandpaal nagelen van zogenaamde ‘Jodenlakeien’.
De werkelijke verklaring voor de abrupte beëindiging van zijn contract heb ik gevonden in het Thüringisches Staatsarchiv Greiz, waar de (na een vernietigingsbevel van februari 1945 zeer onvolledige) dossiers van de politieleiding van Gera worden bewaard. In het met de hand bijgehouden logboek van november 1933 valt onder de achttiende van de maand in de rubriek ‘Arrestaties’ de naam ‘Arnold, Walter’ te ontcijferen, met de toevoeging ‘i.v.m. 175’. Het kan hier alleen gaan om de beruchte paragraaf 175 van het Duitse Rijkswetboek van Strafrecht, die bepaalde dat op ‘de tegennatuurlijke ontucht welke tussen personen van het mannelijk geslacht of door mensen met dieren wordt gepleegd’ een gevangenisstraf stond van zes maanden tot vier jaar. Walter Arnold kwam dus wegens homoseksuele handelingen in conflict met de autoriteiten. Omdat er geen aanklacht werd ingediend, moeten de betreffende beschuldigingen ongegrond zijn gebleken, of – wat met het oog op zijn latere gedrag in soortgelijke situaties waarschijnlijker is – hij vond een discrete manier om strafvervolging te voorkomen. Misschien heeft hij iemand anders aan de autoriteiten verraden, iemand die interessanter voor hen was. In elk geval moet er een deal met de autoriteiten zijn gesloten. Vermoedelijk was de voortijdige en onmiddellijke beëindiging van zijn contract met het plaatselijke theater een daaraan verbonden voorwaarde.
Voor het verdere verloop van Walter Arnolds carrière heeft die episode geen negatieve gevolgen gehad. Al in het volgende seizoen (1934-1935) komen we hem tegen als lid van het ensemble van het Hildesheimer Theater, waar hij voor het eerst belangrijke rollen speelt, zoals graaf Wetter vom Strahl in Das Käthchen von Heilbronn van Kleist. Een jaar later is hij de eerste jeugdige held bij het particuliere Leipziger Schauspielhaus (niet te verwarren met het Städtisches Schauspiel). Zijn vertolking van de prins van Homburg – eveneens van Kleist – wordt in de pers bejubeld en is voor de ufa waarschijnlijk aanleiding geweest om hem zijn eerste rol aan te bieden.
Met Der Klassenprimus (1936) wist hij dan ook bij de film snel door te breken.

Handgeschreven aantekening Samuel A. Saunders

Uitleggen hoe ik erop ben gekomen. Hoe ik op hem ben gekomen. De indruk mag niet ontstaan dat ik van het begin af aan iets tegen hem heb gehad.
Hij was voor mij een naam op een lijst, meer niet. Alfabetisch gerangschikt. Die lijst moet nog ergens zijn. Eindelijk een keer orde scheppen. De oude papieren uitzoeken. Het meeste wegsmijten.
ufa-acteurs in het Derde Rijk. De opsomming begon met Viktor Afritsch, dat weet ik nog.
Viktor Afritsch, Axel von Ambesser, Walter Arnold. Een van de vele namen.

Manuscript Samuel A. Saunders

De ufa-films die in de laatste oorlogsmaanden werden opgenomen, maar tijdens het Derde Rijk niet meer zijn voltooid en vertoond, dat was het terrein waar ik het onderwerp voor mijn dissertatie moest zoeken. Professor Styneberg had me dat aangeraden omdat ik colleges Duits had gevolgd. (De familie van mijn grootmoeder is vanuit Duitsland geïmmigreerd. Zelf heb ik de taal nooit echt perfect beheerst, maar mijn kennis is voldoende om probleemloos een gesprek te voeren of een interview te houden.) Een overzichtelijk gebied met een politiek aspect, precies wat men in die tijd zocht. En als onderwerp nog niet al te vaak behandeld. Een mijn waarin ik nog menige filmhistorische goudader kon ontdekken. ‘Werkt u zich eerst maar eens in de problematiek in,’ zei Styneberg, ‘en pikt u er dan een geschikt aspect uit voor uw dissertatie.’
Wat me aan dat voorstel het meest beviel, was dat je ervoor naar Europa moest. Daar was ik nog nooit geweest. Vooral Praag interesseerde me. Toen het in Berlijn nauwelijks meer ging, hadden de Duitsers in Praag ijverig verder gefilmd, ‘omdat het vliegtuiglawaai in de rijkshoofdstad de geluidsopnamen verstoort’, zoals minister van Propaganda Goebbels officieel bekend liet maken. De echte reden was waarschijnlijk eerder dat zijn sterren niet in een stad wilden blijven die bijna dagelijks werd gebombardeerd.
Mijn nasporingen hebben er toen toe geleid dat ik een andere weg ben ingeslagen en nooit in Praag ben aangekomen. In de Duitse archieven lag veel meer materiaal dan ik had verwacht. Met de eerste schifting was ik weken bezig. Bij de Murnau-Stichting in Wiesbaden deden ze aanvankelijk heel correct en soms nogal ingewikkeld, vooral als het ging om de zogenaamde ‘gifkastfilms’, die vanwege hun nationaalsocialistische strekking waren verboden. Eerst wilden ze absoluut niet inzien dat een wetenschappelijk werk iets anders is dan een openbare vertoning. Maar er waren ook twee vrij jonge archivarissen, met wie ik bevriend ben geraakt.
Bij de defa in Oost-Berlijn waren ze verrassend vriendelijk en behulpzaam. In het Staatliches Filmarchiv der ddr heb ik zelfs een ontdekking gedaan. Tussen de opgeslagen filmrollen van Der Mann, dem man den Namen stahl vond ik een compleet afgemixt geluidsnegatief, waar niemand iets van wist. Het celluloid was nog in bruikbare toestand. Op die basis had van het aanwezige materiaal de hele film gereconstrueerd kunnen worden, zoals de regisseur hem had gemonteerd. Het zou weliswaar niet meer dan een voetnoot in de filmgeschiedenis geweest zijn, maar beslist een die je carrière kon bevorderen.
Ik heb geen carrière gemaakt. Het is anders gelopen. En dat had indirect ook te maken met mijn vondst in Oost-Berlijn.
Ik was zo blij dat ik de twee archivarissen van de Murnau-Stichting een paar dagen later heb uitgenodigd om de ontdekking met me te vieren. Ik weet nog dat we zijn gaan eten bij een Joegoslaaf, iets wat toen als heel exotisch gold, en daarna raadden ze een kroeg aan, die wel niets bijzonders was, maar voor filmgekken als wij een echte geheimtip, ik zou het wel zien.
Bei Titi.
Een sjofele tent, niet in de beste buurt. Klein en bedompt. Aan de muren verbleekte portretten van filmsterren, sommige gesigneerd en ingelijst, andere uit kranten geknipt en zo op de lambrisering geplakt. Een jukebox waaruit een vrouwenstem een oude schlager schetterde.
Ich weiß, es wird einmal ein Wunder geschehn. Achteraf, ironisch genoeg, een passende titel.
Titi zelf een vrouw die me stokoud leek. Rood geverfd haar met ouderwetse watergolven, maar zo dun dat de hoofdhuid erdoorheen schemerde. Over de diepe rimpels in haar gezicht had ze een jeugdig maskertje geschilderd. De dikke laag make-up kon een litteken, dat van haar rechteroog over haar hele wang liep, niet helemaal verbergen. Titi rookte de ene sigaret na de andere, een soort dat ik nog nooit had gezien, met een lang kartonnen mondstuk waarop haar geverfde lippen telkens een nieuwe afdruk achterlieten. Op de peuken in de asbak zag het eruit als bloed.
Er waren die avond maar weinig gasten en het duurde niet lang of ze kwam bij ons aan tafel zitten. Ik verbeeld me dat ik haar parfum nog ruik, een ouwelijke lucht van kunstbloemen. Bloemen en sigarettenrook.
Haar stem was zo zacht dat je haar door het lawaai van de oude schlagers amper kon verstaan. Later, toen ik haar beter kende, werd me duidelijk dat ze niet harder praatte omdat haar stem dan oversloeg en schril werd. Als ze zich ergens over opwond, vergat ze dat weleens en klonk ze als een heel andere vrouw. Als ze lachte – en ze lachte veel –, moest ze hoesten.
Mijn collega’s stelden me voor als een beroemd wetenschapper uit de Verenigde Staten. ‘Een specialist in films uit de jaren dertig en veertig,’ zeiden ze. Waarop Titi me aan een heus examen onderwierp. Ze overhoorde me alsof ik een schooljongen was. Ze liep met me van foto naar foto en ik moest de namen noemen. Bij de grote sterren was dat eenvoudig, Willy Fritsch of Jenny Jugo, maar bij de meeste andere faalde ik jammerlijk. Telkens als ik weer hulpeloos mijn schouders ophaalde, kreeg ik een berispend tikje op mijn wang. Dat moest plagerig overkomen, maar was op den duur behoorlijk onaangenaam.
Op een van de foto’s – geen kaart met een handtekening en geen krantenknipsel, maar een doodgewone oude foto, sepia met kartelrand – stond een jonge, heel blonde vrouw, die met een geforceerde glimlach stralend in de camera keek. ‘Wie is dat?’ vroeg Titi en toen ik het niet wist, kreeg ik geen tik, maar een volwassen draai om mijn oren.
Mijn collega’s zaten achter hun pilsje en stikten van het lachen.
‘Dat ben ik,’ zei Titi.
Zij was, vertelde ze bij de volgende sigaret, ook ooit actrice geweest, niet direct een ster, maar toch iemand die een ster had kunnen worden als de tijden anders waren geweest, als de oorlog langer had geduurd, als, als, als.
‘Vroeger was ik namelijk knap,’ zei Titi. ‘Ook al zie je dat nu niet meer.’ Het was een uitnodiging tot een compliment, dat we haar dan ook uitgebreid maakten.
Ze heette Tiziana Adam, een ongewone naam, waarvan ik eerst dacht dat het een pseudoniem was. Later bleek dat ze echt zo heette.
Tiziana Adam, geboren op 4 april 1924 in Treuchtlingen in Beieren.
Ze heeft, zoals ik later in het archief van de ufa heb vastgesteld, daar ook echt ooit een contract gehad, al speelde ze maar heel weinig en dan nog alleen kleine rollen. Ze moet negentien geweest zijn toen ze naar Berlijn ging. Negentien en voor een carrière tot alles bereid.

Interview met Tiziana Adam
(4 augustus 1986)

Een Uher, zie ik. Hebben jullie in Amerika geen modernere bandrecorders?
Geleend van de stichting, ik snap het. Heel handig. Die dingen van tegenwoordig ... In mijn tijd ... Eigenlijk was het een tweede camera. Eén voor het beeld en de andere ... Het geluid was altijd een probleem. Om de twee filmstroken synchroon te krijgen. Vreselijk omslachtig. U weet dat natuurlijk. U bent wetenschapper.
En de koptelefoons ... Olifantsoren ... Die werden zo genoemd omdat ... Zo groot waren die dingen ... We hadden een geluidstechnicus, die was doof. Stokdoof, kunt u zich dat voorstellen? Een geluidstechnicus! Dat was toen we ...
Ja, ja. Vraagt u maar. Test, één, twee, drie. Test, één, twee, drie. Vraagt u maar.
Dat was eigenlijk toeval. Of eigenlijk ook niet. Ik wilde altijd bij de film. Als klein meisje al. Zoals anderen prinses willen worden. Dierenarts. Ik wilde bij de film en mijn broertje ... Ze wilden allemaal bij het spoor. Treuchtlingen was een spoorwegstad. Een knooppunt. Daarom hebben de Amerikanen in 1945 dan ook ... Een misdaad was dat, als u het mij vraagt. Ook al bent u Amerikaan, ik zeg gewoon wat ik ervan vind. Een misdaad. Mijn broertje is bij de luchtaanval ... Vijftien jaar. Een kind. Ik zat toen al in Berlijn. Dat wil zeggen: ik zat al niet meer in Berlijn. Omdat we ...
U moet me wel laten vertellen, als ik er al tijd ... In zo’n café ... Het werk is nooit klaar. Dat had ik toen ook niet kunnen dromen, dat ik ooit ... Elke nacht achter de bar. [Zingt] ‘Mijne heren, u ziet mij hier glazen omspoelen ...’ Kent u dat lied? Die Seeräuberjenny. Zulke rollen had ik graag ... Met diepgang. Maar zoiets kreeg ik toen natuurlijk nog niet. En later ... Het stuk was ook verboden.
In 1943. Als stenotypiste. Geen honderdvijftig lettergrepen of zoiets bespottelijks, maar ... Banen waren in die tijd makkelijk te ... De mannen waren immers allemaal ... Onder de wapenen. Rare uitdrukking eigenlijk.
In dienst.
Ja, ja, u spreekt onze taal heel goed. Best goed.
Stenotypiste. Typemiep. Bovendien zag ik er toen echt goed uit. Dat is ook altijd wat waard. Niet alleen bij de film. Een heel jong meisje. Mijn ouders waren het er helemaal niet mee eens dat ik in m’n eentje naar Berlijn ... Mijn moeder ... Die maakte zich zorgen om mijn maagdelijkheid.
[Langdurig gelach, gehoest]
Zet die koptelefoon maar zolang af.
Toen was Berlijn het middelpunt van de wereld. Niet lang daarna was het het einde, maar toen ... We waren al niet meer aan de winnende hand, maar ... Dat merk je niet meteen ... Nu zijn we natuurlijk wijzer, maar toen ... Er was geen boek waarin de toekomst al ... En als het er geweest was, zou ik het niet gelezen hebben. Ik was zo jong. ‘Je bent als de lente,’ zei iemand eens tegen me. Niet zomaar iemand. Reinhold Servatius. De regisseur. Als wetenschapper zult u die naam wel kennen. ‘Als de lente.’ Dat zei hij. Als je me nu ziet, kun je je dat niet meer ...
Heel aardig dat u dat zegt. Ik weet hoe ik eruitzie. ’s Avonds in het café gaat het nog. Als de verlichting ... Dan zie je alleen wat je moet zien. Maar nu overdag? Als u had willen filmen ... Maar u wilt alleen met uw Uher ... Ik zou nee gezegd hebben. Met een litteken op je gezicht hoor je niet meer voor de camera.
Eerst in een kledingbedrijf. Berghäuser & Co. Uniformen natuurlijk, dat was toen een gouden business. Een beetje mode. Voor de vrouwen van de geüniformeerden. En voor de vriendinnetjes die ze erop na hielden. Allemaal. Bijna allemaal. Ik zou u verhalen kunnen vertellen. Over heel bekende personen, die stiekem ... Maar dat is niet uw onderwerp.
Toen was het nog gebruikelijk ... Nu niet meer, maar toen ... Elk bedrijf had zijn eigen mannequins. Om de modellen aan de vrouwelijke klanten ... En aan hun mannen natuurlijk. Die moesten al dat moois per slot betalen. Pasdames. Het andere woord vonden ze te Frans. Bij Berghäuser zeiden we mannequins. Ik had er precies het goede figuur voor. Niet zo spichtig als ze tegenwoordig ... Als je dat op tv ... Modeshows. Waarbij je altijd het idee hebt dat je de botten hoort rammelen. Iets moest je wel op je ribben ...
Dat was natuurlijk een interessanter baantje dan enkel op kantoor. Interessantere mensen. Je kwam snel nader tot elkaar in die tijd. Als zo iemand maar twee weken thuis was met verlof, dan ... Ze hadden allemaal haast.
Wilt u echt geen sigaret? Ik voel me net een idioot als ik hier in m’n eentje zit te hoesten.
[Pauze]
Waar waren we gebleven? Ja, mannequin. Met frontofficieren heb ik me nooit ingelaten. Principieel niet. Die waren altijd ... Te vlug weer weg. Daar had je niets aan. De anderen, die een luizenbaantje ... Als ze in Berlijn ... Die konden veel nuttiger voor je zijn. Ook qua beroep.
Iemand ... Van zijn voornaam heette hij Rainer, de rest weet ik niet meer. Iets belangrijks in de directie van de ufa. Misschien kunt u erachter komen wie dat was. U als onderzoeker. Die naam zou me interesseren.
Nee, eigenlijk niet meer.
Die heeft me aan mijn eerste rol bij de film ... Alleen het betere figurantenwerk, maar ik was ... Zo trots als een aap. ‘Zoals u wenst, mevrouw.’ Dat was mijn enige zin. ‘Zoals u wenst, mevrouw.’ Toen de film klaar was ... Eruit geknipt. Mijn enige zin.
Ik weet het niet meer. Iets met ‘liefde’. Is ook niet belangrijk hoe die film ... Later heb ik grotere rollen gekregen ... Geen grote, maar grotere.
Dat had toen al niets meer met die Rainer te maken. Dat was maar ... Affaire is een goede term. Toepasselijk. Dat heeft Werner me later eens ... Die had wat met woorden.
Werner Wagenknecht. De scenarioschrijver. Kent u die niet? Ik dacht dat u wetenschapper was. Weliswaar nog vreselijk jong. Maar jullie Amerikanen doen toch alles in een hurry. Met Werner zat het dus zo ...
Zoals u wilt. Op het rijtje af. Waar waren we gebleven? Ja, affaire. Komt uit het Frans, heeft Werner me verteld. Daar betekent het ‘zaak’. Past goed bij wat ik met Rainer had. Het was een faire zaak. Hij heeft me aan een rol geholpen en ik heb hem ... [Gelach, gehoest]
Vreselijk, dat gehoest. Geef me eens een vuurtje. Vroeger gaven ze een dame automatisch een vuurtje. Dat waren andere tijden.
[Pauze]
Ik had toen een contract met de ufa ... Niets groots, geen eigen kleedkamer of zo. Maar wel ufa. Alleen vanwege het geld had ik net zo goed bij Berghäuser ...
Dat is een verdomd onbeleefde vraag. Waarom? Omdat ik talent had, daarom. Omdat ik goed te filmen was, van alle kanten. Ook mijn gezicht, toen. Alleen de echt goede contacten ... Ik was tenslotte nieuw in de branche.
Als ik bijvoorbeeld met Walter Arnold naar bed was gegaan ... Ik heb het geprobeerd. Nu kan ik het wel zeggen. Een oude vrouw mag alles zeggen. Ik zou er ook geen moeite mee gehad hebben. Een aantrekkelijke man. Uiterlijk. Toen wist ik nog niet wat hij ... Toen was ik nog naïef.
Eén keer zijn we zelfs gaan dansen, heel officieel. Walter Arnold en ik. Een liefdadigheidsbal. Winterhulp of wat je toen ... Kleinpeter had dat ... De productieleider. Een jurk had ik aan, daar droom ik nu nog van. Topklasse. Naar zoiets zouden ze bij Berghäuser ... Alleen geleend natuurlijk. Kleinpeter had overal contacten.
Het was de bedoeling ... Ze moesten ons samen zien. Fotograferen. Ik kan me nu nog voor mijn kop slaan dat ik dat tijdschrift niet meer heb. Für die Frau. Een grote foto en daaronder ... ‘Het nieuwe droompaar?’ Wel met een vraagteken, maar toch. Droompaar. Walter Arnold en Tiziana Adam. Een grote foto. Dat was het soort roddel dat ze op de pr-afdeling ...
Hij was de perfecte gentleman. Zolang we daar waren. Champagne en bonbons en de hele mikmak. Kusjes. Danste als een engel. [Neuriet het begin van een wals] Ze hadden kunnen denken ... Ze moesten ook denken.
Naderhand ... Niet eens thuisgebracht. Laat staan ... Helemaal niets. Hij heeft een taxi voor me besteld. Die mocht ik ook nog zelf ... In elk geval heeft Kleinpeter die vergoed. Als dienstrit.
Als u het mij vraagt: bij Walter Arnold was alles altijd alleen maar schijn. Ook zijn verleidingskunsten. Een vrouw voelt dat. Een rol. Zolang de camera draaide, was hij ... Of als er een fotograaf in de buurt was. Maar verder? Allemaal schijn. En daarachter ... Ik zou u dingen kunnen vertellen ...
Hebt u sigaretten? De mijne zijn op.

Manuscript Samuel A. Saunders

De herinneringen van Tiziana Adam moesten in mijn proefschrift een kleine aanvulling worden op de droge feiten. Iemand die de mensen nog persoonlijk had gekend.
De grote namen, voor zover ze nog leefden, waren allemaal al uitgemolken. Duizend keer geïnterviewd. Titi nog niet. Juist omdat ze geen ster was geweest, zelfs geen starlet, bestond de kans om via haar een nieuwe kijk op personen en gebeurtenissen te krijgen. Niet betrouwbaar natuurlijk – oral history is zelden echt betrouwbaar – maar interessant.
Bovendien, dat beweerden de collega’s van het Murnau-Archief tenminste, was ze een ijverig verzamelaarster van spullen uit die tijd. Het was ongelooflijk wat ze allemaal had bewaard, zeiden die twee enthousiast, een ware goudmijn voor filmhistorische ontdekkingen. Eerst nam ik dat niet serieus, ik was er vast van overtuigd dat ze weer een geintje met me uithaalden. Een muur vol oude portretten van sterren is geen materiaal voor wetenschappelijk onderzoek.
Totdat Titi me haar schatten liet zien. Niet meteen, pas toen ze na een aantal interviews vertrouwen in me had gekregen.
In haar kleine woning boven de kroeg stonden stapels bananendozen vol herinneringen. Het meeste was waardeloze rommel, dingen die ze alleen bewaarde om zichzelf te bewijzen dat ze inderdaad ooit actrice was geweest. Maar er zat ook allerlei verrassends bij. Een originele oude ufa-filmklapper, de naam van de film die er ooit op had gestaan, was met een scherp voorwerp weggekrast. Een pistool, dat ze uit mijn handen rukte toen ik het wat beter wilde bekijken. ‘Het is nog geladen,’ zei ze. Tot op de dag van vandaag weet ik niet of dat strookte met de waarheid of alleen met haar gevoel voor dramatiek. Het wapen deed het in elk geval wel, dat is later op tragische wijze gebleken. ‘Een Walther P38,’ zei ze. Uit haar mond klonk die vakterm vreemd, maar ze leek trots te zijn dat ze hem kende.
En documenten. Verscheidene waspoederdozen vol papieren. Toen ik ze eindelijk mocht lezen – alleen bij haar thuis, meenemen mocht ik niets – moest ik steeds weer niezen van de geur. Ik kon het eerst bijna niet geloven, maar bij die opgewonden oude dame had ik iets ontdekt waar elke wetenschapper van droomt: een informatiebron die nog door niemand was gebruikt. En, wat het belangrijkste was, een verhaal dat veel interessanter was dan alleen een chronologie van de bij de ondergang van het Derde Rijk nog onvoltooide films en de medewerkers ervan.

Interview met Tiziana Adam
(6 augustus 1986)

Het was geen grote rol. Eerst niet. Toen werd hij steeds groter en op het eind ... Op het eind was er helemaal niets meer. Niet voor mij. Het is een lang verhaal.
Hebt u sigaretten meegebracht? Je mag het er best eens van nemen als iemand anders betaalt.
[Gelach, gehoest]
Het heeft geen zin om me op mijn rug ... Dat haalt helemaal niets uit. En trouwens: hoe meer je hoest, hoe minder je rookt.
Lied der Freiheit heette de film. Regie: Reinhold Servatius. Draaiboek: Frank Ehrenfels. Zou u eigenlijk moeten kennen, meneer de wetenschapper. Dat is toch een van de films die u ... Niet voltooid.
Er zijn een hoop dingen die op geen enkele lijst staan en toch ... Lied der Freiheit, ja. Song of ... Wat Freiheit in het Amerikaans ook mag zijn.
Liberty. Zoals jullie schepen in de oorlog. Song of Liberty. Eigenlijk moest het zo’n historische draak ... Oorlog tegen Napoleon, heldhaftige dood van de publiekslieveling, algemene ontroering. Alles op kamerspelformaat. Geen scènes van veldslagen en zo. De oorlog duurde al een paar jaar, toen was het soldaat-zijn niet meer zo ... Niet meer in trek bij het publiek. Op het eind wordt zijn lijk het kasteel binnengedragen en de rijksklaagvrouw ...
Ik dacht dat u op de hoogte was. De rijksklaagvrouw, dat was Maria Maar. Die is u toch wel ...? Nu goed. Dat was haar bijnaam. Je had de rijksdrenkeling, dat was Kristina Söderbaum, en de rijksklaagvrouw, dat was dus Maar. Omdat de een zo mooi kon sterven en de ander ... Maria Maar huilde op commando, de grimeur hoefde niet eens met glycerine ...
Lied der Freiheit. Misschien zouden ze de naam ook nog wel veranderd hebben, net als de rest. In de laatste dagen liep er veel in het honderd.
Op het rijtje af, ja, ja, ja. U valt me toch zelf de hele tijd in de rede.
Oorspronkelijk moest het een pure studioproductie worden. Studio 2, niet de hele grote. Een kleine film, zonder massascènes. Behalve die ene waar de soldaten in de zaal van het kasteel ... Ze eisen van de hertog dat hij hen het strijdperk in ... Van de groothertog!
Dat was ook zoiets. Typisch. In het allereerste draaiboek was het nog een gewone hertog. Maar toen heeft iemand ... Zo’n kantoorpik van de afdeling drama. Die heeft ontdekt dat je alleen een groothertog met ‘Koninklijke Hoogheid’ aanspreekt, terwijl een gewone hertog ... Dus werd hij bevorderd. We mochten de verandering niet zelf in de tekst schrijven, in alle draaiboeken moesten de betreffende scènes opnieuw ... Voor dat soort onzin hadden ze toen nog tijd. En materiaal. Terwijl papier al ... Aan alles was gebrek. Op de wc’s bijvoorbeeld ...
O ja, als u morgen verder wilt gaan ... Als het echt zo belangrijk voor u is ... Breng dan alstublieft twee pakken wc-papier mee. Ik sjouw me telkens een breuk aan dat spul. Ik geef u mijn klantenkaart van Cash & Carry en daarmee ... U kunt ook voor uzelf ... Dat bespaart u een hoop geld. Het zijn wel allemaal grote pakken. Maar als u het samen met uw collega’s doet ...
Ja, ja.
Lied der Freiheit. Walter Arnold was de jonge hertog ... groothertog. Zo’n Hamlet-imitatie voor armelui. In het eerste bedrijf waggelt hij maar wat rond, zo van ‘We maken toch geen kans’. In het tweede besluit hij te vechten en in het derde ... Komt hij als lijk thuis. Daar staat tegenover dat Napoleon is verslagen en Duitsland eindelijk weer ... Je hoeft je niet lang af te vragen waarom ze zo’n verhaal ... in 1944.
Dus: Walter Arnold, Maria Maar als oude groothertogin, Augustin Schramm als hofmaarschalk en ... Schramm kent u toch wel? Precies. Die was in die tijd zogezegd onvermijdelijk. ‘Als de ufa twee films maakt, speelt Schramm in alle drie mee.’ Dat was toen de kantinegrap. Altijd dezelfde rol: de vrolijke dikzak met het hart van goud. Leeft ook al niet meer, de stakker. Ik zou wel naar zijn begrafenis ... Helemaal niet zo ver weg. In Frankfurt. Ik heb het te laat ... Je verloor elkaar uit het oog. De kaart met zijn handtekening hangt daarginds. Links van de ronde tafel. Met een persoonlijke opdracht. Ook een foto die u niet hebt herkend.
De anderen weet ik niet meer. Die waren alleen bij de eerste repetitie ... En nadat er brand in de studio was geweest ...
Ja, ja. Hoewel: u zou me ook gewoon kunnen laten vertellen. En de dingen zelf op een rijtje zetten. Naderhand. Maar zoals u wilt. Alleen nog even een sigaret ...
[Pauze]
Mijn rol? In het begin alleen kamenierster van de groothertogin. Later ...
Ja, ja.
Ik geef toe dat het geen hoofdrol was. Niet iets waarvoor je de gouden filmspeld ... Maar voor mij was het dé kans. Ik had in elk geval drie scènes met Maria Maar, alleen wij tweeën. Natuurlijk, zij had de hele tekst en ik steeds alleen de komkommerschijfjes.
Komkommerschijfjes. Kent u die uitdrukking niet? Wat je ook nog tussen een sandwich legt om te zorgen dat het vlees niet zo alleen is. Korte zinnetjes. Van die flauwekul die ze er bij de montage ... Omdat het voor de handeling niet belangrijk ... ‘De jurk met de zijden linten, Koninklijke Hoogheid?’ en dat soort dingen. Komkommerschijfjes dus. Maar in elk geval: een dialoog met Maria Maar. Dat was niet niks, voor een beginnelinge. Ik kon mezelf tenminste laten zien. Alleen het kostuum dat ze voor me op het oog hadden ... Net een non. Een veel te lange rok. Alsof ik iets moest verbergen. Terwijl ik heel mooie benen had. Die heb ik nog steeds. Mijn benen zijn het enige wat er nog wezen mag. Wilt u ze zien?
Wat schattig. Het jochie is geschrokken. Ben je bang dat de boze oma je wil versieren? [Gelach]
Op de kostuumafdeling zeiden ze dat een kortere rok niet in stijl zou zijn. In stijl, lieve hemel! Alsof ook maar één toeschouwer ... Je gaat toch niet naar de bioscoop om een lesje kostuumkunde te krijgen. Weer eens iets leuks zien, daarvoor ... Als Marika Rökk in haar films lange jurken had gedragen, had geen hond naar haar gehuppel willen kijken. Maar er was niets aan te doen. Dat was mijn kostuum en daarmee basta. Ik was echt blij toen het ... Niet bij de brand in de studio. Bij die andere brand. Toen we op weg ...
Nee, dat zeg ik nog niet. U wilt toch dat ik op het rijtje af ...
Drie scènes met Maria Maar. Wat van ons in zekere zin collega’s ... Maar ze behandelde me als een stuk vuil. Altijd zo uit de hoogte. Alsof ze een verrekijker nodig had om een nul als ik zelfs maar ... Ik heb het geprobeerd. Ik heb het echt geprobeerd. ‘Het is voor mij een grote eer om samen met u voor de camera te mogen staan, mevrouw’, dat soort dingen. Maar zij? Uit hoge hemel daal ik neer.
En toen heb ik er een potje van gemaakt. Mijn god, ik was jong en onnozel. Jong ben ik niet meer, maar wel onnozel.
U mag me gerust tegenspreken.
Maar ik heb echt ... Nee, dat vertel ik morgen. Als u het wcpapier ... Twee grote pakken. Dubbellaags, dat is genoeg. De mensen moeten bij Titi komen om te drinken en niet om te schijten.

Pagina uit het draaiboek Lied der Freiheit
(1e versie)

Privékabinet van de groothertog. Binnen. Dag.

De groothertog achter zijn met papieren bezaaide bureau. Hij bestudeert een document. Hofmaarschalk Wackerstein wacht in onderdanige houding.
De groothertog doopt zijn pen in de inktpot, wil tekenen, aarzelt. Steunt nadenkend met zijn hoofd in zijn hand.
Wackerstein kucht manend.
De groothertog schrikt op uit zijn gedachten. Tekent het document, geeft het aan Wackerstein.
Wackerstein pakt het document met een diepe buiging aan.

wackerstein
Koninklijke Hoogheid ...

Wil zich achterwaarts verwijderen. Wappert intussen met het document om de inkt te drogen.

groothertog
Zeg eens, Wackerstein ...

Wackerstein blijft staan.

wackerstein
Koninklijke Hoogheid?

groothertog
Zeg eens, begrijpt u Napoleon?

wackerstein
Met uw welnemen, Koninklijke Hoogheid, ik begrijp hem heel goed. Ik durf zelfs te beweren dat ik me verwant met hem voel.

groothertog
(verrast)
Verwant? Kunt u die verwantschap verklaren?

wackerstein
Zeer zeker, Koninklijke Hoogheid. Ik drink graag een goed glas wijn en Napoleon is volgens mij een zuiplap. Maar dan een die zich niet bedrinkt aan wijn, maar aan veldslagen. En zoals iedere zuiplap kan hij niet op tijd ophouden. Dat is het moment waarop hij begint te aarzelen. Als je hem op dat moment

Interview met Tiziana Adam
(7 augustus 1986)

U kunt dat ding meteen weer uitzetten. Ik heb vandaag ... Geen zin. Geen fut. Ik ben geen jonge meid meer.
Nee, echt. Vandaag niet. We hebben tenslotte geen contract ...
Wc-papier? Wat interesseert mij ...? Aha. Voor uw rekening? Weet u wat dat is? Dat is een kutloon.
[Gelach]
Een kutloon. Snapt u? Zijn eigenlijk alle Amerikanen zo humorloos?
Nou goed. Maar vandaag niet zo lang. Ik ben moe. Waar moet ik over ...?
De domheid die ik toen ...? Domheid is een understatement. Dat was zoiets ... Als er voor stompzinnigheid Olympische Spelen waren, had ik de gouden medaille ... Met eikenloof en zwaarden. Ik was nog zo vreselijk jong. Achteraf kun je niet geloven hoe jong je ooit bent geweest. Dat zult u ook nog wel ...
Het was omdat Maria Maar zo neerbuigend ... Alsof ik echt haar kamenierster was, niet alleen in de film. Op een keer heeft ze me in bijzijn van iedereen ... Omdat ik het had gewaagd in de studio een seconde op haar persoonlijke stoel te gaan zitten. Ze heeft me uitgekafferd, dat kunt u zich niet ... Alsof ik op z’n minst een altaar had ontwijd ... Op een portret van Hitler had gespuugd.
Tegen belangrijke mensen deed ze dan weer poeslief. Als iemand politieke invloed had of contacten met de top, dan ... Een glimlach als Turkse honing. Bestaat dat eigenlijk nog? Dat kleverige spul dat je niet meer uit je kiezen krijgt?
Stom van me. Dat kunt u helemaal niet kennen. U bent een Amerikaan.
Schramm bijvoorbeeld ... Tegen hem zat ze altijd te glimlachen. Omdat van hem bekend was ... Hij hoorde bij een zuipclub van superbelangrijke mensen. Allemaal hoge pieten en partijbonzen. Voor hen was hij een soort hofnar, geloof ik. Hij hing de komiek uit en mocht in ruil daarvoor bij hun vriendenavondjes ... Voor de kinderen was er amper nog melk, maar voor de heren ... Champagne als water. Als Augustin met hen had zitten zuipen, was hij de volgende ochtend altijd ... Bij de grime wisten ze niet hoe ze weer een mens van hem ... Terwijl hij geen doorgewinterde nazi was. Niet donkerbruin. Absoluut niet. Lid van de partij, natuurlijk. Dat waren ze allemaal. Dat moest je toen gewoon ... Maar verder ... ‘Ik ben geen groot acteur,’ heeft hij eens tegen me gezegd. ‘Maar ik kan met iedereen goed overweg. Dat is het belangrijkste in ons vak.’
U wilt toch dat ik de dingen uitleg.
Omdat Augustin dus de goede contacten had, ging Maria Maar bij hem op de charmante toer. Maar tegen mij ... Toen dacht ik bij mezelf: ik moet zorgen dat ze van mij ook denken dat ik belangrijk ben. En in het begin werkte dat ook. Totdat ...
Kunnen we niet morgen ...? Ik mis mijn schoonheidsslaapje. Gisteren zaten ze hier weer eens ... Tot in de kleine uurtjes. Soms moet je als caféhoudster een glas meedrinken, anders zijn ze beledigd.
Nou goed. Geef me nog eens een vuurtje, en dan ... Laten we het maar afmaken.
[Pauze]
Ik heb van die toespelingen gemaakt. Af en toe een opmerking laten vallen, quasi per ongeluk. Dat ik een aanbidder had, een heel belangrijke man, ook voor de ufa. Die zou me vooruithelpen. Had me rollen beloofd. De anderen zouden nog wel zien. Dat maakte hen natuurlijk happig. Ze wilden steeds meer ... Zaten me compleet uit te horen. En ik maar: discretie en verplicht tot geheimhouding en ik zeg niets. Wat de mensen nu eenmaal nieuwsgierig maakt.
Het werkte ook uitstekend. Maria Maar werd poepvriendelijk. Die kon switchen, al naar het haar uitkwam.
Maar toen heb ik het ... Overdrijving is de grootste fout. Ik was nu eenmaal nog geen ervaren actrice. Ik ben het ook niet meer geworden. Heb niet meer de kans ... Het talent had ik gehad, dat hebben veel mensen tegen me gezegd. Vakmensen.
Mijn beschermer, vertelde ik met mijn stomme kop, hinkte wel een beetje, maar dat maakte hem alleen maar ... Als het om films ging, had niemand zoveel in de melk te brokkelen als hij. Een naam heb ik niet genoemd, zo achterlijk was zelfs ik niet, maar de anderen dachten natuurlijk ...
U kunt wel raden wat de anderen dachten.
Goebbels. Zo’n stomme koe was ik.
Eigenlijk hoort dit niet bij uw onderwerp. Voor uw proefschrift hebt u er niets aan. Kunnen we het niet gewoon ...?
Ik zou echt liever hebben dat we ...
Ja, ja. Als het per se moet. Maar dan gaat u morgen nog wel een keer voor me naar Cash & Carry.
Midden in de nacht ging bij mij de telefoon. Ik had toen een leuke kleine woning. Schlüterstraße, hoek Mommsenstraße. Die had zo’n warenhuisfiguur voor me ingericht die ik bij Berghäuser ... Vanwege een slecht geweten, omdat hij zijn vrouw toen toch niet ... De slaapkamer helemaal in lichtroze slijplak. Ik lig in bed en daar komt een telefoontje. Midden in de nacht. Vroeg in de ochtend. Tegen vieren. Een man, die zich niet voorstelde, geen naam noemde, helemaal niets, maar meteen vragen begon te stellen. Steeds weer dezelfde vragen. Hoe dat zat met mijn vriend, wanneer ik hem voor het laatst had gezien en wat hij zoal deed. Allemaal van dat soort vragen. En op de achtergrond ... Mannen die lachten. Op een heel grove manier lachten. Ik deed het in mijn broek van angst. Dat is niet zomaar een manier van spreken, ik heb me echt ... Schrijf dat maar liever niet in uw proefschrift. Ik heb me ondergeplast. Omdat ik dacht: Nu is het afgelopen. Nu kun je alleen je tandenborstel nog inpakken en wachten tot ze je ...
Wat is dat voor oerstomme vraag? ‘Alleen vanwege een telefoontje?’ Natuurlijk vanwege een telefoontje. U hebt niet in die tijd geleefd. U kent zoiets niet. Ik had een verhaal over Goebbels verzonnen, dat was in die tijd erger dan moord en doodslag. Dan kon je net zo goed meteen een grap over de Führer ... Zeggen dat de oorlog niet te winnen viel.
Ik probeerde me er natuurlijk uit te praten. Ging op de naïeve toer en deed alsof ik absoluut niet begreep waar hij over ... Ik had helemaal geen vriend, ik zou niet eens aan mannen denken, door het filmwerk had ik daar helemaal geen tijd voor. Die man geloofde me niet, dat merkte ik heel duidelijk, hij werd heel streng en zei dat hij ook uit een ander vaatje ... Dat dit niet de laatste keer was dat ik van hem hoorde, daar kon ik van op aan, beslist niet de laatste keer. Toen hing hij op.
‘En toen? En toen?’ Wat moet dat stomme gevraag? En toen niets. Kort daarna was ik immers niet meer in Berlijn. Ik ben mijn huis uit gevlucht. Nog dezelfde dag. Heb alles achtergelaten. Lichtroze slijplak, dat was toen het chicste wat je kon hebben. En in de woonkamer twee stoelen met echt damast. Bijna echt. Ik heb één koffertje meegenomen, verder helemaal niets.
Naar mijn vriend. Mijn ex-vriend. We waren ... Ik zal maar zeggen: uit elkaar gegaan. Ik ben bij hem weggelopen. Maar hij was nog altijd ... Verliefd als een schooljongen. Hij vroeg helemaal niets toen ik met mijn koffertje ... Hij zei alleen: ‘Als ik had geweten dat je kwam, had ik het bed verschoond.’
Nee, ik dacht niet dat ze me bij hem niet ... Ik was niet helemaal achterlijk. Aangezien ze me in de studio ... Het was iets anders. Thuis had ik niet meer rustig kunnen slapen. Ik zou constant bang geweest zijn dat de telefoon weer ... Werner had geen telefoon.
Werner Wagenknecht. Die het draaiboek van Lied der Freiheit heeft geschreven.
U hoeft niet in uw aantekeningen te kijken. Ik weet dat ik een andere naam heb genoemd. Frank Ehrenfels. Dat is Werner.

Uitdraai van Wikipedia

Werner Wagenknecht


Werner Wagenknecht (* 31 mei 1898 in Furstenwalde; õ 20 april 1945 in Kastelau) was een Duits auteur en scenarioschrijver.

Biografie [bewerken]


Jeugd. en oorlogsjaren (1898-1918) [bewerken]
Werner Wagenknecht werd op 31 mei 1898 in Furstenwalde/Spree geboren als zoon van de postbeambte Othmar Wagenknecht en zijn vrouw Sophie. Zijn vader stierf jong, een ingrijpende gebeurtenis, die Wagenknecht later verwerkte in een autobiografische roman. Wagenknecht bezocht het Stedelijk Gymnasium in Furstenwalde (thans Geschwister-Scholl-Gymnasium), dat hij in 1916 afsloot met een noodexamen. Hij werd opgeroepen voor militaire dienst, maar diende vanwege zijn zwakke gestel alleen op een kantoor. Na de oorlog begon hij aan een studie germanistiek aan de Humboldtuniversiteit te Berlijn. Hij verliet de universiteit zonder diploma.

Literair begin (1919-1924) [bewerken]
Wagenknechts eerste gedichten vertonen nog sterk expressionistische trekken, beinvloed met name door Georg Trakl. Al spoedig stapte hij over op proza en een steeds realistischer schrijfstijl. Verspreid in tijdschriften gepubliceerde korte verhalen vonden nog niet veel weerklank. Wagenknecht voorzag in zijn levensonderhoud met het schrijven van tussentitels voor stomme films.

De tijd van de successen (1925-1933) [bewerken]
Met de roman Kommando Null (1925), een bittere afrekening met de zinloosheid van de oorlog, werd Wagenknecht op slag bekend bij een groter publiek. Het boek werd – bijvoorbeeld door Carl von Ossietzky in de Weltbühne – enthousiast besproken, deels echter ook om politieke redenen scherp aangevallen. Bij de uitreiking van de Boekenprijs der pacifisten kwam het zelfs tot ongeregeldheden.
Wagenknecht was nu in staat zich geheel aan het schrijven te wijden. Aanvankelijk lukte het hem echter niet met verdere werken aan te sluiten bij het succes van zijn debuut. Het zeer persoonlijke Zu zweit allein werd door de kritiek weliswaar welwillend besproken, maar bereikte geen hoge oplage.
Daarom werkte hij tegelijkertijd als scenarioschrijver, vooral voor de UFA, een bezigheid die hij eens typeerde als ‘dagen aan de lopende band’. Met de opkomst van de geluidsfilm werd vooral zijn talent voor levensechte dialogen steeds gewilder. Wagenknecht schreef draaiboeken voor verscheidene succesvolle films.
Met de roman Stahlseele (1930) had hij opnieuw veel succes. Het sociaalkritische werk schildert het moeizame leven van een Berlijnse arbeidersfamilie in de jaren van de economische wereldcrisis en de inflatie. De hoofdfiguur, de oud-soldaat Manni Trost, verliest zijn baan in een kabelfabriek (waar – vandaar de titel van het boek – kabels met een stalen binnenwerk worden geproduceerd) en zakt steeds verder weg in de ellende. Hij maakt zich schuldig aan een strafbaar feit, treedt ten slotte, uit wanhoop, niet uit overtuiging, toe tot een SA-afdeling en komt bij een straatgevecht om het leven. De negatieve slotsom van het boek, vooral de laatste woorden van de hoofdfiguur (‘Zinloos! Het was allemaal zinloos!’) leidden tot verbitterde protesten van de kant van de nationaalsocialisten, die echter niet konden verhinderen dat het boek een succes werd.

Tijd van het nationaalsocialisme (1933-1945) [bewerken]
Na de machtsovername door de nationaalsocialisten werd Werner Wagenknecht persona non grata. In het kader van de actie ‘Tegen de on-Duitse geest’ werden zijn boeken op 10 mei 1933 publiekelijk verbrand.
Omdat Wagenknechts werk was geclassificeerd als ‘schadelijk voor het volk’, werd hem het lidmaatschap van de Rijksschrijverskamer geweigerd, wat een totaal publicatieverbod inhield. Hoewel hij om dezelfde redenen ook geen lid van de Rijksfilmkamer kon worden, bleef hij onder verschillende pseudoniemen (Werner Anders, Anton Helfer e.a.) draaiboeken voor de UFA schrijven. Verscheidene mogelijkheden om te emigreren (o.a. door bemiddeling van Lion Feuchtwanger) wees Wagenknecht van de hand, en hij bleef tot kort voor het einde van de oorlog in Berlijn. Onder tot op heden onopgehelderde omstandigheden stierf hij tijdens de opnamen van een ufa-productie in Kastelau (Beieren).

Nawerking [bewerken]


Werner Wagenknechts boeken zijn tegenwoordig grotendeels vergeten. Van zijn romans werd na de oorlog alleen Stahlseele opnieuw uitgegeven, dat echter geen aandacht kreeg. Zijn dagboeken, die hij ooit ‘mijn belangrijkste werk’ noemde, zijn niet bewaard gebleven.

Werk [bewerken]

a) Boeken

  • Ende und Anfang, gedichten, 1919
  • VerSuche, gedichten, 1920
  • Der Uhrwerk-Mann, korte verhalen, 1922
  • Kommando Null, roman, 1925
  • Zu zweit allein, herinneringen, 1927
  • Quadratische Kreise, korte verhalen, 1928
  • Stahlseele, roman, 1930

b) Filmscenario’s

  • Endlose Straße, 1926
  • Ich und du, 1927
  • Wenn es Mai wird, 1929
  • Kinder, Kinder, Kinder, 1930
  • Sein bester Freund, 1931
  • Zapfenstreich, 1932
  • Dr. Fabrizius, 1932
  • Solang die Fahne weht, 1935 (als Werner Anders)
  • Fahrt ins Glück, 1937 (als Werner Anders)
  • Staatsaffäre, 1938 (als Heinrich Haase)
  • Die eiserne Faust, 1941 (als Anton Helfer)
  • Warum nicht?, 1942 (als Anton Helfer)
  • Aufstand im Puppenhaus, 1943 (als Anton Helfer)

[Deze lijst is onvolledig. Help Wikipedia door hem aan te vullen.]

Dagboek Werner Wagenknecht
(Oktober 1944)

Ik ben te oud voor haar. Ze interesseert zich niet echt voor me. Ze heeft geen van mijn boeken gelezen. Ze leest helemaal geen boeken.
Ze zal me ongelukkig maken.
Ik hou van haar.
Ik weet niet hoe ze die drie zware koffers op de vierde verdieping heeft gekregen. Als Titi iets wil, speelt ze het klaar. Ze stond daar gewoon en trok het kleinemeisjesgezicht dat ze altijd trekt als ze iets heeft uitgespookt. Haar wees-niet-al-te-streng-voor-me-gezicht. Op een keer heeft ze mijn allerlaatste sigaretten opgerookt, terwijl ze weet dat er haast geen meer te krijgen zijn, en toen trok ze net zo’n gezicht. Ze weet dat ze schattig is en maakt daar schaamteloos gebruik van.
Ze is zo schattig.
‘Als ik had geweten dat je kwam ...’ zei ik in de eerste verrassing en zij maakte de zin af: ‘... dan had je het bed verschoond, hè?’
Natuurlijk zijn we in bed beland en natuurlijk heb ik op alles ja en amen gezegd. Zelfs daarin is ze niet eerlijk. Ik weet dat ik niet zo’n goede minnaar ben als ze me wil laten geloven.
Ze liegt tegen me, maar ze doet dat op een onweerstaanbare manier.
Ik weet dat ze weer bij me weg zal gaan. Net als de vorige keer. ‘Ze heeft mijn hart gebroken’ wordt er gezegd, maar dat is een dom cliché. Harten zijn van elastiek.
Ze zal het weer doen.
Toen – ze zou het nooit toegeven, maar ik maak mezelf niets wijs –, toen heeft ze zich alleen met me ingelaten omdat ze nog geen verstand had van de filmbranche. Omdat ze serieus dacht dat de scenarioschrijver de belangrijkste man in de studio was en ook de bezetting kon bepalen. Alleen dat maakte mij aantrekkelijk voor haar. Ze heeft ontdekt wie er achter het pseudoniem schuilgaat en is bij me binnengevallen. Ze wilde met me over haar rol praten, zei ze, terwijl ze alleen die ene zin had. Ze was zo leugenachtig. Zo naïef. Zo fantastisch. Ze wilde echt in mijn bed grotere rollen bij elkaar vrijen. Toen ze merkte dat ze op het verkeerde paard had gewed, was ze meteen weer vertrokken. We leven in zakelijke tijden.
Maar het waren de twee mooiste maanden van mijn leven. Nee, niet de mooiste. De opwindendste. Ik ben nog geen oude man, maar als je tegen de vijftig loopt, denk je altijd: het zou de laatste keer kunnen zijn. Ik was verliefd als een schooljongen. Dat ben ik nog steeds.
Deze keer zal het waarschijnlijk maar twee weken duren. Als ze van de schrik bekomen is, zal ze iemand zoeken aan wie ze meer heeft.
Ik geloof niet dat de Gestapo haar heeft gebeld. Die bellen niet op. Die laten je naar de Prinz-Albrecht-Straße komen of staan in hun leren jas meteen voor je deur. En zelfs als Goebbeles van het verhaal had gehoord ... (Goebbeles. Nogal zielig om op die goedkope manier de spot met hem te drijven. In een dagboek dat nooit iemand zal lezen. Wat ben ik toch dapper.) Zelfs als – dan had hij haar niet zijn wraakgoden op haar dak gestuurd. Hij was waarschijnlijk nog trots op het gerucht geweest ook, de bok van Babelsberg. Hij had misschien geprobeerd er werkelijkheid van te maken, voor een nacht of twee.
Ik geloof dat ik word bedoeld met de vriend naar wie ze vroegen. Het is geen waterdicht geheim dat ik onder pseudoniem draaiboeken schrijf. Misschien dat iemand een wit voetje wil halen. Maar dat zeg ik niet tegen Titi, anders wordt ze bang en pakt ze meteen weer haar koffers.
Elke dag met haar is kostbaar.
Als het kon, zou ik alle liefdesscènes in mijn draaiboeken achteraf herschrijven. Ik vind ze nu allemaal zo bloedeloos. Toen kende ik Titi nog niet. Ze had me nog niet laten zien wat je allemaal kunt doen met twee handen en een mond en ...
En dan komt de dramaturch [sic] en die streept alles weer door. Ook in je dagboek moet je niet kitscherig worden.
Titi.
Ze heeft er de pest aan als ik haar zo noem. Ze wil Tiziana worden genoemd en is vreselijk trots dat ze inderdaad zo heet. Maar het titiaanrode haar waarmee ze geboren is en waaraan ze die voornaam te danken heeft, heeft ze allang geblondeerd. Ze wil net zo zijn als alle anderen, maar tegelijk iets heel bijzonders.
Je bent zo jong, Titi.
Ik weet dat het niet eeuwig zal duren.
Het kan me niets schelen.
Ik ben te lang alleen geweest.

 

Auteursportret © Reyer Boxem

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum