Leesfragment: Alles van elkaar

27 november 2015 , door Leon Verdonschot
| |

28 januari wordt Leon Verdonschots romandebuut Alles voor elkaar in CREA gepresenteerd. Wij publiceren voor. 'Chemotherapie. Zo had Ramon zijn behandeling één keer genoemd, daarna was hij het gaan afkorten tot "chemo", een term die ons al snel net zo vertrouwd was geworden als de kanker zelf. Dat woord had aanvankelijk nog een zeer onaangenaam fysiek effect op ons gehad; het deed ons allemaal even verstijven, als het piepen van een remmende auto met versleten remblokken. Daarna waren kanker en chemo ons dagelijks vocabulaire ingegleden, als een onafscheidelijk, niet apart van elkaar te boeken duo.'

Drie jeugdvrienden reizen af naar Thailand. Om daar dertig jaar vriendschap te vieren, en om hun jeugdheld te zien optreden. Maar als blijkt dat op de vooravond van vertrek een nieuwsgierige geliefde zich toegang heeft verschaft tot mails die niet voor haar ogen zijn bedoeld, gaat er een doos van Pandora open. Twee van de drie vrienden blijken te zijn verwikkeld in een wedloop waarin ze systematisch de grenzen van hun vriendschap verleggen. En overschrijden. In de tropische hitte en ver weg van huis komen jaren kameraadschap tot een kolkend hoogtepunt. Met Alles van elkaar schreef Leon Verdonschot een rauwe roman over vriendschap, seks en loyaliteit. 

Leon Verdonschot (1973) schrijft voor onder meer Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer en is columnist bij Nieuwe Revu. Van zijn hand verschenen onder meer de boeken Pushing the limitsDenvis en Hart tegen hart, dat werd bekroond met de Pop Pers Prijs. Alles van elkaar is zijn eerste roman.

Lees het eerste hoofdstuk bij Uitgeverij Thomas Rap.

 

2

Het was nota bene Martin zelf geweest die het had gezien. Dat hij weer ging toeren. Robert Tepper. Eind december, in Azië. De eerste show was net voor kerst in Singapore, de laatste net na oud en nieuw in Chaweng, op het eilandje Koh Samui. Daar moesten we heen, vond Martin, met z’n drieën. ‘Mannen, dit gaan jullie niet geloven.’
Tepper had in de jaren tachtig een hitje gehad met ‘No Easy Way Out’, op de soundtrack van Rocky iv, en daarna nog met een nummer dat op de soundtrack stond van Cobra, eveneens met Sylvester Stallone. Al snel was hij in de vergetelheid geraakt, en na een tijdje was hij ook opgehouden met optreden. Tot nu dus. Martin en ik wilden gaan. Ramon niet. Hij zat krap bij kas, en hij vond het een belachelijk plan. Met dat laatste waren Martin en ik het eens, maar dat was volgens ons geen reden om níet te gaan.
Dus we boekten. Ook voor Ramon, zonder dat hij het wist.
Chemotherapie. Zo had Ramon zijn behandeling één keer genoemd, daarna was hij het gaan afkorten tot ‘chemo’, een term die ons al snel net zo vertrouwd was geworden als de kanker zelf. Dat woord had aanvankelijk nog een zeer onaangenaam fysiek effect op ons gehad; het deed ons allemaal even verstijven, als het piepen van een remmende auto met versleten remblokken. Daarna waren kanker en chemo ons dagelijks vocabulaire ingegleden, als een onafscheidelijk, niet apart van elkaar te boeken duo: hedenavond in dit theater, Chemo & Kanker, aanvang 20:15 uur.
Het leek zelfs alsof er enig genoegen zat in de herhaling van die termen, alsof ze daarmee onschadelijk werden gemaakt. Herhaal ze net zo lang tot ze geen pijn meer doen, en er dus niet meer zijn – zoiets. Terwijl dat spul daar naast Ramon, dat in die zakken, dat waarvan we niet wisten wat het precies was, inhield of deed, tegelijk de laatste als de meest drastische optie inhield. Het was een oorlogsverklaring aan Ramons lichaam, en daarmee tegelijk aan zijn ziekte. Redden door te vernietigen – dat was wat hier gebeurde.
Ramon was fysiek de meest robuuste van ons drieën. Dat was hij altijd geweest ook, al op de lagere school. Hij had ‘zware botten’, zei hij toen zelf. Hij was groot, zwaar, sterk en voor niets of niemand bang. Wanneer Ramon iets níet deed, was dat omdat hij het onverstandig vond, of niet ‘rendabel’ of ‘productief’, of vanwege de meest voorkomende reden: omdat hij het niet had ingepland. Maar nooit uit angst, en zeker niet uit angst voor anderen.
Ik had zelf op de lagere school één keer gevochten. Ik had verloren. Twintig jaar later zag ik mijn rivaal terug in een documentaire over reclassering. Hij bleek zo ongeveer zijn hele naschoolse leven in de gevangenis te hebben doorgebracht. Ramon schrok ervan. Ik niet. ‘Goed zo,’ was mijn eerste reactie. ‘Hopelijk zit hij er de rest van zijn leven ook.’ Pure rancune, vond Ramon. Alleen omdat ik één keer had verloren. Daar had hij zeker een punt. Al vond ik het zelf eerder het bewijs van ‘goed geheugen’.
Toen Ramon een jaar of zeven was, had hij een ongeluk gehad. Hij was met zijn fiets op de motorkap geklapt en vervolgens op de voorruit van een auto terechtgekomen. De knal was luid, en de glasscherven in zijn arm waren talrijk. Hij had een paar dagen in het ziekenhuis gelegen. Iedereen uit onze klas was een keer bij hem op bezoek geweest. Martin en ik het meest. We waren nogal onder de indruk van de ziekenhuisomgeving, met die constante dreiging van onheil. Ramon zelf lag in zijn bed vooral te glunderen naar de verzameling nieuwe Star Wars-poppetjes op zijn nachtkastje. Sommige bleek hij twee keer te hebben gekregen, maar dat kwam wel goed: eenmaal terug op school ruilde hij ze wel weer.
Vier jaar geleden belandde Ramon weer in zo’n ziekenhuisbed, deze keer als begindertiger in Amsterdam, zonder Star Wars-poppetjes op het kastje naast hem, maar wel met grote, vrolijke beterschapskaarten. En vooral met veel meer slangen en buisjes, die leidden naar plastic zakjes vol onbestemde vloeistoffen. Het waren deze vloeistoffen die hem moesten redden, dit tezamen was zijn chemotherapie. ‘Dat is lang geleden,’ zei Martin terwijl hij de aanblik van de bleke, vale Ramon in zich opnam. Ramon grijnsde gepijnigd.
Toen Ramon thuis herstelde van een serie kuren die alles aan en in hem leek te hebben gesloopt – hij praatte zelfs zachter – verrasten Martin en ik hem door hem mee te nemen naar een cabaretvoorstelling. Martin kroop achter de voorstoelen op de achterbank, Ramon liet zich zacht kreunend in de stoel naast me zakken. Het duurde een paar seconden – het sluiten van de portieren, onze begroeting, Ramons bedankje, het wegrijden – voor ik het rook.
Mijn auto rook opeens chemisch. Naar zuur en metaal. Uit Ramons poriën kwam de geur van chemotherapie. Zijn lijf zat er zo vol mee dat het als stoom van hem afsloeg. Binnen een paar seconden was de ruimte in beslag genomen door wat nog het meest op een schoonmaakmiddel zonder parfum leek. Na een paar kilometer keek ik in de achteruitkijkspiegel naar Martin, en ik zag aan hem dat hij hetzelfde rook en dacht. De cabaretier was goed. Zijn Brabantse accent hielp mee: dat maakte zijn lompe grappen nog net iets boerser. Aan Brabantse tongval kleeft altijd enige stoerheid, een eigenschap waar we in Limburg geen enkele aanspraak op kunnen maken. Halverwege zijn show maakte hij een harde grap over kanker. Ramon was de enige in de zaal die lachte. Althans voluit, niet besmuikt.
Martin vroeg zich af of de andere mensen in de zaal het aan Ramon zagen. Hij was kaal. Dat waren wel meer mannen, ook in deze zaal, maar bij Ramon was het anders, hij was kaal zoals zieke mensen kaal zijn. In de overtreffende trap ervan.
Wat mij het meest trof, en Martin ook: voor het eerst zagen we Ramon bang. We vroegen het hem nooit. We vroegen hoe hij zich voelde, of hij pijn had, waar precies, en hoe dat dan voelde, waar het op leek, we vroegen of het een beetje ging, hoe vandaag zich verhield ten opzichte van gisteren, waar hij tegen opzag of zich juist op verheugde, of we iets voor hem konden betekenen – maar nooit, nooit of hij bang was.
‘Ik zie op tegen volgend jaar,’ zei Martin, toen Ramon rond kerst halverwege zijn behandeling was. ‘Tot nu toe werd alles in ons leven eigenlijk alleen maar beter.’
Maar Ramons chemo sloeg aan, met alle kanttekeningen, voorbehouden en slagen om de arm die daarbij hoorden. Zijn lichaam was een verzameling bijwerkingen geworden, maar eruit gedreven was vooralsnog de K, zoals Ramon ’m noemde – met de kanker zelf verdween uit zijn vocabulaire ook het woord, hij reduceerde het tot een letter. En de kanker bleef weg. De dag voor ons vertrek zou Ramon de uitslag van zijn laatste check krijgen. Was die schoon, dan was hij officieel genezen.
Ik ging langs bij Inge, Ramons vrouw, en legde haar uit dat we vonden dat Ramon mee móest. Om te vieren dat hij genezen was. Was zijn uitslag slecht, dan gingen wij zelf ook niet. Nadat ik met Inge al hun elektronische agenda’s, planningen en zelfs de verjaardagskalender op hun toilet had doorgenomen, waren we klaar om de vliegtickets te boeken. Ramon was volgens Martin de enige man ter wereld die de vraag ‘Ik heb de voorwaarden gelezen en ga akkoord’ naar waarheid bevestigend had beantwoord. Toen Inge en Ramon net een relatie hadden en zij al Ramons vrienden voor het eerst uitnodigde voor haar verjaardag, stond in de uitnodigingsmail onder ‘cadeautip’ geen tekening van een envelopje, maar een link naar een site. Daarop stonden al haar wensen, gerangschikt in prijscategorieën. Sommige cadeaus waren te bestellen via koopsites. Klikte je op de foto, dan werd je meteen doorgelinkt naar de juiste plek op die site. Martin werd er baldadig van. Zijn verzet tegen de ordening der zaken bestond uit het aanvinken van alle cadeaus. Maar na drie keer klikken had hij het door: Ramon had de site duidelijk zelf gebouwd; zijn dyslexie scheen door twee verkeerd gespelde merknamen van cadeaus – Calven Klein en Rittuals – heen. Hij had de site tegen sabotage beveiligd. Bij het tweede aangeklikte cadeau verdween het vinkje bij het eerste weer.
Als de uitslag goed was, zou Inge hem nog in het ziekenhuis de tickets geven. We hadden de print van zijn vliegticket gestoken in een kaart van Rocky. Ik wilde er een citaat bij zetten van Rocky zelf dat op de situatie sloeg, maar we vonden geen geschikte. Ze gingen allemaal over strijd, en Ramon zei altijd dat hij was genezen, niet had gewonnen.
Ramon belde toen ik bij Martin in diens woonkamer zat. Hij praatte zo hard dat Martins telefoonspeakers vervormden. Ramon stond niet op de speaker, maar dat was ook niet nodig.
‘Allemaal goed! Bloedwaarden normaal!’
‘Echt? Ah, man! Geweldig!’
‘Ja, he?’
‘Wat zei de arts?’
‘Ik ben helemaal genezen. Man, ik ben zo blij.’ Hij viel even stil.
Ik keek Martin aan. Hij beet op zijn onderlip.
‘Ja, natuurlijk. Wat zei Inge?’
‘Die gaf me een enveloppe.’
We hoorden hem lachen. ‘Jullie zijn echt gestoord. Ik zie jullie morgen!’
Martin keek me lachend aan, en sloeg me onhandig hard op mijn schouder.

[...]

 

Copyright © 2015 Leon Verdonschot

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum