Leesfragment: Cavia's op proef

14 juni 2015 , door Ludvík Vaculík
|

21 juni, op het Schwobfest, wordt Ludvík Vaculíks klassieker Cavia's op proef (Morcata, vertaald door Kees Mercks) gevierd. Fragment! ‘Het katertje had onze kinderen dus aangetoond dat er op deze wereld meer is dan alleen spoorbanen en machines speciaal voor transport. Het beest had een gevoel van weemoed bij hen opgeroepen, want het was van hen weggegaan. Maar wat konden wij eraan doen? Een hond nemen? Eva en ik zeiden tegen elkaar dat als we nu in zo’n huisje onder het viaduct in Hlubocepy aan de rand van Praag zouden wonen, we direct een kat én een hond hadden genomen. En kippen misschien.’

Cavia's op proef is een humoristische, licht absurdistische klassieker in de traditie van meestervertellers als Kurt Vonnegut. In deze grondig herziene vertaling van Kees Mercks wordt de lezer geconfronteerd met de bevreemdende werkelijkheid van het communisme in Praag, en de duistere kanten van de menselijke natuur.

Ludvík Vaculík (1926, Brumov) was lid van de communistische partij en werkte op de redactie van de partijkrant. Hij was zijn leven lang een voorstander van de communistische ideologie, maar raakte gedesillusioneerd over de bureaucratische praktijk, waarin menselijkheid en integriteit ondergeschikte waarden bleken te zijn. In 1968 schreef hij Manifest van tweeduizend woorden waarin hij zich uit spreekt tegen de onderdrukking en armoede van de bevolking en de corruptie van macht.

Het werd een hoogtepunt van de Praagse Lente. Eind jaren zeventig was Vaculík een drijvende kracht achter de samizdat-literatuur; ongecensureerde, ondergrondse literatuur die onder het communisme niet mocht verschijnen. Cavia's op proef werd pas zeven jaar na voltooiing in het Tsjechisch gepubliceerd, maar een Nederlandse vertaling verscheen al drie jaar eerder, in 1974.

Vašek werkt bij de Staatsbank in Praag, is gelukkig getrouwd en heeft twee kinderen. Zo begint deze op het eerste gezicht idyllische vertelling. Op zoek naar een geschikt huisdier, neemt hij op aanraden van een collega cavia's in huis. Hij observeert hun gedrag en experimenteert met ze - en blijkt algauw onbewust niet zozeer een gedrags studie van de cavia porcellus neer te pennen, maar de menselijke aard in kaart te brengen. En de mens, die is in staat tot verschrikkelijke dingen...

Op de site van Schwob zal hoofdstuk één als voorproefje verschijnen, op Athenaeum.nl kun je verder lezen.

 

2

Al had het katertje maar een paar weken bij ons gewoond, toch had hij in ons gezin blijvende sporen achtergelaten. Enerzijds op de schoenenplank, anderzijds in de ziel van onze jongens. Ze treurden om hem, zaten aan hem te denken en voerden hele debatten over katten, overal zagen zij ze opeens. Ze gingen naar de dierentuin, speciaal om naar de wilde boskat te kijken. Als ik uit mijn humeur van de Staatsbank thuiskwam, zeiden ze tegen me dat ik een kribbige kater was die niet eens meer zin had in spelen. Vašek had vriendschap gesloten met een jongen uit een gezin dat berucht was om de poezen die daar overal lagen. Toen we hem niet toestonden daarvandaan een katje mee naar huis te nemen, bracht hij wel zijn vlooien mee. En Pavel, die zat vaak stilletjes in zijn eentje poezen te tekenen. Dat deed hij al zo goed dat de gezichten en houdingen een bepaalde stemming en manier van doen uitdrukten. Op een keer bood hij me bij wijze van aandenken een tekening aan met een treffende voorstelling van een oude, sikkeneurige kater wiens houding veel overeenkomst vertoonde met die van een zekere, ons allen reeds welbekende bankbediende, die juist teruggekomen van zijn Staatsbank in de deuropening riep: ‘Waar zit die Vašek nou weer! Zeker weer ergens in het riool!’
Maar ook Eva en ik werden er ons, in onze hoedanigheid van dorpsmensen, opnieuw en nog duidelijker van bewust dat het leven van een mens zonder het gezelschap van dieren niet volledig was. Eva vond nog een aanvullende verklaring voor het feit dat jullie schoolkinderen heden ten dage zo wreed zijn tegen vriendjes én bomen. De liefde van een stadsbewoner voor de natuur zit hem, volgens Eva, in de jeugdherinnering: enerzijds aan de eigen jeugd van ieder mens, ten tweede – vaagjes en waarschijnlijk alleen nog maar onderbewust – aan de jeugd van de stad, toen die nog maar een dorp was. Het buitenleven vernieuwt en verfrist de gevoelens van de stedelingen. Maar dat zal spoedig afgelopen zijn, zegt Eva, omdat tegenwoordig ook het akkerland niet meer is dan een patatfabriek en koetjes slechts melkmachines zijn. Zolang om de andere burger nog zijn koetje of paardje te verzorgen had, dacht de hele burgerij nog aan koetjes en paardjes. De liefde voor deze dieren vond weliswaar haar oorsprong in hun nut, maar dat maakt niets uit, voegt Eva daaraan toe. Tegenwoordig kunnen die paar koeien in de stallen van de republiek helaas niet heel Tsjecho-Slowakije enthousiast voor koeien maken.
Ik geloof wel dat mijn Evaatje grotendeels gelijk heeft. Grotendeels, maar – zoals altijd – niet helemaal. Haar utilitaristische uitleg, beste kinderen, zal noch jullie, noch mij bevredigend in de oren klinken. Jullie zullen het zeker met Eva eens zijn op het punt dat het nut van genoemde dieren een conditio sine qua non is, maar voor onze emotionele relatie tot hen is er ook nog een bij uitstek psychologische verklaring. Deze zal ik jullie ex abrupto trachten uit de doeken te doen, ook al behoort dat bij een simpel verhaaltje over dieren zoals ik aanvankelijk op het oog had, waarschijnlijk alleen in margine.
Zoals bekend kan men koning zijn of diens stemloze onderdaan. In een moderne staat is dat: staatssecretaris of een onderdanige stemmer. Wie van de twee men eerder zal zijn, behoeft verder geen betoog. De positie van zo’n arme stakker aan de onderkant van de sociale ladder wordt gekenmerkt door volslagen onmacht. Wie onderaan staat, is verdrietig omdat hij iedereens onderdaan is en niemand de zijne. Heeft hij echter één enkel scheppingsproduct onder zich, dan verandert de wereld voor hem. Ogenschijnlijk verlengt zich de sociale ladder voor hem en schuift de onderkant een paardenlengte, koeienhoogte of hondendikte omhoog. Wie zich altijd een hond gevoeld heeft, kent vanaf de dag dat wij hem een hond cadeau doen, ogenblikken dat hij zelf iemand heeft om te commanderen en een schop te geven. En hoewel hij hem zo kan doden, is het verreweg waarschijnlijker dat hij hem zal sparen. Soms geeft hij hem nog weleens een schop, maar daar heeft hij dan ogenblikkelijk spijt van. Spijt! Spijtgevoelens zijn geboren! Deernis. Jij, lief dier, het is met jou al net zo gesteld als met mij, kom bij me, braaf beestje! Een ganzenhoedstertje dringt, gebogen over de aan haar goede zorgen toevertrouwde donzige kuikentjes, de in haar opwellende wreedheid terug om de evenzeer in haar opwellende tederheid – met de stok nog in haar hand – de vrije loop te laten, en ze zal vanaf dat moment die beide eigenschappen steeds in zichzelf terugvinden, al zal zij aan die tweede, gelukkig maar voor ons, vaker de voorkeur geven.
Beschouwt Eva dus het koppel ‘boertje-koetje’ zo dat het boertje van zijn koetje houdt omdat het hem te eten geeft, dan raad ik jullie aan, jongens en meisjes, in het leven dit koppel ook nog vanuit een ander gezichtspunt te beschouwen: het boertje houdt van zijn koetje omdat hij dat beest te eten geeft alhoewel hij het met een eind hout de rug kan breken. Dit is een psychologische motivatie par excellence!
Het katertje had onze kinderen dus aangetoond dat er op deze wereld meer is dan alleen spoorbanen en machines speciaal voor transport. Het beest had een gevoel van weemoed bij hen opgeroepen, want het was van hen weggegaan. Maar wat konden wij eraan doen? Een hond nemen? Eva en ik zeiden tegen elkaar dat als we nu in zo’n huisje onder het viaduct in Hlubocepy aan de rand van Praag zouden wonen, we direct een kat én een hond hadden genomen. En kippen misschien.
‘Een koe zou je niet willen?’ vroeg ik Eva spottend.
‘Als ik een koe had en kippen, dan zou ik een tuin moeten hebben en op z’n minst zo’n lapje grond als mijn ouders hebben, en in dat geval zou ik onmiddellijk ophouden met lesgeven,’ sprak ze.
‘En als jij zo’n boerenbedrijf zou hebben,’ sprak ik, ‘zou ik dat risicovol, soepeltjes en heel serieus leiden en we zouden het verdiende geld nooit op enige bank zetten.’
Maar dat waren alleen maar van die luchtkastelen waarover volwassenen elkaar zo vaak en vruchteloos lekker maken. Eva zou nooit van school weg kunnen gaan, ze zouden haar eruit moeten gooien, en mij ook. Het allermoeilijkste is het, jongens en meisjes, je leven uit vrije wil te veranderen. Ook al lijkt jou het mooiste wat er is machinist van je eigen locomotief te zijn, altijd gooit er wel iemand die zijn werk slechter doet dan jij de wissel voor je om.
Bij de bank werk ik samen met collega Karásek en die had op een keer laten weten dat hij thuis cavia’s had. Het liep toen al tegen het einde van kantoortijd, collega Karásek trok onder zijn bureau zijn schoenen aan en vervolgens wisselde hij bij zijn kast van jasje, waarbij hij opgelucht zuchtte: ‘Hè hè, we gaan weer fijn naar huis.’
‘Wat is het dat u daar zo aantrekt?’ haastte ik me te zeggen omdat ik wist dat zijn kinderen al het huis uit waren.
‘Cavia’s,’ antwoordde hij, ‘een koppel caviaatjes, dat is het enige.’
Nooit hebben we het er daarna nog over gehad, het interesseerde me niet. Nu kwamen me opeens weer die cavia’s voor de geest. Meteen vroeg ik collega Karásek wat zo’n beestje vreet en wat het zoal nodig heeft. Ik kreeg te horen dat het Peruaanse biggetje (Cavia porcellus) wat voedsel en ruimte betreft weinig veeleisend is. Het is een knaagdier, voedt zich met graantjes, groente en gras, in de winter wat hooi en als er geen graantjes te krijgen zijn, dan havervlokken. Maar de groente, voornamelijk sla dus, moet flink gewassen worden omdat het beestje anders gif- en meststoffen naar binnen kan krijgen. Het Peruaanse biggetje (wederom Cavia porcellus) kan in een hok huizen dat ruim genoeg is om er een beetje in rond te rennen. Het is een vredelievend en schoon dier. Zoekt graag het duister op. Drinkt principieel geen vloeistoffen, niet geven! Sterft meestal aan longontsteking of buikloop. Wat nog meer? Het is een schattig dier. De Cavia porcellus (Peruaans biggetje) van collega Karásek zou collega Karásek vanzelf op zijn hand kruipen en dan via zijn arm omhoog klauteren naar zijn schouder. Op de schouder van mijn rekenende collega blijft hij dan zo’n halfuurtje zitten en gluurt af en toe naar beneden in zijn met cijfers volgeschreven paperassen. Het mannetje gedraagt zich ten opzichte van het vrouwtje erg teder. Een mannelijke cavia die in zijn eentje zit, zou vadsig worden en zwaarmoedig, op het dommige af. Ik vroeg collega Karásek of hij het in het begin niet naar gevonden had dat een cavia er als een grote rat uitzag. Verbaasd antwoordde hij me dat een cavia er helemaal niet als een rat uitzag, eerder als een klein konijntje. Er zijn maar weinig oude dingen die je verrassen als je ze te horen krijgt, en nog minder aangename zoals deze.
De kerstdagen naderden en wij gingen eropuit om cadeautjes kopen. Ik dacht aan een cavia. Ik overlegde met Eva of dit nu niet het perfecte geschenk was voor onze jongens, als medicijn tegen Pavels chagrijn en als goede zet tegen Vašeks vlooiennest. Eva wees zo’n cavia resoluut van de hand, ze vindt die weerzinwekkend, ergo ging ik er meteen de volgende dag een kopen. Het was de laatste middag voor de kerst. Ze hadden er heel wat, verschillend gekleurd. Ik koos een witte uit met rode oogjes. Hij was heel klein, maar ook weer niet de allerkleinste. Het zou me verdroten hebben helemaal zo’n piepklein caviaatje, dat ze daar ook hadden, aan zijn gezin te ontrukken. Zo’n beestje gaat bij ons toch dadelijk dood. Maar ik wilde toch een kleintje, omdat zo’n kleintje tijdens zijn groei volkomen aan Pavel zou kunnen wennen en wij dan tevens de mogelijkheid zouden hebben zijn ontwikkeling tijdens heel zijn leventje te volgen. Ik kocht ook meteen voer, een mengseltje van rogge en allerhande zaadjes. In die winkel verkochten ze allerlei dingen. Behalve vissen en vogels ook schildpadden en hamsters. Toevallig hadden ze er uitgerekend ook een marter, bij wijze van uitzondering. Het schoot door mijn hoofd dat als ze die aan iemand verkochten, ze aan hem een vaste afnemer van cavia’s zouden krijgen. De marter ging als een bezetene achter het gaas tekeer. Ik vroeg wat dat er voor een was en ze zeiden dat het een marter was. Er waren veel klanten, die kwamen voornamelijk voor visjes en vogeltjes. Ik vroeg me verwonderd af wat er nu aan een schildpad, die zich nauwelijks verroert, te beleven valt. Hamsters stonden me tegen door hun nerveuze gescharrel en beverige gesnuffel. Ik had zelfs de indruk dat ze stonken. Een cavia was toch wel het beste. Het verbaasde me dat hij maar veertien kroon kostte.
In de tram verwarmde het beestje zijn doosje en het doosje mijn handpalm. Slechts weinige van de mensen om me heen spoedden zich met zo’n passend cadeau op zo’n laat tijdstip huiswaarts. Eva werd niet kwaad. Ze schrok wel een beetje van het warme doosje, maar toen ik het dekseltje openklapte en haar vanuit het witte pelsje twee oogjes als robijntjes in het doosje toeschitterden, was ze aangenaam verrast en ontroerd. Alleen wilde ze het diertje vooralsnog niet aanraken.
‘Waar zit z’n staartje?’ vroeg ze.
‘Heeft hij niet,’ antwoordde ik.
‘Hoe dat zo?’ verwonderde zij zich, ‘Ik dacht altijd dat een cavia net zoiets was als een rat.’
‘Ha, ha, dat dacht ik al,’ lachte ik haar uit.
‘Je moet de kerstkarper nog voor me slachten,’ zei ze en meteen verging mij het lachen weer.
Aan de kerst waar ik nu over spreek, zal in ons gezin altijd worden teruggedacht als aan de kerst van de cavia. Dat was nog eens een cadeau!
Het had alle kwaliteiten van een echt geschenk: vóór alles was het een volslagen verrassing, ten tweede vervulde het een grote wens, verder was het geschenk immens mooi en ontroerend, ten vierde was het eenvoudig en ten slotte was het, ten vijfde dus, nog heel bijzonder ook. Wie op zo’n cadeau kwam, moest bovendien over esprit en visie beschikken, ten tweede over besluitvaardigheid, verder over een gevoel voor het bijzondere moment, hij kende de grootste wens van de begiftigde, stond met hem in een prima relatie en wist goed het effect van iets in te schatten. Hij gaf blijk van smaak alsmede van gevoel voor humor. Hij was een doorbijter, want hij had zich net zolang het hoofd gebroken totdat hij iets gevonden had, maar hij was ook op het juiste moment onverzettelijk geweest toen hij zich niet door andere mensen op andere gedachten had laten brengen. Hij was niet te lui geweest om een paar stappen te doen en hij zat niet in over geld. En ten slotte was hij, ten twaalfde, ook nog verstandig geweest, want hij had geen marter gekocht.
Traditiegetrouw deelt Pavel bij ons de pakjes onder de kerstboom uit en zitten wij daar met ons allen rustig omheen. Rustig. Toen hij het doosje pakte en zijn eigen naam oplas, stokte zijn stem en kon hij niet verder. Hij schatte het in het pakje verschuivende gewicht op zijn hand en op zijn gezicht was te lezen hoe zijn fantasie op hol sloeg. Hij moest zijn cadeau meteen uitpakken.
‘Jemig, dat is mooi, dames en heren, koekenperen, wat ik daar gekregen heb, iets met rooie oogjes, mam! Vašek! Pap! En ik heb er ook nog keuteltjes bij gekregen!’
Hij lachte, vloog de kamer rond, verbaasde zich, stond versteld en schudde met zijn hoofd.
‘Hebben jullie ooit zoiets gekregen? Toen jullie klein waren?’
‘Dat is een caviaatje,’ zei mama en ze keek mij verheugd aan.
Pavel rende een rondje door de kamer en belandde opnieuw bij het doosje dat op de vloer stond. De cavia zat erin, drukte zich beverig in een hoekje van zijn voorlopige onderkomen en dorst zelfs niet met zijn ogen te knipperen. Ineens gaf hij een zwak piepje en kneep even zijn oogjes dicht, wij stonden allemaal versteld. Maar dat was nog niet alles! Schokkerig begon hij zich om te draaien, krabbelde met zijn nageltjes over de bodem en waagde het zich steeds luidruchtiger in het gesprek te mengen. Hij piepte met een iel stemmetje dat leek op het geluid van zo’n plastic fluitje in de vorm van een vogeltje. Hij riep om iemand en bracht ons daarmee allemaal een beetje in paniek omdat we niet wisten wat we ermee aan moesten. Ik droeg Pavel op het beestje voorlopig weer af te dekken en wij gingen door met het kerstfeest.
Maar er kon niets beters meer op volgen. Vašek kreeg ook een goed bedacht cadeau dat Eva ergens gezien had: buizen om gevels van huizen mee in de steigers te zetten. Hierom deden de beide jongens heel verbaasd en verheugd, maar kwamen toch steeds weer op het doosje met het levende cadeau terug en wilden zich daarmee amuseren. Pas toen ze alle boeken, overhemden, pakpapier en touwtjes hadden opgeruimd, mochten ze weer naar de cavia kijken, maar ze mochten hem niet knijpen. Daarna hebben we het diertje overgezet in een grotere doos, zo’n margarinedoos, waar we eerst houtwol in uitspreidden, we strooiden wat graantjes in een schoteltje van onder een bloempot en Pavel haalde voor hem een worteltje uit de provisiekast, dat hij eerst grondig waste, zodat het beestje niet meteen al aan het begin van zijn carrière bij ons buikloop zou krijgen. Hij nam echter nergens iets van zolang we naar hem keken, en bij wie hem over zijn kopje wilde aaien, duwde hij met een resolute en onverwachte kopstoot zijn vinger weg. Pas toen Pavel en Vašek in bed gekropen waren en het licht hadden uitgedaan, begon iets daar ergens in die doos te bewegen en te ritselen, en even later weerklonk er uit de duisternis een snel en scherp geknabbel. Pavel kwam ons daar verslag van uitbrengen toen Eva en ik al in het donker lagen en ons met heel andere dingen bezighielden.
‘Goed hoor, goed,’ zei ik, ‘maar ga nou potverdorie eindelijk eens slapen.’
’s Nachts werd ik om een of andere reden wakker en realiseerde me dat ik twee dagen lang niet naar de Staatsbank hoefde. Ik ging een slokje water drinken en dacht daarbij aan nog een tweede vreugdevol ding: dat we een caviaatje hadden. Ik liep de kinderkamer binnen en deed het licht aan. De jongens sliepen als ossen, het beestje zat in een hoekje van zijn doos en zijn twee robijntjes gloeiden op in het donker.

 

© 1975 Suhrkamp Verlag, Frankfurt am Main
© 1975, 2014 Nederlandse vertaling: Kees Mercks

Leesmagazijn

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum