Leesfragment: Corvus

27 november 2015 , door Rob van der Staaij
| |

Wij richten in samenwerking met Recensieweb de schijnwerpers op de vier Nederlandse prozadebuten van november, voorzien van uitgebreide fragmenten. Lees op onze website de voorpublicaties uit de boeken van Kim van Kooten, Cor de Jong, Lykele Muus en Rob van der Staaij, en de signalementen bij Recensieweb.

19 november verschijnt Corvus van Rob van der Staaij. Wij publiceren voor. 'Met een kretsende piep kwam de kleine vrachtauto tussen de bruine sneeuwresten bij huisnummer 166 tot stilstand. Twee mannen, gekleed in versleten overalls, werkhandschoenen en smerige laarzen, sprongen vrijwel gelijktijdig uit de trillende cabine. Terwijl de dieselmotor stationair bleef draaien, maakte een van hen de klep los van de oplegger en klauterde het platform op waarop de tonnen stonden, elk voorzien van twee stevige handgrepen die een decimeter onder de bovenrand waren vastgeklonken.'

Vanwege een extreem gewelddadige thuissituatie wordt de kleine Raban op vijfjarige leeftijd uit huis geplaatst. Wat volgt is een opeenvolging van kindertehuizen, opvangcentra, een pleeggezin en justitiële jeugdinrichtingen. Corvus is niet alleen een vernietigend portret van de Nederlandse jeugdzorg, maar vooral ook een diep doorvoeld en rauw geportretteerd verhaal over een opgroeiende jongen. Daar waar iedere vorm van vertrouwen en warmte ontbreekt, ontwikkelt zich een vriendschap met een kraai. Op het moment dat Raban de regie over zijn leven in eigen hand neemt, laat hij zijn kraai vrij.

Godverdomme!

 

Met een kretsende piep kwam de kleine vrachtauto tussen de bruine sneeuwresten bij huisnummer 166 tot stilstand. Twee mannen, gekleed in versleten overalls, werkhandschoenen en smerige laarzen, sprongen vrijwel gelijktijdig uit de trillende cabine. Terwijl de dieselmotor stationair bleef draaien, maakte een van hen de klep los van de oplegger en klauterde het platform op waarop de tonnen stonden, elk voorzien van twee stevige handgrepen die een decimeter onder de bovenrand waren vastgeklonken. Het geoxideerde metaal was gecoiffeerd met zwartbruine drab die als warme pek naar beneden droop. De meeste deksels waren vervormd, niet meer bij machte de met deuken en butsen beschadigde tonnen naar behoren af te dekken.
Mijn moeder kwam op het lawaai aflopen. Zij droeg een geel vest en een niet-winterse, met fleurige bloemen bestempelde witte rok, opgelegd met een zeegroen schort. Haar pasjes waren in tegenspraak met de wijdte van haar rok.
‘Goeiedag, mevrouwtje. De ton.’
Met een zijdelings draaiende beweging pakte een van de mannen een lege ton van de oplegger en overhandigde die aan zijn compagnon. Nadat hij er af gesprongen was, droegen beiden het ding naar binnen, door de bijkeuken naar de aangrenzende werkplaats waar het toilethok was. Zij klapten de houten zitplank naar boven, tilden de volle ton tevoorschijn. Die beweging bracht een weeïge stank op gang, die zich als een bijna tastbare damp verspreidde. Moeizaam sjouwden zij de deinende ton, waarvan de inhoud hoorbaar tegen de wanden en de deksel klotste, naar buiten en hesen die samen op de oplegger. Ze klapten de laadklep dicht en sjorden de tonnen vast, reden verder, op weg naar het volgende huis aan de smalle, onstadse Schulpweg. Rotterdam was in de voorafgaande decennia naderbij gekropen en had de omgeving met bebouwing omarmd, maar had haar stedelijke kenmerken niet aan deze buurt in de deelgemeente Charlois weten op te leggen. De huisjes en boerderijen maakten de dijkweg pittoresk dorps, plattelands.
Mijn moeder schuifelde voorzichtig het schuine paadje af naast de woning en wandelde naar de plek waar wij aan het spelen waren, dichtbij. Haar geringe postuur, het gepermanente blonde haar en het vlinderbrilletje waren onmiskenbaar. Uitgelaten dribbelden wij op haar toe. Op datzelfde moment was vanuit noordelijke richting het naderende, zachte geronk van een viertaktmotor te horen, struikelend over onwelluidende ploffen. Het gekras van een kraai in de kale kruin van de kastanjeboom verderop werd door de motorische geluiden overdekt. Mijn moeder tilde me op, keek met een doelloze blik over haar schouder.
De zwarte Gillet Herstal kwam vermoeid aanrijden. De berijder manoeuvreerde de motorfiets van de dijkweg die te schaars met brijn was bestrooid. Hij bracht het voertuig tot stilstand naast de schuur die tegen de kleine woning was gebouwd. De opslagplaats werd door anderen gehuurd, maar ooit was het de schaapskooi geweest van de gebroeders Veldhuis die voorheen in het dijkhuis hadden gewoond. Zij weidden hun schapen op het terrein van Vliegveld Waalhaven. Een van de broers had zich in het huis verhangen, nadat hij had vernomen dat de ander tijdens het bombardement van het vliegveld was omgekomen. Maar de tijding berustte op een vergissing. De broer leefde nog. De man stapte behoedzaam af, een voet gleed opzij. Hij voerde de motorfiets langs de woning en parkeerde hem in de bijkeuken. Wijdbeens, alsof hij zich nog steeds op een gladde ondergrond dacht te bevinden, haalde hij de spin los waarmee zijn broodtrommel op het roestige bagagerek vastgebonden was. Een onhoorbare vloek.
‘Hallo Johan, hoe was het op je werk?’
‘Is de tonnenwagen geweest?’
‘Ja, een kwartier geleden.’
‘Hm. Is het eten klaar?’
‘Ja.’
Langzaam, sjokkend stapte mijn vader het trappetje op, liep de gang in tussen de bijkeuken en de woonkamer. Mijn moeder volgde op twee passen afstand. De lange en zware, donkerbruine leren motorjas zat te ruim om zijn tengere gestalte, maar beschermde hem goed tegen de vele valpartijen die hem overkwamen. Zestien maal al. Hij ging op de motor naar het werk, ook met slecht weer, ook in de winter. Diverse keren had hij met botbreuken in het ziekenhuis gelegen. Maar uitwendige verwondingen had hij nooit, dankzij die zware leren motorjas. Hij knoopte de panden los die aan de binnenzijde met riempjes aan zijn benen waren vastgegord, gespte de leren flappen los van de roomwitte pothelm. De haarkrans rondom het kale hoofd was plakkerig van het zweet. Het donkere haar leek daardoor nog donkerder, contrasteerde nog sterker met zijn blauwe ogen. Met een moe gezicht hing hij alles aan de kapstok. Hij had die dag weer hard moeten werken. Ze waren bezig aan de Brielselaan. Zware kinderkoppen waren het. Zijn rug kon het niet meer aan, zijn bouw was niet stevig genoeg. Hij was druk doende de noodzakelijke diploma’s te halen om opzichter te worden. Dan zou hij nooit meer hoeven bukken, dan zou hij voorgoed overeind komen.
‘Zet ’t eten maar vast op tafel. Ik moet nog iets doen.’
Mijn vader liep naar het piepkleine kantoortje dat ooit een van beide bedstedes was geweest. Daar stond de telefoon, schreef hij brieven, handelde hij zijn administratie af. Daar had hij ook de geboortetegeltjes geschilderd. Blauwe langwerpige tegeltjes, ruw beschilderd met te dikke verf. Eén tegeltje maar hing aan de muur, tussen de boekenkast en de kolenkachel, ergens boven het rakelijzer. De felrode poot waarop de ooievaar rustte, vertoonde een anatomisch onjuiste knik. De witte buidel in de rode snavel bezorgde de vogel bovendien een verkeerd evenwicht en zou hem elk ogenblik doen omvallen. De inrichting van de schemerige woonkamer was sober en week niet veel af van die van andere woonkamers aan de dijk, op de nieuwe televisie na die op het theekastje stond. Na heel lang sparen had mijn vader die eindelijk kunnen aanschaffen. Het was het enige apparaat in het huis dat muzikale klanken voortbracht, want een radio of grammofoon was er niet. Naast het kantoortje was de kleine keuken die eertijds de andere bedstede was geweest. Hij had de keuken vergroot door de wand van de provisiekast weg te breken. Boven waren een vrij grote zolderkamer en nog een klein kamertje. Bijna iedereen sliep op die ene zolderkamer, mijn beide ouders, ik, mijn vijf jaar oudere halfbroer Piet en mijn één jaar jongere zusje Josna. Dries, mijn jongste broertje die nog maar een paar maanden oud was, sliep als enige in het kamertje. Onder het dijkhuis was een souterrain waar een buurvrouw woonde die ik niet kende. Achter lag een tuintje, met een vervallen schuurtje, bereikbaar via het smalle paadje aan de zuidzijde van het huis. Bovenop het schuurtje was een krakkemikkig balkonnetje dat vanuit de werkplaats betreden werd. Enkele meters verderop stond een wilg die het tuintje domineerde en ’s zomers in schaduwen hulde.
Mijn vader kwam het kantoortje uit lopen. In de rechterhand hield hij zijn onafscheidelijke, glimmende metalen tabaksdoos waarin hij de tabak deed die hij uit de pakjes van Captain Grant plukte, altijd staande bij de vensterbank. Piet spaarde de scheepsplaatjes. Mijn moeder had de blauw gemarmerde pannen met eten op tafel gezet, lichtte een voor een de deksels eraf en legde ze op het tafelkleed. Wolkige dampen stoomden naar het plafond. De krachtige geur van de rode kool had zich vanuit de keuken vermengd met de kolengeur van de smeulende kachel en begon nu te overheersen. Met een kleine zwaai tilde zij ons op de hoge stoelen. Ze schepte porties eten op onze borden en prakte ze. Piet schepte zelf op. Ik staarde naar twee vers glimmende, kale plekjes langs de onderkant van de grootste pan.
‘Morgen gaat Raban naar de kleuterschool.’
Mijn vader nam een krachtige trek van zijn sigaret.
‘Die gehaktbal is te hard. De volgende keer moet je die gehaktballen niet zo lang braden.’

Gespannen hield ik mijn benen een eindje van de met roest bevlekte spaken. Mijn voet was er eens tussen gekomen. Met mijn gewante handen klemde ik me stevig vast aan de dikke wollen jas van mijn mama. Zij fietste struis door, mij af en toe geruststellend, rugwaarts blikkend. De fietstocht ging door de Wielewaal. De kleine wijk, die vlak na de oorlog vanwege de woningnood was gebouwd, bestond uit eenvormige huisjes en ademde een intieme gezelligheid. Misschien kwam het door de bonte tuintjes en de bloemenplanten die aan de muren hingen. Of juist doordat de huizen zo klein waren. Ik kende er goed de weg, want ik ging er vaak heen – vooral ’s zomers – om er op straat te spelen, om er kapoentjes te zoeken, om er pispotjes te plukken, alleen of samen met andere kinderen. Ik had er voor het eerst kauwgom geproefd. Iemand had het te snel uitgespuugd, want er zat nog veel smaak aan. Ik had er ook een belangrijke ontdekking gedaan. In een sloot, tussen het dichte kroos, had ik een poes zien drijven, zonder haren, met een gat dat een blik toeliet op het holle inwendige. Ik redeneerde dat beesten en mensen helemaal gevuld waren met bloed. Verrukt was ik van mijn ontdekking.
Toen mijn mama mij aan het einde van de ochtend kwam ophalen, keek ik sip voor mij uit. In mijn hand bungelde een papieren koffertje. Eromheen was gekleurd papier geplakt en bovenop was een papieren hengsel in een andere kleur gehecht. Gebarsten gomresten kropen onder de papierranden vandaan. ‘Wat een mooie koffer heb jij gemaakt, hè? Raban.’
‘Ja.’
De vorm leek niet op die van een echte koffer. Veel te vierkant was hij. De juffrouw had een ander jongetje ook geholpen met het maken van een papieren koffer, maar die was echter. De Ligaverpakking was eerst overlangs doormidden geknipt, zodat de geometrische verhoudingen veel meer overeenkwamen met die van een echte koffer.

Buiten de deur week mijn leven niet veel af van dat van andere kinderen uit de buurt. Het gezin waarvan ik deel uitmaakte leek van een afstand op andere gezinnen. Het was een waarachtig arbeidersgezin. Mijn vader verrichtte zware lichamelijke arbeid, tegen een karig loon. God en alcohol waren onbekend. Maar als je goed keek waren er dingen anders, binnen de muren van dat kleine huis aan de Schulpweg waar mijn vader in 1945 was ingetrokken, zes maanden na de oorlog. Toen ik werd geboren, was mijn moeder negentien jaar, mijn vader negenendertig. Hij had haar via een annonce leren kennen. Zij zocht een leerplaats, hij een kindermeisje voor Piet, zijn zoon uit een vorig huwelijk. Tegen de moeder van Piet had de dokter ooit gezegd dat zij beslist geen kinderen mocht krijgen. Maar Piet werd toch geboren en zijn moeder verhuisde naar het krankzinnigengesticht Maasoord. Ons gezin had omgang met andere mensen, met de buurt, maar buiten de deur. Bijna niemand kwam ooit binnen, ook de kinderen uit de buurt niet. Ik zag ooms en tantes, ook mijn oma, maar alleen die van mijn moeders kant.

Copyright ©2015 Rob van der Staaij.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum