Leesfragment: De belevenissen van Ruben Jablonski

27 november 2015 , door Edgar Hilsenrath
|

Op 19 maart verschijnt De belevenissen van Ruben Jablonski van Edgar Hilsenrath (Die Abenteuer des Ruben Jablonski, vertaald door Elly Schippers). Wij brengen alvast het eerste hoofdstuk.
'"Komen de nazi’s mijn teddybeer afpakken?"
"Vast en zeker."
"Maar hij heeft maar één oor."
"Dat maakt ze niets uit."'

Wanneer de achttienjarige Ruben Jablonski in 1944 door de Russen wordt bevrijd uit het getto, gaat hij op zoek naar een nieuw thuis. Er volgt een avontuurlijke zoektocht, die hem dwars door de door oorlog verwoeste Balkan voert, op weg naar Palestina.
Daar heeft hij diverse baantjes in een kibboets en later in de grote stad, als bordenwasser, bouwvakker en ziekendrager. Al die tijd werkt hij aan zijn roman over het leven in het getto, maar het wil maar niet vlotten. Misschien komt dat ook door de vele meisjes die hem het hoofd op hol brengen. En passant is Jablonski getuige van het ontstaan van de staat Israël en de toenemende politieke spanningen.

De belevenissen van Ruben Jablonski is een roman van de allerhoogste literaire kwaliteit, gebaseerd op het leven van de auteur zelf.

N.B. Eerder publiceerden we een leesfragment uit eerder werk van Edgar Hilsenrath, Fuck America en schreef Elly Schippers over haar vertaalwerk voor Sprookje van de laatste gedachte.

 

1

Berlijn! Een magisch woord? Een toverformule? Wanneer hoorde ik het voor het eerst?
Dat was op de kleuterschool. Ik was vijf en zat naast mijn even oude vriendinnetje Gertrud, op wie ik smoorverliefd was. Gertrud had waterblauwe ogen, blonde vlechten en dunne armen en benen. Ze was als vlinder ter wereld gekomen en alleen in een klein meisje veranderd om kleurpotloden of grijsbruine boetseerklei van me te lenen, misschien ook om mijn handen en armen vol te smeren, soms ook mijn gezicht, en natuurlijk... om me het hoofd op hol te brengen.
‘Ik ga met kerst naar mijn oma,’ zei Gertrud.
‘Neem je me mee?’
‘Ja.’
‘Waar woont je oma?’
‘In Berlijn.’
‘Waar ligt dat?’
‘Waar mijn oma woont.’

Opgewonden liep ik naar huis. ‘Ik ga met kerst met Gertrud naar Berlijn,’ zei ik tegen mijn vader.
‘Zo,’ zei mijn vader, ‘en wie is Gertrud?’
‘Gewoon, Gertrud,’ zei ik.
Mijn moeder, die net de woonkamer binnenkwam, zei: ‘Gertrud is zijn vriendinnetje van de kleuterschool.’
‘Haar oma woont in Berlijn,’ zei ik.
‘Weet je waar Berlijn ligt?’ vroeg mijn vader.
‘Ja,’ zei ik, ‘waar Gertruds oma woont.’

Mijn vader legde me uit waarom Gertrud naar haar oma ging en hoe het zat met het kerstfeest dat de christenen vieren. Het is namelijk een familiefeest. Ze zetten een kerstboom in de kamer met veel kaarsjes en engeltjes en peperkoekharten en allerlei andere versieringen. Er wordt extra gestookt omdat het buiten sneeuwt en omdat niemand met kerst kou mag vatten vanwege zijn stembanden. Want met kerst worden er mooie liedjes gezongen, bijvoorbeeld ‘Stille nacht’ en zo, en dan mag niemand hees zijn. Bovendien krijgt iedereen cadeautjes. Die liggen onder de kerstboom en je hoeft ze alleen maar uit te pakken.
‘Wie legt die cadeautjes onder de kerstboom?’
‘De Kerstman.’
‘Komt die bij Gertruds oma?’
‘Natuurlijk.’
‘Komt hij ook bij ons?’
‘Nee.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat wij Joden zijn,’ zei mijn vader, ‘en omdat de Kerstman alleen bij christenen komt.’

Mijn grote reis naar Berlijn viel natuurlijk in het water. Gertrud verbrak haar belofte en nam me niet mee. Toen werd me duidelijk dat de grote beslissingen niet op de kleuterschool worden genomen. Toch hield ik nog steeds van Gertrud, al wilde ik dat niet toegeven.
‘Wil je met Gertrud trouwen?’ vroeg mijn vader.
‘Nee.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ik met mama wil trouwen als ik groot ben.’
‘Hou je van mama?’
‘Ja.’
‘En van Gertrud?’
‘Nee.’
‘Houdt zij van jou?’
‘Ook niet. Ze wil me alleen maar pesten. Ze kliedert me vol met kleurpotloden. Zelfs mijn gezicht.’
Mijn vader lachte. ‘Ik wist het wel.’
‘Wat?’
‘Als je elkaar plaagt, hou je van elkaar.’
‘Dat is niet waar.’

Vlak na kerst besloten Gertrud en ik op eigen houtje van Halle an der Saale naar Berlijn te gaan. Het was heel eenvoudig. We zouden mijn step nemen, bij de kleuterschool de hoek omslaan, de Bernburger Strasse uit rijden tot aan de Reileck en dan de Ludwig-Wucherer-Strasse in, die naar het centraal station liep. Alle grote steden lagen vlak achter het centraal station. We hoefden dus alleen maar langs de rails te rijden en zouden binnen de kortste keren in Berlijn zijn. Helaas kwam er niets van terecht, omdat Gertrud kort na dit grootse plan met haar ouders naar een andere buurt verhuisde en ik in het voorjaar naar de grote school ging. Ik heb Gertrud nooit meer gezien.

Berlijn! Dat magische woord. In 1933 dook het plotseling weer op. Ik was zeven en kon al lezen en schrijven. We zaten ’s middags in de woonkamer te eten en mijn vader las de krant, hoewel mijn moeder dat onder het eten niet graag zag.
‘In Berlijn staat de Rijksdag in brand,’ zei mijn vader en hij liet de krant op zijn schoot zakken.
‘De Rijksdag!’ riep mijn moeder uit.
‘Staat de Rijksdag in Berlijn?’ vroeg ik nieuwsgierig.
‘Stil,’ zei mijn vader. Hij was zenuwachtig, zo had ik hem nog nooit meegemaakt.
‘Staat heel Berlijn in brand?’ vroeg ik.
‘Stil,’ zei mijn vader.
Ons dienstmeisje kwam binnen en serveerde gelatinepudding van Dr. Oetker. ‘De communisten hebben de Rijksdag in brand gestoken,’ zei ons dienstmeisje. ‘Dat heb ik net op de radio gehoord.’
Mijn vader knikte. Toen ze weg was, zei mijn vader zachtjes: ‘Het waren niet de communisten. Het waren de nazi’s.’

Ik wist dat de nazi’s bruine uniformen, hakenkruisbanden en stevige laarzen droegen. Op een keer zag ik een groep op een vrachtwagen door de straten van Halle an der Saale rijden. Ze zwaaiden met vlaggen en schreeuwden in koor: ‘Deutschland erwache! Juda verrecke!’ Ik wilde aan een van hen vragen of hij de Rijksdag in brand had gestoken, maar ik durfde niet. De enige die dat wist, was de oma van Gertrud. Jammer dat ik Gertrud uit het oog had verloren. Gertrud had me een keer verteld dat haar oma in Berlijn de hele dag niets anders deed dan uit het raam leunen en naar de straat kijken. Vaak zelfs ’s nachts als ze niet kon slapen. Zij had vast gezien wie de Rijksdag in brand had gestoken. Of het de communisten waren of de nazi’s.

‘Onze Führer Adolf Hitler woont nu in Berlijn,’ zei de meester op school. ‘Berlijn is de hoofdstad van het rijk. Dat moeten jullie goed onthouden. Onze geliefde Führer, die ons volledige vertrouwen verdient – moge God hem gezondheid en een lang leven schenken –, heeft grote plannen met zijn stad. Bouwplannen namelijk. Binnenkort wordt Berlijn de hoofdstad van de wereld. Maar eerst moet de Führer de macht van de Joden breken. Die verjoodsen namelijk alles. Zelfs onze hoofdstad.’
Is de oma van Gertrud een Jodin? Maar waarom heeft ze dan een kerstboom?

Adolf Hitler. De Joden. De communisten. De nazi’s. De brand in de Rijksdag. De oma van Gertrud. Berlijn. De hoofdstad van het rijk. Woorden. Begrippen. Voorstellingen. Op een dag geef ik mijn step weg, want mijn vader heeft me een jongensfiets beloofd. En dan – als ik me zeker voel – fiets ik naar Berlijn. De hoofdstad ligt immers vlak achter het centraal station van Halle an der Saale.

Nadat ik mijn fiets had gekregen, reed ik elke dag naar het centraal station, soms zelfs een eindje verder. Op een keer waagde ik me de stad uit en fietste helemaal naar Schkeuditz, waar mijn tante woonde. Ze gaf me Joodse lekkernijen volgens het recept van mijn oma. Toen ik tegen haar zei dat ik op de fiets naar Berlijn wilde, lachte ze me uit. Ze zei: ‘Als je groter bent misschien.’

De nazi’s hadden mijn vader geruïneerd, want arische klanten waren bang om iets in zijn meubelwinkel te kopen. Bovendien moest de winkel geariseerd worden. Dat maakte ik op uit gesprekken die altijd werden gevoerd als mijn ouders dachten dat wij kinderen niet luisterden. Ik had een jongere broer, die nog erg kinderlijk was. Wat de woorden ‘geariseerd’ en ‘geruïneerd’ betekenden, heb ik hem later uitgelegd.
‘Papa’s winkel wordt geariseerd.’
‘Wat is dat?’
‘Dat weet ik niet.’
‘En wat betekent geruïneerd?’
‘Dat weet ik ook niet precies. Ik denk dat het betekent dat de nazi’s alles van de Joden afpakken. Ook van papa. En dan is hij geruïneerd.’
‘Is papa een Jood?’
‘Natuurlijk.’
‘Ben ik dat ook?’
‘Jij ook.’
‘Komen de nazi’s mijn teddybeer afpakken?’
‘Vast en zeker.’
‘Maar hij heeft maar één oor.’
‘Dat maakt ze niets uit.’

In 1938 besloot mijn vader om vrouw en kinderen naar het buitenland te sturen. Om veiligheidsredenen, hoorde ik. We moesten naar onze grootouders in Roemenië, en wel in de Boekovina. Ik hoorde nog meer bijzonderheden: Mijn vader zou in Duitsland achterblijven om ons huishouden en de zaak op te heffen – orde moest er zijn –, tot ook hij kon emigreren. Alleen niet naar Roemenië, maar naar Parijs. Daar lagen volgens mijn vader namelijk Amerikaanse inreisvisa te wachten voor het hele gezin. Wij kinderen en mijn moeder zouden dan van Roemenië naar Parijs gaan, daar mijn vader ontmoeten, in een mooi hotel logeren, gaan wandelen, Parijs bekijken, dan de inreisvisa afhalen... en naar Amerika vertrekken. Het klonk allemaal heel eenvoudig.
‘Maar ik kan niet weg zonder eerst onze hoofdstad gezien te hebben,’ zei ik tegen mijn vader. ‘Berlijn is belangrijk. Berlijn is de hoofdstad van de wereld.’
‘Zet Berlijn maar uit je hoofd,’ zei mijn vader. ‘Jullie moeten zo vlug mogelijk naar het buitenland. Voor Berlijn hebben we nu geen tijd.’
‘Wanneer krijg ik Berlijn dan te zien?’
‘Als we terugkeren uit ballingschap.’
‘Wanneer is dat?’
‘Dat weet ik niet.’

En toen kwam de dag van vertrek. Juli 1938. Het was een zwoele zomerdag en voor ons gevoel de heetste dag van het jaar, want in die paar koffers van ons was geen plaats voor onze dikke winterkleren, die we daarom moesten aantrekken. Mijn vader vergezelde ons tot Leipzig.
Ik weet nog dat ik bij het open raampje van de trein naar buiten stond te kijken. Met het centraal station van Halle an der Saale, dat langzaam in de verte verdween, leken ook mijn kinderjaren me voorgoed te ontglippen. Ze bleven gewoon achter, gingen verloren in de wind en het geratel van de trein. En opeens zag ik Gertrud. Ze zag er net zo uit als toen op de kleuterschool, niet ouder en niet groter geworden. Dezelfde waterblauwe ogen, de blonde vlechten, de dunne benen. Alleen zaten er op de plaats van de dunne armen vlindervleugels. Gedragen door de wind zweefde Gertrud zwaaiend en lachend naast het open raampje.
‘Waar ga je heen?’
‘Naar Berlijn.’
‘Je moet harder praten!’ schreeuwde Gertrud. ‘Ik kan je niet verstaan. Er is te veel wind.’
‘Naar Berlijn! Naar Berlijn!’
‘Neem je me mee?’
‘Nee.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ik eerst naar mijn opa en oma in Roemenië ga. En dan naar Parijs. En later via Amerika terug naar Berlijn.’
‘Waarom met zo’n omweg?’ riep Gertrud terwijl ze lachend haar kleine mond opensperde.
Ik schreeuwde tegen de wind in: ‘Dat weet ik niet.’

 

© Edgar Hilsenrath
© Vertaling Elly Schippers

Uitgeverij Ambo|Anthos

MINDBOOKSATH : athenaeum