Leesfragment: De buurt

27 november 2015 , door Ab Visser
| |

Het tweede boek uit de Lebowski Book of the Month Club is De buurt door Ab Visser uit 1953. Wij publiceren voor. '"Je zit nu wel in de zevende," zei mijn vader, "maar je moet toch langzamerhand gaan denken aan de toekomst, aan wat je wilt worden. Je weet dat je mag doorleren. Meneer Donia heeft gezegd dat je vlug van begrip bent en een goed stel hersens hebt." "Ik geloof niet dat ik wil doorleren," antwoordde ik. "Dom van je, Jo," zei mijn vader, "geen van de anderen heeft de kans gehad, maar ik zal je niet dwingen."'

Jo Rutgers groeit op in een eenvoudig gezin in de jaren 20 van de vorige eeuw. Het gezin woont in een gebied van ‘vijf huizenblokken, drie straten, een steeg en twee kaden’. In De buurt (uit 1953) verhaalt Visser over kwajongensstreken, vriendschappen en kalverliefdes (‘Want wij, straatjongens, wisten van het geslachtelijke alles en tegelijkertijd niets.’), maar ook over wat een vader betekent voor een jongen. 

De buurt is een roman over een verloren jeugd, over vrijheid die nooit meer terugkomt, met een Groningse volksbuurt en zijn bewoners (over de meisjes Pothof: ‘Zij waren geboren voor een korte, hevige wellust, en voor een lange, troosteloze ondergang’) als decor en gids. Ab Visser schrijft alsof je naar een boeiend verteller in een huiskamer of café zit te luisteren: levensecht en oprecht. 

 

De school

Het zevende leerjaar was voor mij een begrip dat het midden hield tussen de lagere school en het Leven met een hoofdletter; het gaf je een eigenaardig, zwevend gevoel alsof je op een springplank in de ruimte stond. Je probeerde eens met je voetzolen de betrouwbaarheid van de plank, voelde je los van de grond achter je en was benauwd voor de ruimte die je in moest duiken. Niet alle klasgenoten die zes jaar met mij meegegaan waren, gingen met mij over; sommigen waren al in de leer gegaan voor een vak. Voor hen was de toekomst bepaald, voor mij nog niet. Ik wist niet wat ik wilde en was alleen maar bevreesd voor welke ingrijpende veranderingen dan ook. Het zevende leerjaar gaf mij respijt en dat was alles wat ik nodig had.
‘Je zit nu wel in de zevende,’ zei mijn vader, ‘maar je moet toch langzamerhand gaan denken aan de toekomst, aan wat je wilt worden. Je weet dat je mag doorleren. Meneer Donia heeft gezegd dat je vlug van begrip bent en een goed stel hersens hebt.’
‘Ik geloof niet dat ik wil doorleren,’ antwoordde ik.
‘Dom van je, Jo,’ zei mijn vader, ‘geen van de anderen heeft de kans gehad, maar ik zal je niet dwingen. Ik wil je alleen maar zeggen dat je er later spijt van zult krijgen.’
De anderen waren mijn broers en zusters, zes in getal, en ik was de jongste en dom, omdat ik niet verder wilde leren. Ik had een goed stel hersens, zei meneer Donia, het kleine grijze schoolhoofd (of was hij kaal, ik weet het niet meer), met zijn dooraderd, blozend gezicht van deftig-ouderwets heertje; maar hij wist niet dat ik, wat rekenen betrof, volkomen afhankelijk was geweest van Joris de Vries, die zes jaar lang naast mij had gezeten, soms vooraan in de klas, soms achteraan, soms bij de ramen en soms bij de muur met de historische platen, en van wie ik altijd had afgekeken, op zo’n geraffineerde manier dat geen van de onderwijzers of onderwijzeressen het ooit had gemerkt. Misschien had ik willen doorleren als Joris meegegaan was, van klas naar klas, van school naar school, maar hij zou mij dan bij het huiswerk ook terzijde hebben moeten staan en later in het leven als ik achttien jaar zou zijn geworden.
Van al de angsten in het leven was mijn angst voor de achttienjarige leeftijd het ergst. Dan begon naar mijn voorstelling het volwassen-zijn. Je had een meisje of een verloofde en je moest zoveel geld verdienen dat je voor je zelf kon zorgen en ik wist niet hoe ik dat laatste ooit klaar moest spelen. Geld verdienen, geld beheren en geld uitgeven stond op de een of andere manier met rekenen in verband en was daarom voor mij een verschrikking. Wat mijn vlug begrip betreft, had meneer Donia gelijk. Ik zag thuis hoe er gewoekerd moest worden met elk dubbeltje; alles draaide om het geld, er moest altijd gerekend worden en ik, die helemaal niet rekenen kon...
Joris de Vries ging niet mee naar de zevende; hij verhuisde naar een ulo-school en ik huilde een halve nacht, omdat ik voortaan niet meer wist van wie ik mijn breuken, delingen en vermenigvuldigingen af moest kijken. Joris ging naar de ulo en zou daarna de mts aflopen. Voor hem was het niet erg om achttien te worden; hij wist hoe hij moest rekenen en dat zou hem een steun geven wanneer hij eenmaal verloofd was en een baan had. Ik ging alleen naar de zevende klas en moest maar afwachten wie er naast mij zou komen te zitten. Het Lot was barmhartig, want in mijn bank werd Gosse Jonker geplaatst, die wij de Rooie noemden, maar die tenminste ook rekenen kon.
Gosse Jonker was een onooglijk ventje met steenrood haar en niet erg populair; hij was bovendien ziek en veel erger dan wij vermoedden. Hij stierf voor zijn zestiende jaar en dat was een groot verlies voor zijn ouders, die veel van hem hielden, en voor zijn zuster, die dezelfde ongezonde kleur had als hij en die mij griezelen deed, omdat ze verliefd op mij was en mij derhalve dwong onbeschoft tegen haar te doen.
Wij zeiden in het speelkwartier tegen Gosse: ‘Ga weg, Rooie, je mag niet meespelen,' maar hij wist ons altijd weer te paaien, want hij kende een kunstje waar wij allemaal jaloers op waren. Dat het met zijn ziekte in verband stond, wisten wij toen nog niet en hij zelf evenmin. 'Mag ik blijven als ik voor koe speel?' riep hij en wij zeiden:'Ja, je mag blijven als je voor koe speelt.' Hij loeide eerst, maar dat kon Abe Dijkstra beter; die loeide als een echte koe en kon er smakgeluiden bij maken bovendien. Dat loeien van Gosse was ook alleen maar bedoeld om het samenzijn met ons langer te rekken. Wij drongen aan dat hij op zou schieten met de truc waar het om ging. Hij maakte een paar hik. en boergeluiden en had een ogenblik later zijn mond vol half verteerde etensresten.
Wij kwamen in het middagspeelkwartier precies te weten wat hij gegeten had. Gebakken uien kon hij 't langst bewaren. 'Hoe doe je dat toch?' vroegen wij en hij zei dat zijn maagklep niet deugde. Het was moeilijk je dat precies voor te stellen en wij probeerden allemaal met boer. en hikgeluiden tot hetzelfde resultaat te komen, wat meestal niet meer dan wat speeksel opbracht. Wij voelden bewondering en afgrijzen voor de Rooie en wij wisten niet dat de Dood bezig was hem langzaam uit te wringen als een natte spons. Hij werd naast mij in de bank geplaatst en aangezien hij bijna evengoed kon rekenen als Joris en niet klikte, vanwege de aanspraak, nam ik de opvallende kleur van zijn kuif maar op de koop toe.
De onderwijzer voor het zevende leerjaar heette Nibrig. Hij droeg een snor en sik op de manier van Michiel de Ruyter, maar hij miste ongetwijfeld diens christelijke heldenmoed. Op dat punt kon men ons, jongens en meisjes van de zevende, niets wijsmaken. Hij gaf een verwijfde geur af, alsof hij naar ons begrip zijn handen te vaak waste en te veel pommade in zijn haar wreef. Zijn lippen tussen snor en sikje waren week en vochtig als twee purperslakken. Wij ontdekten ook onmiddellijk dat hij de meisjes boven de jongens voortrok. Hij was een meisjesgek. Hij liet de meisjes bij zich komen met hun taalschriften en wees hun de fouten aan, met een arm om hun middel geslagen. Hij dacht dat wij, kleine jongens, zijn aanhalige maniertjes niet doorzagen, maar hij vergat dat wij zinnelijkheid roken, al wisten de meesten van ons nog niet precies waar Abraham de mosterd vandaan haalde.
Het lokaal was het bovenste van alle lokalen en het ontving licht door grote, groezelige ramen, die uitzicht boden op een bleekrood, pas gebouwd blok huizen en het daarachter gelegen weiland met het kanaal. Wanneer je naar het geweldige stuk hemel keek, met de voorbijdrijvende wolken (ik dacht dat het steeds dezelfde waren, die terugkeerden van hun avontuurlijke tocht rond de aarde), dan had je het gevoel in een luchtballon te zitten. Ik had dat gevoel heel sterk bij de rekenlessen en klemde mij daaraan vast met een wanhopige fantasie. ‘Zit je weer te suffen?’ zei meneer Nibrig als hij mij erop betrapte dat ik naar buiten keek, want hij was te oud en te zinnelijk om te begrijpen dat het wegzweven naar de hemel met de wolken geen suffen was, maar het intens beleven van een andere werkelijkheid.
In de klas zaten twee meisjes waar ik verliefd op was. De ene heette Corrie Spanjerd en de andere Willie Carelse. Ik wilde met de eerste plezier maken en met de tweede trouwen. Willie was een meisje uit de gegoede burgerstand; zij woonde in een huis van twee verdiepingen, met een gelakte deur, waarin een brievenbus zat, een attribuut van welstand. Wij hadden geen brievenbus, de post werd eenvoudig onder de deur door geschoven, omdat de drempel was uitgesleten. Willie was een van de eerste meisjes van de klas die haar vlechten liet afknippen en een polkakopje kreeg. Dat was toen erg modern en wij liepen haar na, zingende: ‘Polka, mesjokka.’ Het dragen van kort geknipt haar was een wufte zonde en de dominees gingen er vanaf de kansel tegen te keer. Ik vond het dus ook een zonde, maar een aantrekkelijke en al liep ik eveneens achter Willie aan om te roepen ‘Polka mesjokka’, ik was tevens hevig neerslachtig verliefd en verlangde naar de tijd dat er sneeuw zou vallen en ik haar kon inpeperen. Ik zou met Willie evenwel nooit amicaal worden, zoals met Corrie, die ik achterna zat op het speelplein en ruw om het middel greep om haar het bewijs van mijn kracht te geven.
Ik droomde ook van Corrie en stal haar inktlap om iets van haar in mijn bezit te hebben. Ik durfde haar brutaal in de ogen te kijken, want zij woonde in een armere buurt dan ik. Zij had een twee jaar oudere broer die op een tabaksfabriek werkte. Die betrapte mij er een paar keer op dat ik Corrie naar huis bracht en de schooltas voor haar droeg. Ik liep dan zo’n beetje slingerend naast haar, soms met de hele breedte van de stoep tussen ons in en bij elke vijf passen keek ik achterom. Ik schaamde mij ervoor met een meisje gezien te worden en deed net of ik eigenlijk niet bij haar hoorde. Ik schepte geweldig op over wat ik allemaal kon: slootje springen en appels stelen op de fruitmarkt en eenmaal leegde ik heimelijk mijn spaarpot om er samen met haar een grote zak studentenhaver voor te kopen, waar wij beiden misselijk van werden.
Op een middag kwam haar broer mij achterna en zei dat ik mij niet langer met zijn zuster moest inlaten. Hij was een heel stuk groter dan ik, had een voorhoofd vol rimpels en kon met een prachtig sisgeluid tussen de tanden doorspuwen.
‘Ik hou niet van die geintjes met mijn zuster,’ zei hij, ‘heb je dat gesnapt? Ze is daar nog veel te jong voor.’ Ik begreep niet welke geintjes hij bedoelde en probeerde mijn stap naar de zijne te regelen, wat heel moeilijk ging. ‘Je zegt nou wel niks,’ zei hij dreigend, ‘maar ik neem aan dat je mij begrepen hebt. Als ik je weer met haar zie, draai ik je je nek om, zo.’ Hij demonstreerde zijn bedoeling, maar liet mij gauw weer los toen ik hem tegen de schenen schopte. Hij vloekte in fantastische combinaties en ik stak op veilige afstand mijn tong tegen hem uit, maar met kloppend hart. ‘Lange lat!’ riep ik, nog buiten adem. Hij deed drie stappen in mijn richting en zag toen van verdere vervolging af. Ik had meteen genoeg van Corrie, ze deed toch niets anders dan giechelen en keek gedurende onze wandelingen nog schichtiger achterom dan ik. En ik wilde beslist geen geintjes met haar uithalen, wat en hoe die dan ook mochten zijn.
Met Willie durfde ik niet op te lopen. Haar voeten waren gewend aan tapijten en stellig niet aan vloerzeil en waarschijnlijk zou haar moeder niet de pan zo van het fornuis op tafel zetten, maar de aardappelen in een daarvoor bestemde, met blauwe bloemetjes versierde kom of zoiets schudden. Het was ook wel zeker dat zij met haar vader en moeder niet in de keuken at, maar in de suitekamer. Wij aten in de keuken, met uitzicht op het binnenplaatsje en meer speciaal op de zwartgeteerde plank die tegen de houten wc aangetimmerd was en waar al wat mannelijk in huis was open en bloot zijn kleine behoefte tegenaan deed. Niemand nam daar aanstoot aan en het was zelfs een prettige bezigheid, vooral op heldere avonden, als je naar de sterren kon turen en er soms met trage sierlijkheid een zag verschieten.
Wat de school betreft, die overigens in mijn persoonlijk leventje van twaalfjarige bengel een minder grote rol speelde dan de straat, heb ik aan de onderwijzers van de andere klassen slechts vage herinneringen behouden.
Met enige moeite kan ik mij de onderwijzer van de vierde klas voor de geest halen, die met lange, hoekige passen liep, alsof hij scharnieren in zijn knieën had. Hij kon prachtig vertellen over de Boerenoorlog, waarin hij meegevochten had, en hij kon je gemeen bij de kin grijpen met zijn mismaakte linkerhand. Dan was er ook de onderwijzer van de vijfde klas, die geen orde kon houden en een rond en rood gezicht had. Soms trok hij er met ons op uit de natuur in en stond dan heel dicht bij ons als een oudere broer.
Ten slotte herinner ik mij de godsdienstonderwijzer. Zijn lesuur was facultatief. Wie er niet deel aan hoefde te nemen, of er geen deel aan mocht nemen van zijn ouders, had tekenles in die tijd. Er bestond op de wereld geen ordelozer bende dan zijn klas. Ik deed harder dan wie ook mijn best het leven van deze zachtzinnige en wereldvreemde kwezelaar te verbitteren. Vooral tijdens zijn lange gebeden haalden wij ongehoorde staaltjes van kattenkwaad uit. Hij was een geboren martelaar van de nederigste soort. Eenmaal deed hij voor ons de hel in de hemel tuimelen, toen hij met de aanwijsstok de bijbelse plaat van de twaalfjarige Jezus in de tempel op zijn lessenaar met één slag in tweeën spleet en dit met een knallende vloek begeleidde. Het was geen wonder dat hij daarmee zijn laatste lesuur bezegelde en ik voel nog een brok in mijn keel en het schaamrood op mijn kaken als ik denk aan de wrede pesterijen die hem ten slotte deze vloek ontlokten en hem van godsdienstonderwijzer tot melkventer degradeerden.
Een van de treurigste dagen was voor mij de dag waarop Willie de school verliet om naar de meisjeskweekschool te gaan. Zij was een mooi en vroegrijp meisje. Ze stuurde briefjes naar een vriendinnetje dat in de bank achter mij zat, en een van die papiertjes heb ik kunnen onderscheppen, in de overtuiging dat in oorlog en liefde alles geoorloofd is. Er stonden, schots en scheef, een paar schuttingwoorden op, die wij, jongens, argeloos neerschreven en bezigden in onze omgangstaal, maar waarvan ik de zin begon te vermoeden uit haar briefjes...
En zij had zulke grote ogen, met schaduwen eronder van de lange, onschuldige wimpers, en haar slapen onder het korte glanzende haar hadden de blankheid van jasmijnbloesem. Ik was erg verliefd op haar en liep nog weken nadat zij van school gegaan was langs een omweg naar huis om door haar straat te komen, maar nooit heb ik haar meer gezien.

 

© Ab Visser, 1953
© Lebowski Publishers, Amsterdam 2015

Uitgeverij Lebowski

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum