Leesfragment: De kamers

27 november 2015 , door Lucas de Waard
| |

In februari en maart debuteren Andreas Oosthoek, Michiel Lieuwma, San Bos, Amir Chitzan, Sarah Meuleman en Lucas de Waard. In samenwerking met Recensieweb brengen wij uitgebreide fragmenten en zij signalementen van de boeken.

Het debuut van Lucas de Waard heet De kamers en verschijnt eind maart. Lucas de Waard (1984) schrijft columns en theaterstukken en debuteert nu met een roman.

Televisiepresentator Aram is op staande voet ontslagen nadat hij in zijn programma per ongeluk een jeugdige keeper ernstig heeft verwond. Hij zit al maanden thuis, is tot niets in staat. Hij volhardt zelfs in zijn passiviteit als zijn vriendin, een succesvol rechercheur, hem verlaat.
Tot het moment dat hij op een van haar dossiers over een mysterieuze verdwijningszaak stuit. Een gehandicapt meisje van twaalf is ogenschijnlijk van huis weggelopen, maar de politie kampt met vragen. De foto van een van de ondervraagden schokt Aram. Hij herkent een jeugdvriend, een vreemde jongen die hij ooit in de steek heeft gelaten. Aram besluit naar hem op zoek te gaan. Om een oude schuld jegens hem te vereffenen en om te ontdekken wat hij met de vermissing te maken heeft.

Lucas de Waard speelt een huiveringwekkend spel in deze psychologische roman waarin niets is wat het lijkt.

 

#

'Dus het klopt.'
‘Wat?’
‘Ik kon je horen. Jou. Wat je dacht. Wie je echt bent.’
‘Blijkbaar.’
‘En nu ben je hier.’
‘Ja.’
‘Waarom?’
‘Omdat ik nergens anders heen kon, denk ik. Ik ging dood.’

Het is lawaaiig in zijn hoofd. Het gonst er, het zoemt en gedachten vallen elkaar aan terwijl hij het tuinhekje opent en het grindpad op loopt. Hij steekt de sleutel in het slot van de voordeur maar draait niet. Hij blijft staan, met het warme metaal tussen zijn wijsvinger en duim geklemd, en hij wacht. Naast hem, tegen de muur, ligt een vuilniszak. Die ligt er al een tijdje. Hij ruikt een zurige lucht en hoort vliegen die hij niet ziet. Het huis lijkt te ademen. Misschien moet hij niet naar binnen gaan. Hij woont hier niet. Als hij naar binnen gaat, is het voor alles te laat. Dan gaan ze kapot, allebei.
Maar is hij niet al kapot? Maakt het nog uit?
Krijg de tering maar. Hij draait de sleutel en stapt de drempel over. In de gang is het warm en klam, alsof hij een vlindertuin binnenloopt. Hij laat de voordeur open. Iedereen mag weten dat hij hier is. Ze komen hem maar halen. Dan zullen ze merken dat er nog een aantal rekeningen openstaan.
In de woonkamer kijkt hij om zich heen. Tot zijn ergernis merkt hij dat hij het een prettig huis vindt. Lichte muren, lichte vloeren, donkere meubels. Kunst aan de muur. Veel boeken. Buiten gaat de zon onder. Het is doodstil. Over een tijdje zullen er weer krekels zijn, overal, maar nu is er niets.
Hij loopt naar de keuken en opent de koelkast. Hij heeft honger, misschien kan hij even snel iets eten. Hij ziet pakjes broodbeleg, een schaal gehakt, twee flessen champagne, een bakje aardbeien en een bord met kaasblokjes onder plastic folie. Na een tijdje besluiteloos staren pakt hij de kaasblokjes. Hij zet het bord op het aanrecht, haalt de folie eraf, propt het op tot een balletje en begint de blokjes in zijn mond te stoppen. Zijn lijf reageert als zo’n zaklamp waar je in moet knijpen om licht te krijgen. Een knijpkat heet dat, herinnert hij zichterwijl hij kaas schrokt. Al snel is het bord leeg. Hij zet het in de gootsteen en laat er water overheen stromen. Het is lang geleden dat hij in een echte keuken was. Het is een aangename plek om te zijn.
Achteloos pakt hij een mes uit het keukenblok. Het handvat is van hetzelfde roestvrije staal als het lemmet en koel. Hij rilt, terwijl buiten de zon verdwijnt. Achter in zijn hoofd wordt er gepraat. Een stem die hij herkent, maar die er niet kan zijn. Een stem die hij niet meer zou moeten kunnen horen. Ik ben hier. Het moet een vergissing zijn. Hij is in de war. Dat moet hij niet vergeten. Er is veel gebeurd deze dag, en de dingen liggen momenteel nogal in splinters. Daar kun je best een beetje van uit evenwicht raken. En alsof hij ook fysiek zijn balans kwijt is, gaat hij op de bank zitten. De kussens zijn zacht en dik, hij zakt erin weg zoals hij al jaren niet meer is weggezakt. Even glimlacht hij, en hij vraagt zich af of dit ook zijn leven had kunnen zijn. Een huis, met goede meubelen, dubbele beglazing en een open keuken. Was dat mogelijk geweest? Of heeft hij altijd een onoverbrugbare achterstand gehad? Bestaat er zoiets als vervloekt zijn? Aangeschoven bij een spel en alleen maar kut kaarten bedeeld krijgen? Hij sluit zijn ogen zonder in slaap te vallen.
Een half uur later opent hij ze weer. Hij hoort het grind in de voortuin knisperen. Aarzelende voetstappen richting de voordeur. Het is zover. Hij kijkt naar zijn schoot, waarin het mes ligt. Het is een groot mes, eentje waarmee je gebraden lam in plakken snijdt. Heeft hij dat zojuist gepakt? Dat was hij vergeten. Hij vraagt zich af wat hij ermee van plan is. En terwijl er voetstappen in de gang klinken, onzeker rubber op hout, omklemt hij het handvat.
Het is zover. Wat ‘het’ dan ook moge zijn.

1

Aram de Smet werd wakker en merkte dat zijn vrouw weg was. Hij lag met zijn rug naar een koudefront, de deken was een beetje teruggeslagen en het was doodstil. Er ademde maar één iemand in de kamer en dat was hij. Buiten ging een autoalarm, heel ver weg. Sinds ze nieuwe gordijnen hadden opgehangen was het in de slaapkamer zo donker als onder een rotsblok en duurde het zeker een paar minuten voor Arams ogen gewend waren en hij de silhouetten van de kast, de fauteuil en het enorme schilderij van zijn moeder kon ontwaren. Een zuur kijkende oude man aan een keukentafel, die hij niet kon zien, nog niet, maar op de een of andere manier was zijn strontchagrijnige aanwezigheid voelbaar. Als er bezoek kwam nam hij de mensen mee naar de slaapkamer. ‘Wil je het lelijkste schilderij aller tijden zien?’ Er kwam niet zo heel vaak meer bezoek.
Hij ging overeind zitten. Nog altijd miste er een lamp op het nachtkastje. Heel even voelde hij zich de eenzaamste mens op aarde, maar dat kon ook te maken hebben met de droom waaruit hij zojuist was ontwaakt. Er was iets met wolken die stilstonden in de lucht en een zwembad waarin allemaal dode dieren dreven, maar de flarden begonnen al op te lossen en algauw zouden ze helemaal verdwenen zijn. Aram streek even met zijn hand over de koude plek naast hem. Het kwam vaker voor dat Liz midden in de nacht verdween. Niets om je zorgen over te maken. Toch bemerkte zijn lijf vroeg of laat dat het alleen gelaten was en dan ontwaakte hij. Dat was niet erg. Ooit was slaap een luxe geweest, tegenwoordig strekte de voorraad tot in het oneindige. Vroeger sliep hij als een blok in de uren die hem gegund waren en het enige wat hier een einde aan kon maken, was de wekker. De ene keer lag Liz naast hem, de andere keer stond ze haar tanden te poetsen, en soms was het huis leeg. Dan lag er een briefje: ‘Ik ben even weg, de wereld redden. X’, of: ‘Ik heb alle koffie opgezopen. Sterkte!’ Zo ging het en dat was prima. Ze koesterden de avonden waarop ze samen naar bed gingen en de ochtenden waarop ze samen opstonden. Het waren er genoeg. Ze zeiden tegen elkaar: Wee de stakkers die elke ochtend tegen elkaars rotkop aan moeten kijken. Of nu ja, een van hen had het gezegd. Waarschijnlijk Liz.
Aram stond op en trok zijn kamerjas aan. Hij liep naar de badkamer, klikte het licht aan, deed de wc-bril omhoog en loosde het laatste deel van de anderhalve fles wijn die hij gedurende de avond soldaat gemaakt had. ‘Ik drink veel, de laatste tijd’, had hij tegen Liz gezegd, die met een glas tonic op de bank zat. Ze knikte. ‘Maar dat gaat wel weer over’, was haar antwoord. Aram keek in de spiegel en wreef in zijn ogen. Hoe laat was het? Vier uur?Vijf uur? Het voelde als ochtend, maar buiten was het nog donker en er waren geen vogels te horen. Hij knoopte zijn badjas dicht en verliet de badkamer, ging de trap af naar de keuken en zette koffie. Terwijl de pot vol pruttelde liep hij naar de gang om te kijken of er al post lag. Of anders weer een pakketje met verse stront erin; een mens wist maar nooit. De deurmat was leeg. Hij bedacht dat het ook veel te vroeg was voor post, bleef even staan en keek wat versuft om zich heen. Waarom hadden ze eigenlijk zo weinig klokken in huis? Kwam dat omdat hij altijd een horloge had gedragen? Wanneer had hij dat ding afgedaan? En waarom? Hij liep terug naar de keuken, schonk zichzelf koffie in en ging aan tafel zitten. Hij keek voor zich uit en luisterde naar zijn eigen ademhaling en een licht suizen in zijn linkeroor. Dat had hij sinds een tijdje. Zijn vrouw stond nu ergens over een greppel gebogen. Of over een lijk. Of ze verkende een kelder vol hokken die te groot waren voor dieren. Of er was, zoals de laatste twee keer dat ze ’s nachts werd opgeroepen, geen zak aan de hand. In de verte sloeg een kerkklok eenmaal. Dat kon half vijf of half zes betekenen. Hij nam een slok. De koffie was sterk en bitter. Ik kan nu net zo goed opstaan, dacht hij. Douchen, mijn kleren aantrekken en een wandeling gaan maken. Of een stuk hardlopen, nog beter. Als ik terugkom is de krant er, die ik niet lees, ontbijt ik en scheer ik me. En dan? Misschien de voordeur schuren, zodat ik hem eindelijk een nieuwe kleur kan geven. Boodschappen voor het weekend doen, dan is dat maar vast gebeurd. Planken zagen voor de boeken die niet meer in de kast passen. Ik hoef me werkelijk geen seconde te vervelen. Hij keek uit het raam en zag dat er een lichte gloed verscheen van achter de daken. Het moest half zes zijn. Het begin van de zoveelste vierentwintig uur die ik spendeer aan dingen die me geen reet interesseren. Bezigheden die niet bij me passen. Klusjes die ik niet belangrijk vind. Hij goot het laatste restje koffie achterover. Nou, zei hij tegen zichzelf, waar wacht ik nog op?

 

© Lucas de Waard

Uitgeverij De Geus

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum