Leesfragment: De pompoeneter

26 december 2015 , door Penelope Mortimer
|

29 december verschijnt Penelope Mortimers De pompoeneter (The Pumpkin Eater, vertaald door Irving Pardoen). Wij publiceren voor.

'Ik keek hem over de rand van het tijdschrift dat ik zogenaamd zat te lezen zo behoedzaam mogelijk aan. Sinds die middag, zes of zeven uur geleden, voelde ik me heel merkwaardig. Alsof ik versteend raak op het moment dat ik val: het hart bevriest terwijl het opspringt, het bloed uit zijn baan gestoten, de spieren verstijfd, de keel droog door de naar binnen gutsende lucht. Het kwam me voor dat ik bang was, maar ik wist het niet zeker.'

Een rauw en geestig verhaal over moederschap, het huwelijk en monogamie

Vanaf de bank van haar psychiater vertelt een naamloze vrouw  haar verhaal. Ze is moeder van een schare kinderen en getrouwd met scenarioschrijver Jake. Ze lijken ‘lang en gelukkig’ te leven, maar de realiteit is dat ze lijdt aan depressies terwijl ze moet zien om te gaan met een overspelige echtgenoot, therapiesessies, het huishouden, jeugdherinneringen en toekomstdromen. De pompoeneter is een inktzwarte komedie over het huwelijk en de valkuilen van het ouderschap.

5

‘Heeft Philpot dat vaker, dat ze flauwvalt?’
‘Flauwvalt?’
‘De kinderen zeiden…’
‘Nou? Wat? Wat zeiden ze?’
‘Ze zeiden dat ze gisteren is flauwgevallen.’
‘O. Nou. Dat zou kunnen.’
‘Ze zeiden dat jij erbij was. Dat je haar hebt opgevangen.’
‘Haar opgevangen toen ze flauwviel?’
‘Ja.’
‘Waarom zou ik haar opvangen als ze flauwvalt?’
‘Weet ik niet. Maar was het zo?’
‘Ik weet het niet! Ik weet het niet meer!’
‘Je hoeft niet zo te schreeuwen.’
‘Schreeuwen? Mijn god, ik ben hier niet degene die schreeuwt.’
Dat je voortdurend kinderen om je heen hebt, leidt tot dit soort dialogen – dit was onze moedertaal, een taal die onbegrijpelijk was voor de meeste volwassenen, maar waarin wij de complexe, subtiele en soms tragische gesprekken voerden die in de communicatie tussen mannen en vrouwen het laatste redmiddel zijn. Jake, die deze taal weliswaar pas op relatief gevorderde leeftijd had geleerd, had er een beter oor voor dan ik en was van nature ook meer tot imitatie geneigd. Hij was vooral heel sterk in intonatie en repliek. Nu zei hij, na even te hebben nagedacht: ‘Jij bent degene die schreeuwt.’
Ik keek hem over de rand van het tijdschrift dat ik zogenaamd zat te lezen zo behoedzaam mogelijk aan. Sinds die middag, zes of zeven uur geleden, voelde ik me heel merkwaardig. Alsof ik versteend raak op het moment dat ik val: het hart bevriest terwijl het opspringt, het bloed uit zijn baan gestoten, de spieren verstijfd, de keel droog door de naar binnen gutsende lucht. Het kwam me voor dat ik bang was, maar ik wist het niet zeker.
Het was middernacht. Jake had, toen we thuiskwamen uit de bioscoop, de straalkachel aangezet, maar de gordijnen waren niet dicht. Philpot had bij het verlaten van de huiskamer de deur open laten staan.
‘Waar is ze naartoe?’ vroeg ik.
‘Hoe moet ik dat weten.’
‘Heel eigenaardig.’
‘Wat?’
‘Nou, om mee te gaan naar de bioscoop en dan gewoon… zomaar weg te gaan.’
‘Het gaat ons niets aan wat ze doet.’
‘O nee,’ zei ik, ‘het gaat ons zeker niet aan.’
Ik tuurde in het tijdschrift. Jake lag met zijn jas nog aan onderuitgezakt in de fauteuil. We trilden als honden die een storm voelen aankomen. Van helemaal boven in het huis klonken jengelende geluidjes van bedden.
‘Maar ze heeft al haar spullen hier achtergelaten,’ zei ik.
Hij antwoordde niet. Ik dacht aan Philpots kamer in ons huis, aan de verschillende lagen van aan de randen smoezelige broderie anglaise, slordig uitgespreid over het onopgemaakte bed, het gemorste poeder, de stompjes lippenstift en deodorants zonder dop. Ik dacht eraan hoe op een mooie dag ’s middags een baan zonlicht door het zolderraampje naar binnen scheen en ik dacht eraan hoe het kind dat nu in dat verfoeide bedje lag te slapen er altijd over klaagde dat het zo eenzaam en donker was in die kamer en bang was dat niemand het zou horen als het doodging. Ik dacht eraan hoe ik die ochtend om tien uur Philpot ontbijt op bed had gebracht, deels omdat de wetenschap dat zij daar zo onvermoeibaar lag te slapen me irriteerde, deels ook omdat Philpot een arm meisje was van wie niemand hield, omdat ze er zo’n puinhoop van maakte en het leven niet sterk, doortastend en adequaat tegemoet trad zoals ikzelf. Ik dacht eraan hoe ik elke middag sterk, doortastend en adequaat door de parken en open terreinen van Londen struinde, om bij thuiskomst geconfronteerd te worden met een vers opgetuigde en opgemaakte Philpot, die dan zei: o, verhip, ik was echt, eerlijk van plan om de thee klaar te hebben. Ik dacht eraan hoe Philpot zo stilletjes bij ons was weggegaan, alsof ze zichzelf opoff erde, opdat wij door konden met ons leven: de ogen wat opgezwollen, maar met een edele uitstraling, schoot me nu te binnen, terwijl ze vanuit de deuropening met haar kanten zakdoekje naar ons zwaaide en afscheid nam. Ik keek op naar Jake. Er waren misschien vijftien seconden verstreken, maar in die tijd waren, als het ware onder dekking van deze losse invallen met betrekking tot de arme Philpot, hele stukken van mijn onschuld, vertrouwen, domheid en idealisme van me afgestroopt, alsof het huiden waren. Ik was kleiner, lelijker en machtiger dan tevoren, en ik was in de ban van mijn angst.
‘Wat is er gebeurd tussen jou en… Philpot?’
‘Gebeurd? Hoe bedoel je: gebeurd? Er is niks gebeurd.’
‘Waarom is ze dan zo ineens vertrokken?’
‘Ik zei toch al dat ik niet…’
‘En het verbaasde je niet eens, hè? Je wist dat ze weg zou gaan.’
‘Laat het gaan, wil je? Laat het gaan.’
Maar hij stond niet op, veranderde niet van onderwerp. Hij dook nog wat verder weg in zijn jas en staarde me over de opstaande kraag aan. Dat hij me zo bleef aanstaren maakte zijn blik melancholiek, niet zijn gelaatsuitdrukking. Ik keek naar zijn ogen. Ze hadden net zo goed van glas kunnen zijn. Ze waren leeg. Ze bewogen met me mee, keken hoe ik opstond, door de kamer liep en weer terug en op de bank ging zitten.
‘In de bioscoop hield je haar hand vast,’ zei ik. ‘Dat is toch wel heel bijzonder.’
‘Wat is daar bijzonder aan?’
‘Dat ik wist dat je het deed. Misschien heb ik zelfs wel gezien dat je het deed. Maar ik geloofde het niet.’
‘Mijn hemel, dat is toch geen misdaad.’
‘Maar je hield mijn hand ook vast. Je wilde ons allebei tevredenstellen.’
‘Wat doet het ertoe wier hand ik vasthield?’
Mijn lichaam en mijn stem begonnen te trillen van de enorme slagen van mijn hart. Ik zei: ‘O, dat doet er niet toe. Dat is volkomen… onbelangrijk.’
‘Nou dan.’
‘Behalve dan dat je normaal gesproken niet iemands hand vasthoudt, tenzij je, tenzij je wilt…’
Ik kon niet verder. Waardigheid, alsjeblieft, een klein beetje waardigheid, dit is wel een heel dwaze, een heel kortzichtige manier om te reageren op iets wat immers de meest voorkomende… ‘Het was niet meer dan een pekelzonde,’ zei Jake bruusk, alsof hij iets ging voordragen.
‘Een wat?’
‘Een pekelzonde. Een futiliteit.’
‘Ik snap het niet.’
‘Doet er niet toe.’ Hij geeuwde en sperde zijn mond zo wijd open dat het leek alsof zijn kaak uit de kom zou schieten. Wel een halve minuut lang keek ik naar zijn achterste kiezen, zijn gehemelte en zijn trillende amandelen. Zijn gezicht zag er bedaard uit toen hij zich weer ontspande. ‘Ik hou van je. Dus waarom zou je je zorgen maken?’
‘Had jij haar gevraagd om weg te gaan?’
‘O hemel, nee. Dat was haar idee.’
‘Waarom?’
‘Dat weet ik niet. Misschien dacht ze dat jij er… overstuur door zou zijn of zo.’
‘Waarom zou ik?’
‘Ach, in ’s hemelsnaam, snáp je het dan niet?’
‘Nee, ik snap het niet.’
‘Nou, dan…’ Hij stond op, stond daar met zijn handen in zijn zakken en zijn hoofd wat opzij en glimlachte naar me. ‘Nou, dan kan ik je ook niet helpen, hè?’
Ik staarde hem aan. Na een tijdje, een paar tellen misschien, keek hij weg en zei: ‘Luister eens, ik begrijp niet waardoor je zo van slag bent. Ik zei al dat het niks voorstelde. Verdomme, ik ga toch niet bij je wég. Ik wil niet met dat meisje tróúwen.’
‘Daarmee wou je me troosten?’
‘Je bent zelf ook niet bepaald een toonbeeld van echtelijke trouw geweest, weet je.’
‘Ik ben nooit iemand ontrouw geweest. Wie dan ook. Nooit.’
‘Geloof je dat zelf? God, wat een vreselijke hypocriet ben je…’
‘Maar je zegt dat het niks voorstelde. Je blijft maar zeggen dat het niks voorstelde. Waarom deed je het dan? Waarom zou je mensen zo kwetsen als het niks voorstelt, zoals je zegt?’
‘Waarom ben je zo gekwetst?’
‘Omdat ik om je geef. Ik geef om je!’
‘Om mij? Je geeft niks om me, dat weet je best. Hou je mond! Je geeft helemaal niks om míj, het enige waar je om geeft is dat de rekeningen worden betaald en om die ellendige kinderen, dat hele verdomde leger van kinderen dat ik moet voeden en waarvoor ik me moet afbeulen, zodat ik niet eens rustig een bad kan nemen, zodat ik verdomme niet eens kan eten zonder dat ze zitten te jengelen en de tafel onder kwijlen, zodat ik niet eens met je naar bed kan gaan zonder dat ze halverwege de kamer in stormen. Als je om me gaf, zou je proberen me te begrijpen, toch? Oké, ik ben een klootzak! Oké, ik ben niet goed genoeg voor je! Maar wat denk je dat voor mij de lol is van dit godsonmogelijk afschuwelijk vervelende gezinsleven van jou? Wat heb ík daaraan?’
Hij schreeuwde alsof ik een kilometer bij hem vandaan zat. Ik genoot van zijn geschreeuw. Ik dacht niet meer aan Philpot. Ik hield van hem. Hij raasde en tierde als een man bij wie duivels worden uitgedreven.
‘Waar zit je nou verdomme om te gniff elen? Je vindt het zeker grappig dat ík jou eens de waarheid zeg, hè? Jij dacht dat jij daar alleen maar over kunt oordelen, hè? Nou, liefj e, neem dan maar van mij aan dat je in een droomwereld leeft. Je ziet de realiteit niet eens als die zich zonneklaar aan je opdringt!’
‘Dat denk ik toch wel,’ zei ik. ‘Zoals nu bijvoorbeeld.’
‘Ja. Zoals nu. Maar je weet niet waar het om gaat, hè?’
‘Waar gaat het dan om?’
‘Dat ik weleens zin kan hebben in iemand anders. Dat ik een volkomen normale man ben, die zin kan hebben in iemand anders.’
‘Ik dacht al helemaal niet meer aan Philpot,’ zei ik.
‘Mooi. Maar waar hebben we dan in ’s hemelsnaam ruzie over?’
‘Ik weet het niet. Nergens over. Ik denk dat het gewoon… niks voorstelt.’
Ik stond op van de bank en liep langzaam naar de deur. Ik wist dat ik hem niet alleen zou laten, dat ik de kamer niet uit zou gaan, maar ik moest in beweging komen. Hij zei: ‘En nu ga je zeker naar bed, hè?’
‘Nee. Alleen even de deur dichtdoen. Voor het geval dat de kinderen je horen schreeuwen.’
‘Geef me dan maar wat te drinken. Ik zal niet meer schreeuwen.’
Toen ik hem zijn glas aanreikte, pakte hij me vast en trok me op zijn knie. Een paar tellen lang drukte hij me tegen zich aan – een lompe, onbeweeglijke last in zijn armen.
‘Ik meende daar niets van, hoor,’ zei hij. ‘Het spijt me.’
‘Niets waarvan?’
‘Wat ik zei over de kinderen. Ik hou van de kinderen, dat weet je.’
‘Het was wel waar, wat je zei.’
‘Ja?’
‘Ik denk het wel.’
‘Je snapt toch wel hoe het zat, hè?’
‘Je bedoelt wat Philpot betreft?’
‘Tja, ze was nou eenmaal hier. Ik weet dat het niet erg netjes van me was, of zo. Ik was het gewoon beu. Verveelde me dood met dat scenario. En jij hebt haar toch min of meer op een dienblaadje aan me gepresenteerd, vind je zelf ook niet?’
‘Dat is niet bij me opgekomen.’
‘Nee. Nou ja, dat kan ik me van jou wel indenken.’
Hij rekte zich uit om me te kussen. Als een kind, met vooruitgestoken lippen en gesloten ogen, wachtte hij. Ik keek aandachtig naar hem. Ik dacht aan mijn andere echtgenoten, allemaal fatsoenlijke, volwassen, onbaatzuchtige mannen die ik was ontvlucht doordat ik mijn kindertijd ontvluchtte – allemaal tekortschietende vaders die zomaar alleen waren achtergelaten. Ze leken naar me te kijken nu Jake wachtte op een moederlijke kus. Nu is het jouw beurt om te lijden, beste meid. Nu is het aan jou om te vergeten en te vergeven. Nu is het jouw beurt om vrijheid te beknotten of stukje bij beetje toe te staan.
‘Je hebt het niet gezegd,’ zei ik, ‘maar ik neem aan dat je met haar naar bed bent geweest?’
Hij deed zijn ogen niet open, maar schudde zijn hoofd heftig heen en weer.
‘Je hebt het niet gedaan?’
‘Nee. Natuurlijk niet. En kus me nou, vergeet het.’
‘Eerlijk waar?’
‘Eerlijk waar. Heus.’
Ik boog me behoedzaam voorover en kuste hem. Hij was vervuld van de hartstocht en de opwinding van een man die aan gevaar ontsnapt is.
‘Maar wil je het nog wel?’ vroeg ik genadeloos.
‘Niet als ik haar niet meer zie.’ Hij glimlachte naar me.
Hij had nog steeds die lege blik in zijn ogen, en ik realiseerde me nu dat dat nooit anders was, zelfs niet in de liefde. ‘Je zorgt er wel voor dat ik haar niet meer zie, hè?’
‘Ja,’ zei ik.
Eventjes, voordat hij zijn armen weer uitstrekte, keek hij verbaasd.

© Penelope Mortimer, 1962 © The Estate of Penelope Mortimer, 1962 ©

Vertaling uit het Engels Irving Pardoen, 2015

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum