Leesfragment: De pop

27 november 2015 , door Boleslaw Prus
| |

18 juni verschijnt Boleslaw Prus' grote Poolse klassieker De pop (Lalka, vertaald door Karol Lesman). Wij publiceren voor. ‘De handelsagent, die uit hoofde van zijn functie behoefte had aan veelzijdige en uitputtende informatie over kooplieden, bracht zijn fles wijn en glas over naar het tafeltje van de advocaat en terwijl hij zijn zoete blik in diens betraande ogen verdronk, vroeg hij hem op gedempte toon: “Neemt u me niet kwalijk, maar… waarom noemt u Wokulski een dwaas…? Hebt u misschien trek in een sigaar…? Ik ken die Wokulski een beetje. Hij kwam bij mij altijd over als een gesloten en trots iemand.”’

Wat Madame Bovary is voor de Franse literatuur en Anna Karenina voor de Russische is De pop voor de Poolse. Velen beschouwen het magnum opus van Boleslaw Prus als de grootste Poolse roman van de negentiende eeuw - of zelfs van alle tijden. Net als in die andere twee epische meesterwerken staat ook in De pop een tragische liefdesgeschiedenis centraal.

De bonkige, steenrijke selfmade man Stás Wokulski is tot over zijn oren verliefd op de beeldschone, koele aristocrate Izabela Lecka. Om deze vrouw te veroveren zal Wokulski zijn simpele levensstijl moeten opgeven. Hij begint de salons van Warschau te bezoeken, spendeert geld aan cadeaus en bloemen. Alles om in het gevlij te komen bij Izabela - en vooral ook bij haar vader Tomasz. Maar de oude adel laat de nouveau riche niet zomaar toe in haar domein. Behalve een aangrijpend liefdesverhaal is De pop daarmee ook een roman over de verwoestende werking van klasseverschillen.

 

Hoofdstuk een

De firma J.Mincel en S.Wokulski gezien door het glas van enkele flessen

In het begin van 1878, toen de politieke wereld in beslag werd genomen door de Vrede van San Stefano*, de verkiezing van een nieuwe paus of de kansen op een Europese oorlog, toonden zowel deWarschause kooplieden als de intelligentsia uit de buurt van de Krakowskie Przedmiéscie zich niet minder hartstochtelijk geïnteresseerd in de toekomst van de galanterieenzaak van de firma J. Mincel en S. Wokulski.
In een gerenommeerde eetgelegenheid, waar de eigenaren van linnengoedmagazijnen en wijndepots, fabrikanten van rijtuigen en hoedenmakers, solemnele gezinshoofden die van eigen fondsen leefden en huizenbezitters zonder betrekking zich voor het avondmaal hadden verzameld, werd evenveel over Engelands bewapening gesproken als over de firma J. Mincel en S. Wokulski. Gehuld in wolken sigarenrook en hangend over flessen van donker glas sloten sommige burgers van deze wijk weddenschappen af op de overwinning of de nederlaag van Engeland, andere op het bankroet van Wokulski; sommige noemden Bismarck een genie, andere Wokulski een avonturier; sommige hadden kritiek op het gedrag van president Mac-Mahon, andere beweerden dat Wokulski een verklaarde dwaas was, zo niet erger...
De heer Deklewski, een fabrikant van rijtuigen die zijn vermogen en positie te danken had aan standvastig arbeiden in dezelfde branche, alsook advocaat Wegrowicz, die al twintig jaar lang lid en beschermheer was van een en dezelfde liefdadigheidsinstelling, kenden Wokulski het langst en voorspelden het luidst diens ondergang. ‘Ondergang en insolventie moeten,’ zo sprak de heer Deklewski, ‘wel het eindstation zijn van een man die niet aan een branche vasthoudt en geen respect toont voor de milde gaven van vrouwe Fortuna.‘ Advocaat Wegrowicz voegde aan elke al even diepzinnige sententie van zijn vriend op zijn beurt toe: ‘Een dwaas! Een dwaas...! Een avonturier...! Józiu, breng nog eens een biertje. En het hoeveelste flesje is dat?’
‘Het zesde, meneer de advocaat. Ik kom eraan…!’ antwoordde Józiu.
‘Het zesde al…? Wat vliegt de tijd…! Een dwaas. Een dwaas,’mompelde advocaat Wegrowicz.
Voor de mensen die in dezelfde eetgelegenheid als de advocaat hun maaltijd gebruikten, voor de eigenaar ervan, de winkelbedienden en de loopjongens waren de oorzaak van het onheil dat Wokulski en zijn galanterieënzaak boven het hoofd hing, net zo helder als de gasvlammen die het lokaal verlichtten. Deze oorzaken lagen in een onrustig karakter, een avontuurlijk leven en ten slotte in de jongste handelwijze van iemand die, terwijl hij toch een aardige boterham verdiende en de mogelijkheid bezat om dit zo respectabele etablissement te frequenteren, vrijwillig had afgezien van bezoeken aan dit etablissement, zijn winkel aan de Goddelijke Voorzienigheid had overgelaten en in zijn eentje met alle van zijn vrouw geërfde contanten was afgereisd om in de oorlog tegen de Turken fortuin te gaan maken.
‘En misschien gaat hij dat nog doen ook… Leveranties aan het leger zijn een behoorlijk winstgevende handel,’ sprak de heer Szprot, een handelsagent die hier slechts incidenteel te gast was.
‘Hij gaat helemaal niks doen,’ antwoordde de heer Deklewski. ‘En ondertussen gaat een fatsoenlijke winkel naar de knoppen. Met leveranties verrijken zich enkel de Joden en Duitsers, wij Polen hebben daar geen kaas van gegeten.’
‘Misschien heeft Wokulski er wel kaas van gegeten?’
‘Een dwaas is hij! Een dwaas…!’ mompelde de advocaat. ‘Geef nog eens een biertje, Józiu. Het hoeveelste is dat…?’
‘Het zevende flesje, meneer de advocaat. Ik kom eraan.’
‘Het zevende al…? Wat vliegt de tijd, wat vliegt de tijd…’
De handelsagent, die uit hoofde van zijn functie behoefte had aan veelzijdige en uitputtende informatie over kooplieden, bracht zijn fles wijn en glas over naar het tafeltje van de advocaat en terwijl hij zijn zoete blik in diens betraande ogen verdronk, vroeg hij hem op gedempte toon: ‘Neemt u me niet kwalijk, maar… waarom noemt u Wokulski een dwaas…? Hebt u misschien trek in een sigaar…? Ik ken die Wokulski een beetje. Hij kwam bij mij altijd over als een gesloten en trots iemand. Bij een koopman is geslotenheid een deugd, trots een kwaal. Maar dat Wokulski neigingen zou hebben tot dwaasheid, dat heb ik nooit kunnen bespeuren.’
De raadsheer accepteerde de sigaar zonder speciale blijken van dankbaarheid. Zijn roodaangelopen gezicht, omgeven door plukken grijs haar boven zijn voorhoofd, op zijn kin en aan zijn wangen, leek op dat moment op een in zilver gezette carneool.
‘Ik noem hem,’ antwoordde hij, traag een stukje van zijn sigaar afbijtend en hem opstekend, ‘ik noem hem een dwaas aangezien ik hem al… Wacht eens even… vijftien… zeventien… achttien jaar ken… Het was in het jaar 1860… We aten toen vaak bij Hopfer. Hebt u Hopfer gekend…?’
‘Nou en of…!’
‘Welnu, Wokulski werkte indertijd als bediende bij Hopfer en hij was toen al een eind in de twintig…’
‘In een comestibleszaak?’
‘Ja. En net als Józiu vandaag bracht hij mij toen bier, rollade à la Nelson…’ ‘En van die branche is hij overgestapt op de galanterieënhandel,’ voegde de handelsagent toe.
‘Wacht u even, niet zo snel,’ onderbrak de advocaat hem. ‘Hij is inderdaad overgestapt, alleen niet naar de galanterieënhandel, maar naar de Voorbereidende School en daarna naar de Hoofdschool, begrijpt u… Hij moest zo nodig geleerde worden…’
De handelsagent begon op een manier die op verbazing duidde zijn hoofd te schudden.
‘Niet te geloven!’ zei hij. ‘Hoe komt-ie erop?’
‘Hoe? Nou gewoon, door banden met de Medische Academie, met de School voor Schone Kunsten… In die tijd was iedereen heetgebakerd en hij wilde niet onderdoen voor de anderen. Overdag bediende hij de gasten aan de toog en hield de rekeningen bij en ’s avonds studeerde hij…’
‘Geen beste bediening dus.’
‘Niet anders dan bij anderen,’ antwoordde de advocaat wat onwillig met zijn arm zwaaiend. ‘Maar bediende hij je, dan was hij, de driftkop, onvriendelijk: bij het minste of geringste gesproken woord fronste hij als een boef de wenkbrauwen… Het moet gezegd, we spaarden hem niet, en nog het kwaadst kon je hem krijgen als je hem “meneer de consiliarius” noemde. Eén keer heeft hij iemand zo van repliek gediend dat het weinig had gescheeld of ze waren op de vuist gegaan.’
‘En natuurlijk leed de handel daaronder…’
‘Integendeel! Want toen zich in Warschau het gerucht verspreidde dat een bediende van Hopfer de Voorbereidende School wilde gaan volgen, gingen hele hordes daar ontbijten. Voornamelijk studentenvolk.’
‘En is hij de Voorbereidende School ook gaan volgen?’
‘Zeker, en hij heeft zelfs examen gedaan voor de Hoofdschool. Maar stelt u zich voor,’ ging de advocaat verder en sloeg daarbij de handelsagent op de knie, ‘in plaats van de opleiding af te maken, is hij nog voor het einde van het jaar van school gegaan…’
‘Wat is hij gaan doen?’
‘Welnu… Hij is met anderen gaan zaaien wat wij tot op de dag van vandaag oogsten, en zelf is hij uiteindelijk ergens in de buurt van Irkoetsk* terechtgekomen.’
‘Niet te geloven!’ verzuchtte de handelsagent.
‘Dat is nog niet alles… In 1870 is hij met een klein kapitaal in Warschau teruggekeerd. Een halfjaar heeft hij naar een betrekking lopen zoeken, waarbij hij in een wijde boog om de handel in specerijen heen liep, die haat hij tot op de dag van vandaag, net zo lang tot hij zich ten slotte door protectie van zijn huidige zaakwaarnemer Rzecki wist binnen te werken in de winkel van mevrouw Mincel, die juist weduwe was geworden, en een jaar later is hij met het veel oudere mens getrouwd.’
‘Geen verkeerde beslissing,’ merkte de handelsagent op.
‘Bepaald niet, nee. In één klap wist hij zich verzekerd van een bestaan en een werkomgeving waaraan hij rustig tot het eind van zijn leven voldoening zou hebben. Maar hij zat wel flink onder de plak bij dat mens!’
‘Ja, ze kunnen er wat van…’
‘En hoe!’ ging de advocaat verder. ‘Maar zie hoe het geluk hem toelachte. Anderhalf jaar terug moet het mens iets verkeerds hebben gegeten en is ze de pijp uit gegaan, en na vier jaar dwangarbeid was Wokulski zo vrij als een vogel en een aanzienlijke winkel en dertigduizend roebel aan contanten waar twee generaties Mincel voor hebben moeten werken rijker.’
‘Dat noem ik nog eens geluk hebben.’
‘Geluk hebben gehad,’ corrigeerde de advocaat hem, ‘maar hij heeft het niet gekoesterd. Een ander zou in zijn plaats met een deugdzaam meisje zijn getrouwd en in weelde hebben geleefd, want dat, meneer, wil vandaag de dag wat zeggen, een winkel met een reputatie en op zo’n uitstekende plek…! Maar de dwaas heeft de boel de boel gelaten en is in de oorlog zaken gaan doen. Hij moest zo nodig op miljoenenjacht, verduiveld nog aan toe!’
‘Misschien slaagt hij daar nog in ook,’ zei de agent.
‘Ja, ja!’ wond de advocaat zich op. ‘Józiu, geef nog eens een biertje. Denkt u dat hij in Turkije een nog rijkere dame aan de haak zal slaan dan wijlen mevrouw Mincel…? Józiu…!’
‘Ik kom eraan…! Hier komt het achtste…’
‘Het achtste?’ herhaalde de advocaat. ‘Dat kan niet. Wacht even… Eerst was daar het zesde, toen het zevende…’ mompelde hij met een hand voor zijn gezicht. ‘Het zou best kunnen dat dit het achtste is. Wat vliegt de tijd…!’
Ondanks de sombere voorspellingen van degenen die de dingen op nuchtere wijze beschouwden, raakte de galanterieënzaak van de firma J. Mincel en S. Wokulski niet alleen niet in verval, maar deed ze zelfs goede zaken. Het publiek, nieuwsgierig geworden door de geruchten over een naderend bankroet, begon in steeds groteren getale de winkel te bezoeken en nadat Wokulski Warschau had verlaten, begonnen Russische kooplieden zich voor de handelswaar aan te dienen. De bestellingen namen in aantal toe, er was sprake van een buitenlands krediet, wissels werden met de regelmaat van de klok betaald en in de winkel zag het zwart van de klanten die de drie bedienden nauwelijks aankonden: een spillebeen met blond haar die eruitzag alsof hij elk uur kon bezwijken aan de tering, de tweede was een donkerblonde jongeman met de baard van een filosoof en de gebaren van een vorst en de derde een dandy met een voor het schone geslacht dodelijk snorretje, die rook naar een chemisch laboratorium.
Noch de nieuwsgierigheid van het gemene volk echter, noch de fysieke en geestelijke kwaliteiten van de drie winkelbedienden, noch zelfs maar zijn gevestigde reputatie zouden de winkel van de ondergang hebben gered als de leiding ervan niet in handen was geweest van de vriend en plaatsvervanger van Wokulski, sinds veertig jaar medewerker van de firma, de heer Ignacy Rzecki.

 

Hoofdstuk twee

Het bewind van een oude klerk

De heer Ignacy Rzecki woonde al vijfentwintig jaar in een kamertje naast de winkel. In die tijd had de winkel gewisseld van eigenaar en vloer, kasten en glas in de ramen, waren en winkelbedienden; maar de kamer van de heer Rzecki was altijd dezelfde gebleven. Hij had hetzelfde trieste raam dat uitkeek op dezelfde binnenplaats, achter hetzelfde traliewerk waaraan een misschien wel vijfentwintig jaar oud spinnenweb hing en een in elk geval vijfentwintig jaar oud gordijn dat ooit groen maar nu uit heimwee naar de zon verschoten was.
Bij het raam stond dezelfde zwarte tafel, bedekt met een kleed dat ook ooit groen was geweest, maar nu slechts vol vlekken zat. Daarop een grote zwarte inktpot met een grote zwarte zanddoos die aan hetzelfde onderstel zat vastgemaakt, een paar geelkoperen kandelaars voor talkkaarsen die niemand meer aanstak en een stalen snuiter waarmee niemand meer de pit bijknipte. Een ijzeren bed met een heel dunne matras, met erboven een nooit gebruikt dubbelloopsgeweer en eronder een koffer met gitaar die aan een kinderlijkkist deed denken, een smalle met leer overtrokken canapé, twee eveneens met leer overtrokken stoelen, een grote metalen waskom en een kleine kast in cerise vormden het ameublement van deze kamer, die door zijn lengte en de erin heersende schemer eerder aan een graftombe deed denken dan aan een woning.
Net als de kamer waren sinds een kwarteeuw de gewoonten van meneer Ignacy niet veranderd.
’s Ochtends werd hij steevast om zes uur wakker; dan lag hij nog even te luisteren of het op de stoel liggende horloge wel liep en keek hij naar de wijzers die samen één rechte lijn vormden. Hij wilde in alle rust opstaan, zonder veel omhaal, maar omdat hij koude voeten had en zijn enigszins verstijfde handen niet voldoende gehoorzaamden aan zijn wil, schoot hij plotseling overeind, sprong naar het midden van de kamer, rende na zijn slaapmuts op het bed te hebben geworpen naar de grote kom bij de kachel en waste zich daar van top tot teen, snuivend en proestend als een volbloed op leeftijd die aan de paardenraces terugdacht.
Tijdens het ritueel van het afdrogen met een ruwe badhanddoek keek hij met plezier naar zijn magere kuiten en zijn behaarde borst en mompelde: ‘En toch kom ik aan.’
In diezelfde tijd sprong zijn oude eenogige poedel Ir van de canapé en stond even later na kennelijk de laatste restjes slaap duchtig van zich te hebben afgeschud aan de deur te krabben, waarachter het noeste blazen in een samowar te horen was. Terwijl de heer Rzecki nog altijd doende was zich haastig te kleden, liet hij de hond naar buiten, zei goedemorgen tegen de huisknecht, haalde een theepot uit de kast, vergiste zich bij het knopen van zijn manchetten, rende naar de binnenplaats om te zien wat voor weer het was, brandde zich aan de hete thee, kamde zonder in de spiegel te kijken zijn haar, en om halfzeven was hij klaar.
Nadat hij had omgezien of de stropdas wel om zijn hals hing en zijn horloge en portemonnee in zijn zakken zaten, haalde meneer Ignacy uit het tafeltje een grote sleutel tevoorschijn en opende licht gebogen daarmee plechtig de met ijzeren plaatwerk beslagen achterdeur van de winkel. Samen met de huisknecht ging hij naar binnen, ze ontstaken enkele gasvlammetjes en terwijl de huisknecht de vloer aanveegde, las meneer Ignacy uit zijn aantekenboekje door een knijpbril het rooster van die dag voor: ‘Achthonderd roebel naar de bank brengen, aha…! Naar Lublin drie albums versturen, een dozijn portemonnees… Precies…! Naar Wenen een postcheque ter waarde van twaalfhonderd gulden*… Van het spoor de levering afhalen… De zadelmaker aanmanen vanwege het niet bezorgen van de koffers… Een bagatel…! Een brief aan Stas schrijven… Een bagatel…!’
Toen hij klaar was met lezen, stak hij nog wat vlammetjes aan en bij de weerschijn daarvan deed hij een ronde langs de waar in de vitrines en de kasten.
‘Manchetknopen, spelden, portemonnees… goed zo… Handschoenen, waaiers, stropdassen… ja ja. Wandelstokken, parasols, reistassen… En hier, de albums, de necessaires… Die saffierblauwe is gisteren verkocht, natuurlijk…! Kandelaars, inktpotten, presse-papiers… Porselein… Ik ben benieuwd waarom ze die vaas hebben omgedraaid…? Zeker… Nee, hij is niet beschadigd… Poppen met haar, een theater, een carrousel… Voor morgen moeten we de carrousel maar in de etalage zetten, want de fontein is inmiddels zo alledaags geworden. Een bagatel…! Het loopt al tegen achten… Ik wed dat Klejn de eerste zal zijn en Mraczewski de laatste. Natuurlijk… Hij heeft een of andere gouvernante leren kennen en heeft voor haar al een necessaire op rekening en met korting gekocht… Uiteraard… Zolang hij maar niet zonder korting gaat kopen en niet op rekening…’
Zo liep hij mompelend door de winkel, licht gebogen, met de handen in de zakken en de poedel achter hem aan. Zo nu en dan bleef het baasje staan om naar een of ander voorwerp te kijken en dan ging de hond op de vloer zitten en krabde met zijn achterpoot in zijn dikke, warrige haren en staarden de in een rijtje in een kast opgestelde poppen, klein, middenmaat en groot, met zwart en blond haar, hen met doodse ogen aan.
De gangdeur kraakte en daar was de heer Klejn, een broodmagere winkelbediende, met een trieste glimlach rond de blauwe lippen.
‘Als ik het niet dacht, ik wist dat u de eerste zou zijn. Goedemorgen,’ sprak meneer Ignacy. ‘Pawel! Doof het licht en doe de winkel open.’
De huisknecht kwam naar binnen gesloft en draaide het gas dicht. Even later waren het gekras van deurgrendels en het gekletter van staven te horen en kwam het daglicht de winkel binnenvallen, de enige klant die de zakenman nooit teleur zal stellen. Rzecki ging aan zijn schrijftafel bij het raam zitten. Klejn nam zijn vertrouwde plek bij het porselein in.
‘De patroon is nog niet terug, u hebt nog geen brief ontvangen?’ vroeg Klejn.
‘Ik verwacht hem half maart, hoogstens over een maand.’
‘Als hij niet door een nieuwe oorlog wordt tegengehouden.’
‘Stas... Meneer Wokulski,’ corrigeerde Rzecki zich, ‘schrijft dat er geen oorlog komt.’
‘De koersen dalen anders wel, en ik las net dat de Engelse vloot de Dardanellen binnen is gevaren.’
‘Dat zegt niks, er komt geen oorlog. Trouwens,’ verzuchtte meneer Ignacy, ‘wat kan ons een oorlog schelen waar geen Bonaparte aan deelneemt.’
‘De Bonapartes zijn klaar met hun carrière.’
‘Waarlijk...?’ glimlachte meneer Ignacy ironisch. ‘En ten faveure van wie mogen Mac-Mahon en Ducrot in januari die staatsgreep dan wel hebben gearrangeerd...? Gelooft u me, meneer Klejn, het bonapartisme is een macht van formaat...!’
‘Er is een grotere.’
‘En wat mag dat dan wel wezen?’ reageerde meneer Ignacy verbolgen. ‘Misschien een republiek met Gambetta…? Bismarck soms?’
‘Het socialisme…’ fluisterde de broodmagere winkelbediende terwijl hij zich achter het porselein verschool.
Meneer Ignacy plantte zijn knijpbril wat steviger op de neus en kwam op zijn stoel overeind, alsof hij in één beweging een nieuwe theorie wilde weerleggen die tegen zijn opvattingen indruiste, maar daarin werd hij gehinderd door de binnenkomst van een andere winkelbediende met een baardje.
‘Een goedendag, mijn waarde heer Lisiecki!’ wendde hij zich tot de nieuwkomer. ‘Een koude dag vandaag, nietwaar? Hoe laat mag het wel niet zijn in de stad, want mijn horloge loopt zeker voor. Volgens mij is het nog geen kwart over acht…?’
‘Het idee…! Uw horloge loopt ’s ochtends altijd voor en ’s avonds achter,’ antwoordde Lisiecki bits terwijl hij de rijp van zijn snor veegde.
‘Ik durf te wedden dat u gisteren een partijtje préférence hebt gespeeld.’
‘Reken maar. Dacht u soms dat ik er genoeg aan heb om de hele dag naar jullie galanterieën en naar uw grijze hoofd te kijken?’
‘Wel, mijnheer, ik ben liever een beetje grijzend dan kaal,’ zei meneer Ignacy verontwaardigd.
‘Het idee…!’ siste de heer Lisiecki. ‘Mijn kaalheid, als iemand die al wil zien, is een trieste familie-erfenis, maar uw grijze haren en norse karakter zijn de vruchten van de ouderdom die… ik zou willen respecteren.’ De eerste klant kwam de winkel binnen: een vrouw, gehuld in een ouderwetse mantel en een hoofddoek, die om een koperen kwispedoor vroeg. Meneer Ignacy maakte een diepe buiging en bood haar een stoel, terwijl de heer Lisiecki achter de kasten verdween en even later terugkwam om de cliënte met een waardige beweging het gewenste voorwerp te overhandigen. Vervolgens schreef hij de prijs van de kwispedoor op een briefje, gaf dat over zijn schouder door aan Rzecki en ging met de uitdrukking van een bankier die zojuist enkele tienduizenden roebels voor een liefdadigheidsdoel heeft gedoneerd, weer achter zijn toonbank staan.
De ruzie over de grijze haren en het kale hoofd was uit de wereld.

[...]

 

© 2015 Nederlandse vertaling Karol Lesman © 2015 nawoord en toelichting Karol Lesman

Uitgeverij Atlas Contact

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum