Leesfragment: De prijs van de liefde

27 november 2015 , door Alfred Hayes
| |

De prijs van de liefde (In Love, vertaald door Marcel Misset) van Alfred Hayes uit 1953 is onderdeel van Lebowski's Book of the Month Club in juni. Wij publiceren voor. 'Vreemd eigenlijk, zei de man tegen het mooie meisje, hoe goed ik nog slaap, dat mijn eetlust nog hetzelfde is, terwijl ik tegenwoordig altijd moe ben, een onverklaarbare rugpijn heb, hier, waar die raadselachtige knopen in onze spieren zitten, dat mijn ogen branden (hoewel ik nog maar zelden lees en maar zelden in de bioscoop kom); dat ik met een scherpe, bittere smaak in mijn mond rondloop.'

New York, jaren vijftig. Een man zit in een bar en vertelt aan een jonge vrouw zijn tragische levensverhaal. Hij was verliefd op een vrouw. Ze was jong getrouwd, snel gescheiden, had een kind en zag er goed uit. Ze spraken af, werden close, maar de man zag geen heil in een serieuze relatie. Hij was druk en veronachtzaamde haar. Op een dag ontmoette de vrouw een zakenman die haar een bedrag bood om met haar te mogen slapen. De verteller, gedreven door jaloezie, werd alsnog verliefd op haar, en zij op hem, maar hun liefde was verdoemd. De prijs van de liefde is een hartverscheurend verhaal over het einde van een relatie.

Alfred Hayes (1911-1985) was schrijver en dichter. Hij publiceerde zeven romans, drie dichtbundels en verwierf faam als scenario schrijver in Hollywood, waar zijn korte roman My Face for The World to See zich afspeelt. Hij schreef onder andere mee aan Rossellini's Paisà (1946) en Fritz Lang's Human Desire (1954).

 

1

Hier ben ik, zei de man in de hotelbar tegen het mooie meisje; redelijk succesvol, wat geld op de bank, een dak boven mijn hoofd, een telefoonnummer dat je zó kunt vinden, die uitdrukking op mijn gezicht die je zo typerend vindt, mijn hand hier op deze tafel die echt lijkt, echt genoeg, net als ikzelf, als je niet al te nauwkeurig kijkt.
Lijk ik iemand, vroeg de man in de hotelbar om drie uur ’s middags aan het mooie meisje dat nergens heen hoefde, die niet weet wat er mis met hem is, of iemand die denkt dat het met hem is gedaan?
Ik neem aan van niet.
Ik neem aan dat ik in elke spiegel, of in de ogen van een toevallige passant, op een dag als vandaag bijvoorbeeld, in een hotel als dit, in een bar als deze, over een tafel als deze, overkom als iemand die weet waar hij heen gaat, zelfverzekerd, overtuigd van zichzelf, zich bewust van wat hem redelijkerwijs te wachten staat als hij ergens binnenkomt, hoewel ik, als je zou aandringen, nauwelijks in staat zou zijn die geheime bestemming voor je te omschrijven.
Maar die is er. Hij moet er zijn. We moeten ons gedragen alsof hij bestaat, nietwaar, doen alsof we doelgericht op weg zijn naar een of andere afspraak, doen alsof we een of andere afspraak hebben, op weg zijn naar een bestemming, een plek waar, al zitten we hier onze daiquiri’s te drinken en worden onze voetstappen gesmoord door dikke tapijten en loopt de dag ten einde, belangrijke mensen ongeduldig op ons zitten te wachten, nietwaar? Maar de waarheid is dat al die doelgerichtheid van ons aanstellerij is. We hebben geen afspraak, niemand kijkt reikhalzend uit naar onze komst, niemand zit op ons te wachten, helemaal niemand, nooit eigenlijk, vanaf het begin af aan al niet, toen we ons nog meer haastten dan nu, en iets in ons het geloof levend hield, al was het maar voor even, toen we jonger waren – ik althans, jij bent nog vrij jong; hoe oud ben je eigenlijk: vierentwintig, vijfentwintig? –, dat de ernst waarmee we alles aanpakten het bewijs vormde dat die bestemming werkelijk bestond.
Nu, bijna veertig, zeg ik tegen mezelf dat die bestemming er misschien wel niet is, nooit heeft bestaan, dat die plek er niet is, waarnaar we op weg zijn. Denkend dat – niet gedesillusioneerd, eerder het tegenovergestelde van geïllusioneerd – het misschien een verbetering is, wat het waarschijnlijk niet is; en met een bijna niet te beschrijven gevoel van verlies; het gevoel dat je ergens een fout hebt gemaakt, een of andere vergissing hebt begaan die nooit meer kan worden hersteld, een of ander gebaar dat nooit meer ongedaan kan worden gemaakt.
Maar je bent mooi, het loopt tegen vieren, er staan cocktails voor ons op tafel. In die spiegel lijken we allebei zichtbaar. Als we hem roepen komt de ober, de klok tikt, de rekening wordt betaald, onze schuld voldaan, deze stad zal blijven bestaan.
Is dat uiteindelijk niet precies wat we willen? Dat de dingen hun eigen plek hebben, een schijn van orde, dat we ons prettig voelen, al of niet terecht; een middag waarop iets lijkt te gebeuren.
Niets van zijn plek, niets terloops, een aangename sfeer, geen schuldgevoelens.
Die komen pas later, toch? De schuld komt pas later op tafel. Pas als de ober is betaald, de rekening vereffend. Dan blijft er altijd iets over, iets waar we niet op hadden gerekend, en dan komt het schuldgevoel, toch?
Vreemd eigenlijk, zei de man tegen het mooie meisje, hoe goed ik nog slaap, dat mijn eetlust nog hetzelfde is, terwijl ik tegenwoordig altijd moe ben, een onverklaarbare rugpijn heb, hier, waar die raadselachtige knopen in onze spieren zitten, dat mijn ogen branden (hoewel ik nog maar zelden lees en maar zelden in de bioscoop kom); dat ik met een scherpe, bittere smaak in mijn mond rondloop.
En waarom? zei de man die haar een verhaal had beloofd. Hij knikte haar vriendelijk toe, hij keek naar het mooie meisje, dat alle voordelen had van iemand die nog geen veertig is, maar ook alle nadelen. Waarom voel ik me zo? Wat heb ik verloren dat kennelijk niet meer kan worden teruggevonden? Wat heb ik gedaan, zei hij, dat ik zo ongelukkig ben, en dat ik dat ongeluk, dat me heeft ingekapseld als een cocon, tegelijkertijd als niet werkelijk, als niet gerechtvaardigd beschouw?
Misschien, zei de man tegen het knappe meisje, fronsend nu, is dat wat er mis met me is, als er al iets mis met me is; ik weet niet meer wat de dingen betekenen; het kost me moeite ze te herkennen, alsof ik langzaam aan het verstenen ben. Daar zijn ze, de dingen die mijn wereld uitmaken, en daar ben ik, niet meer in staat ze te benoemen – een ornitholoog voor wie alle vogels dezelfde veren hebben gekregen, een tuinman die de ene bloem niet meer van de andere kan onderscheiden. Denk je echt, zei de man, dat dat mijn kwaal is, als het een kwaal is? Mijn ziekte, als het een ziekte is?
Ja, zei de man, ik heb me vaak afgevraagd waarom ik een droevige indruk op mensen maak, en toch houd ik vol dat ik niet droevig ben, dat ze zich vergissen, maar als ik in de spiegel kijk blijkt het te kloppen, ik heb een droevig gezicht, werkelijk droevig, en begin ik zelf te geloven (en hij glimlachte naar haar omdat het vier uur was, de dag ten einde liep en ze zo mooi was, verbazingwekkend hoe ze almaar mooier werd) dat ze gelijk hebben en voel ik me droeviger dan ooit.
Hij begon te vertellen.

2

Ze woonde in een kleine flat. Ik herinner me dat naast haar een nogal vreemd meisje woonde, dat eruitzag alsof ze uit New England kwam en tuberculose had. Beneden woonde een stel elegante jongens die iets bij de televisie deden. Op hun imitatieschoorsteen stonden zwarte kandelaars en aan de muren hingen foto’s van de gespierde guards van Buckingham Palace; ene mevrouw O’Toole had een hondje.
De kleine en te hoog geplaatste ramen van haar appartement keken uit op een groot kantoorgebouw. Er waren altijd ogen, opgewonden blikken, die verwachtingsvol werden opgeslagen van achter bureaus, apparaten en magazijntafels, zodra haar gordijnen maar even bewogen. ’s Nachts sloot ze alle ramen en trok ze de gordijnen dicht, omdat ze dacht dat anders een insluiper (in haar dromen was hij altijd zwart) zich van de dakrand zou laten zakken (als ze sliep natuurlijk, en alleen was, en alles zou geruisloos gaan) op de vrij brede vensterbank en haar woonkamer zou binnendringen, waar ze sliep. Ik probeerde haar gerust te stellen, zei haar dat het mij een zo goed als onmogelijke opgave leek voor een indringer, met al die mensen om haar heen. De hond van mevrouw O’Toole zou aanslaan; hoezo, zei ze, dat beest heeft geen tand in zijn bek; het meisje naast haar zou haar horen gillen; maar die spoort niet helemaal, zei ze, die komt nooit buiten; nou ja, die jongens beneden dan; mijn god, zei ze, wie zou daar nou bang voor zijn? Dus zei ik maar dat de straat waar ze woonde veel te druk was, vrachtwagens en bussen reden met veel lawaai af en aan, echt alleen was ze nooit. Als de aanwezigheid van mensen je beschermde, werd ze beschermd, ze was altijd omringd door mensen, dat was toch geruststellend; ze werd bewaakt, als je buren die te veel dronken, een metrostation op de hoek, een taxistandplaats met slaperige taxichauffeurs die in hun auto de sensatieblaadjes zaten te lezen als bewaking beschouwde.
Maar ze had de gebruikelijke angstaanjagende dreigend achter de rug. Een keer in de buurtbioscoop op het toilet; in paniek had ze het uitgegild toen een gezicht dreigend boven de deur opdook, en een keer in haar eigen huis; ze hoorde zachte, behoedzame voetstappen op de gang, het kraken van de traptreden, nauwelijks hoorbaar gehijg. Er werd op haar deur geklopt. Haar deur was vergrendeld (van later, toen we ruzie kregen, herinner ik me hoe haar gezicht verscheen in de behoedzaam kierende deur) met een ketting. Daar stond ze, ik stelde me altijd voor hoe ze daar had gestaan in haar korte witkatoenen badjas, op die deurmat, sprekend met een stem die waarschijnlijk trilde van bedwongen hysterie. Wie is daar? De onbekende stem antwoordde (het was vreemd hoe kordaat dat zinnetje klonk, hoe dreigend): De man waar je om gevraagd hebt. En toen hoorde ze hoe er voorzichtig aan de deurknop werd gemorreld. Ze rende naar de telefoon die op het kleine tafeltje naast de bedbank stond waarop ze ook sliep, belde de centrale en vroeg de telefoniste met een van angst trillende, luide stem, hard genoeg om hoorbaar te zijn op de gang, of ze haar wilde doorverbinden met de politie. Het gemorrel aan de deurknop hield op, ze hoorde de voetstappen, gehaast nu, de trappen af gaan. De herinnering aan die stem liet haar niet los, het beeld van die onbekende stem die opging in de anonieme menigte die de trappen van het metrostation op en af kwam, bij de kiosk op de hoek rondhing of zich vermengde met de lompe gezichten in het café, een onbekende stem die bleef aanhouden, die aan de deurknop bleef morrelen, heel zacht, geleund tegen haar kwetsbare deur; de man waar je om gevraagd hebt.
Ze nam zich steeds voor om te verhuizen, tralies voor haar raam te laten plaatsen of haar deur te laten verstevigen. Uiteindelijk kocht ze in een winkel die haar door een dokter was aanbevolen een soort van wapen dat op een vulpen leek, maar een traangaspistool was. Ze legde het op het tafeltje bij haar bedbank, naast de telefoon, het pakje sigaretten, de aansteker – een cadeautje van een of andere man – en de zwarte porseleinen schaal waarin fruit lag te verschimmelen. Het gaf haar, denk ik, op de een of andere manier een gevoel van veiligheid dat hij daar lag, die pen die er zo onschuldig uitzag. Ze bedacht een procedure voor als het zover zou komen dat ze het wapen moest gebruiken. Ze zou haar anonieme en naamloze belager, had ze met militaire precisie bedacht, verblinden met het gas, en intussen haar mond en neusgaten bedekken met een nat doekje, een doekje was de beste bescherming zeiden ze, dan zou ze de telefoon grijpen en de natuurlijk al net zo gezichtloze, naamloze, onidentificeerbare politie bellen. Het was er nog niet van gekomen; het lag daar, nogal dreigend, als je tenminste wist wat het was, naast de telefoon en de schaal met het wegrottende fruit.

 

© Alfred Hayes, 1953
©Vertaling uit het Amerikaans: Marcel Misset, 2015
© Lebowski Publishers, Amsterdam 2015

Uitgeverij Lebowski

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum