Leesfragment: De redding van de familie Van Cleeff. De oorlog en het leven daarna

27 november 2015 , door Auke Kok en Dido Michielsen
| | | |

Op 10 april verscheen De redding van de familie Van Cleeff. De oorlog en het leven daarna van Auke Kok en Dido Michielsen. Wij brengen een uitgebreid fragment. 'Ernst en Gretchen waren de eerste bewoners van het huis. De wanden waren nog kaal, de gangen nog onbelopen, de slaapkamers onbeslapen. Een huis zonder verleden, en dat paste bij het leven dat de jonggehuwden voor ogen stond. Het hoekpand aan de Straatweg bood volop ruimte voor toekomstplannen - en als je iets aan de levenslustige Gretchen kon overlaten, was het dat: plannen maken.'

In 1929 trekt de pas negentienjarige Gretchen van Cleeff weg uit Duitsland: in Hillegersberg wil ze samen met haar Nederlandse man Ernst een mooie toekomst opbouwen. Het Joodse stel maakt al snel deel uit van het milieu van succesvolle Rotterdamse industriëlen - en ook hun matrassenfabriek Cleco floreert.

De oorlog maakt alles anders. In de onderduik raken Gretchen en Ernst gescheiden van hun dochters Liesel (11) en Nelleke (9). De meisjes worden verraden en belanden via Westerbork in Theresienstadt. Dankzij een list van vrienden keren ze alle vier na 1945 terug naar hun grote huis in Hillegersberg. Ze zijn gered van de dood - maar daarmee nog niet van een ongelukkig leven. Achter de façade van feesten en ruisende japonnen heerst de onmacht het verleden te bespreken. Het is ieder voor zich, net als in de kampen.

Op basis van vele gesprekken met familie en vrienden van het gezin, en onderzoek in Nederland, Duitsland en Tsjechië schreven Auke Kok en Dido Michielsen De redding van de familie Van Cleeff, een menselijk drama dat de lezer laat voelen hoe oorlogstrauma's ontstaan en hoe die kunnen voortduren tot op de dag van vandaag.

1

De hemel van Hillegersberg

 

Van het bruisende Berlijn naar dit vlakke land van water, polders en boerderijen: voor Gretchen van Cleeff was het een hele overgang. Ze was pas negentien, een meisje nog, toen zij en haar man Ernst in 1929 de sleutel van hun huis kregen en vol verwachting over de drempel stapten. Vanuit een raam op de eerste verdieping keken Gretchen en Ernst aan de rechterkant neer op de Tivolibrug, een ophaalbrug over het watertje dat de Bergse Achterplas met de Voorplas verbond. Aan de overkant van de weg zagen ze Lommerrijk liggen, de buitenplaats voor bruiloften en partijen, met daarachter kabbelend water en met roeiboten belegde landtongen. Het landelijke van de aanblik uit hun raam werd nog versterkt door de smalle vaart, een sloot haast, die tussen de straat en de huizen aan de overkant liep: een restant van de voormalige trekvaart. Het huis van het pasgetrouwde stel, Straatweg 150, was het linkerhoekpand in een rij van zes grote woningen. Weliswaar geen villa en niet per se bedoeld voor de puissant rijken – die zag je voor de oorlog nog niet zoveel in Hillegersberg – maar toch op een bepaalde manier statig. Het bezat, zoals bij de nieuwbouw in de buurt was voorgeschreven, twee verdiepingen en een kap met dakpannen, en dankzij de koekoeksramen in het dak en het fraaie hoge hek aan de voor- en zijkant kreeg het geheel iets van een burcht. Een plek om je veilig te voelen.
Ernst en Gretchen waren de eerste bewoners van het huis. De wanden waren nog kaal, de gangen nog onbelopen, de slaapkamers onbeslapen. Een huis zonder verleden, en dat paste bij het leven dat de jonggehuwden voor ogen stond. Het hoekpand aan de Straatweg bood volop ruimte voor toekomstplannen – en als je iets aan de levenslustige Gretchen kon overlaten, was het dat: plannen maken. Terwijl zij het huis liet stofferen en inrichten, was het alsof de economische voorspoed door de werklieden in hun stofjassen mee naar binnen werd gedragen, samen met de meubels en de schilderijen. Je kon geen vijf minuten wandelen door Hillegersberg zonder dit optimisme te voelen, van bouwen en plaveien, van jonge gezinnen en het slaan van nieuwe palen. Jaarlijks kwamen er duizend bewoners bij in het dorp en de aanhoudende trek ernaartoe leidde als vanzelf tot nieuwe scholen, nieuwe kerken, nieuwe verenigingen, nieuwe straten, compleet nieuwe wijken. Hillegersberg ontwikkelde zich tot een dorp met stedelijke allure, zoals een gids voor nieuwkomers het wervend onder woorden bracht.
Met de zeilboten op de weidse plassen en de oude bomen langs de dijken deed het dorp soms denken aan een lusthof. Hoe groter de bedrijvigheid in Rotterdam werd dankzij de snel uitdijende haven, hoe groter het aantal gelukkigen dat zijn succes hier kwam etaleren: wonen bij de ‘pleziertuinen’ en het weldadige park Plaswijck was een voorrecht. Als de Rotterdammers de herrie van hun dichtbebouwde werkstad wilden ontvluchten, konden zij met de paardentram hiernaartoe rijden. Voor de dorpelingen was de rust normaal. Ze woonden er middenin, tussen de ophaalbruggen en de slootjes en onder de wolken die geruisloos voorbijdreven langs de hemel van Hillegersberg.
Dit was de allerbeste plek – beter nog dan Kralingen, de wijk voor de welgestelden van Rotterdam, met z’n allure van intellect en oud geld. Rond de Kralingse Plas, niet zo ver van Hillegersberg, woonden succesvolle ondernemers, professoren en de gemeentelijke topambtenaren, in Kralingen hing de sfeer van ons kent ons. Van dat soort kouwe kak had Hillegersberg geen last. Daarvoor was het boerendorp te veel bedoeld voor, zoals de Kralingers het op hun beurt zeiden, de nouveau riche van fabrikanten die (nog) niet tot de elite konden worden gerekend. Hillegersberg was een zelfstandige gemeente met een eigen burgemeester die zetelde in de neorenaissancistische villa Buitenlust aan de C.N.A. Looslaan. In 1924 had de nieuwe burgemeester Frederik Hendrik van Kempen zich in het dorp laten toejuichen, met glimmende hoge hoed, gezeten op een koets; naast hem zijn vrouw met een charmant rond hoofddeksel. Op straat, opkijkend naar de notabel in zijn rijtuig, stonden de Hillegersbergers, soms met gleufhoeden, maar veel vaker met petten.
Het maatschappelijk leven was hier, zeker in verhouding tot het geboorteland van Gretchen, stabiel. De economie leed niet onder herstelbetalingen vanwege schuld aan de Eerste Wereldoorlog. Deze neutrale handelsnatie had juist geprofiteerd van de oorlog en mede daardoor hoorde Nederland al een tijdje bij de rijkste landen van Europa. Dat zag je behalve aan het wonder van de automobiel, die steeds vaker over de Tivolibrug tufte, ook aan de almaar dichtere bebouwing langs de Straatweg. Bovendien was het hier niet de gewoonte om de Joden ergens de schuld van te geven, bijvoorbeeld als er een oorlog was verloren, wat in Duitsland en Frankrijk nog weleens gebeurde.

Op het werk en in beide families werden Ernst en Gretchen een ideaal stel genoemd. Ondanks het leeftijdsverschil van bijna elf jaar leken ze voor elkaar bestemd: beiden uit een milieu van Joodse fabrikanten, beiden gezegend met charme, humor en een behoorlijke intelligentie. Tussen de kleine en frivole, zelfs wat drukke Gretchen en de zachtmoedige, meer diplomatieke Ernst zou het vast niet saai worden. Zij was op het bemoeierige af uitgesproken, en toch heel stijlvol; hij muzikaal en ietwat gesloten, maar als er een spannende voetbalinterland te beluisteren was op de radio, dan liet hij zijn bedaardheid varen en zat hij enthousiast naast het toestel om niets van het verslag te hoeven missen. Gretchen en Ernst pasten maatschappelijk gezien zo goed bij elkaar dat het leek of hun huwelijk naar oud Joods gebruik was gearrangeerd door hun families, de Simons en de Van Cleeffs. Toch was daarvan geen sprake geweest. Bij hun eerste ontmoeting op de trouwerij van Arthur van Cleeff, de jongere broer van Ernst, waren ze direct voor elkaar gevallen. Bij de tafelschikking, toen men op zoek ging naar een tafeldame voor de broer van de bruidegom, werd Gretchen als de beste kandidate gezien. Ze was bijzonder sociaal ingesteld, charmant en ze sprak haar talen. Gretchen was de nicht van Lily Simon, de toekomstige bruid van Arthur, die zelf ook weer half-Nederlands was: haar vader Otto had haar moeder Celestine van den Bergh uit Oss ontmoet tijdens een stage in Nederland. De familie Simon had meer banden met Nederland, langdurige zelfs: een oudoom van de nichtjes, Max Simon, was eerder gehuwd met de eveneens uit Rotterdam afkomstige Rosalie den Arend.
Het succes van de tafelschikking bleek al snel. Ernst was zo onder de indruk van Gretchen dat hij kort na de trouwerij naar Berlijn reisde om bij haar diploma-uitreiking aanwezig te zijn. Bescheiden nam hij achter in de zaal plaats. Zijn gestalte viel de rector van de meisjesschool op en hij attendeerde de aanwezigen op de ‘verloofde’ van Gretchen. Dat tientallen meisjeshoofden zich naar hem omdraaiden, zou Ernst niet snel vergeten – en zijn trotse vriendin evenmin. Niet lang daarna, op 28 september 1929, trouwden ze in Berlijn, nog geen negen maanden na de dag waarop ze elkaar voor het eerst hadden ontmoet. Voor een officiële verloving hadden ze zich geen tijd gegund.

[...]

 

Copyright © 2015 Auke Kok en Dido Michielsen
Auteursportret © Lisa Xiu Kok

Uitgeverij De Bezige Bij

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum