Leesfragment: Dertig dagen

27 november 2015 , door Annelies Verbeke
| |

Dertig dagen, de nieuwste roman van Annelies Verbeke, is een van de Athenaeum Zomerboeken van dit jaar. Fragment. 'De man tilt hem op. "Het is een Portugese waterhond", zegt hij, terwijl het dier zijn tong in de pratende mond probeert te stoppen. "Onze dochter is allergisch voor de meeste andere rassen." Hij richt zich weer met het stemmetje tot de spartelende hond terwijl hij hem op de grond zet: "En wie heeft er ook een Portugese waterhond? Wat zeg ik, twee?" Voor het antwoord kijkt hij naar Alphonse, zijn handen maken er een sierlijk, gevend gebaar bij dat overgaat in twee wijzende vingers, twee pistolen. "Obama!"'

Alphonse is met zijn geliefde Kat verhuisd naar de Vlaamse Westhoek. Ver weg van het drukke Brussel en het wisselvallige muzikantenbestaan is hij gelukkig met zijn eenmansklusjesbedrijf. Zijn klanten zijn lovend over zijn werk, en nog meer onder de indruk van hemzelf. Ze stellen zich open voor hem en hebben behoefte aan zijn adviezen. Maar Alphonse wil geen Jezus zijn, geen goeroe worden. Hij helpt omdat hij dat kan.

 

30

Hij rijdt door het warme, klare weer, door het landschap dat hem vreemd blijft maar waarvan hij aarzelend is gaan houden. Soms mist hij de stad nog, de kleuren, de geluiden, de afleiding. Hier is het anders, niet slechter. De bloesems en het gezoem van de lente zijn overgegaan in een veelbelovende zomer die voor een teveel aan regen op de vlucht sloeg en dan terugkeerde om de nakende herfst te verwarren. De velden zijn nog zompig. Alsof ze niet dof en vlekkerig worden, knikken de boomkruinen vol ingehouden bravoure naar de lucht, onophoudelijk: laat maar komen. Hoppalen torsen dikke bellen, dronken van zichzelf, klaar voor oogst. Eenzaam stof waait op en strandt in plassen. Rotondekunst toont dieptepunten. Hij weet niet zeker of dit alles hem sterkt dan wel bedwelmt.
In een dorp dat door Frankrijk en België wordt gedeeld, ziet hij twee wandelende mannen met petten en manden, met duiven, misschien. Verder veel pony’s en een boer, vurige meeuwen omcirkelen zijn blinkende tractor. De andere mensen zijn moeilijk te zien, ze zitten achter gevels, of, net als hij, in auto’s, tussen twee gevels in.
Vandaag wordt op hem gewacht in een nette wijk. Deze streek heeft minder huizen dan de andere lapjes waaruit dit kleine land bestaat. Met haar voorkeur voor rode baksteen houdt ze het eenvoudig. Slechts nu en dan een Spaanse haciënda tussen de fermetten, de pagodes uit de Brusselse Rand zag hij hier nog niet. De vaak als smakeloos afgeschreven kakofonie van bouwstijlen heeft hem altijd op een vrolijke manier vertederd: hoe de huizen naast elkaar staan als twaalfjarigen op hun eerste middelbareschooldag, per toeval tot langdurig samenzijn gedwongen en roerloos ontredderd. Het verheugt hem dan ook de twee moderne huizen waarvoor hij de bestelwagen parkeert, uit de eenvormigheid te zien springen.
Hij tilt de bak met sponzen, doeken, rollers en borstels uit de laadruimte en kiest een van de potten verf die hij heeft klaargezet. Pick Nick, uit de Joie de Vivre-collectie, voor de grootste keukenmuur, zijn suggestie, hun goedkeuring.
‘Alphonse!’ hoort hij wanneer hij langs de platte stenen in het korte gras naar de voordeur van een van de huizen wandelt.
Het is de vrouw die hier woont, een mooie vrouw met een zelfzekere stem, die hij heeft ontmoet op de avond dat ze de kleuren kozen. Haar sportkleren zien er nieuw uit, de stoffen tonen geen sporen van inspanning, het zweet parelt enkel op haar slapen, in een rand langs haar in een staart gebonden haren, ze wuift onwennig. Hij zet de verfpot neer zodat hij haar de hand kan drukken.
‘Je was hier toch nog niet lang?’ vraagt ze. ‘Mijn man is onze dochter naar school gaan brengen en ik dacht dat ik nog wel even kon gaan lopen, maar toen stond een stuk van het parcours onder water en raakte ik de weg kwijt.’
‘Ik ben er net’, zegt hij.
Hij zal hun keuken en woonkamer herschilderen, heeft op drie dagen gerekend, maar vermoedt nu dat het sneller kan: ze hebben zich zorgvuldig voorbereid. De gordijnen en de afdekplaatjes van de stopcontacten zijn al verwijderd. De meubels zijn naar het midden van de kamer geschoven en met lakens bedekt, het lange aanrecht is leeg.
Een zwarte hond rent buiten zinnen op hem af, glijdt uit, beukt met zijn kop tegen een tafelpoot, zet zijn tocht niet minder wervelend verder.
‘Björn!’ roept de vrouw.
‘Dag Björn’, zegt hij. Kwispelend besnuffelt de hond zijn uitgestoken hand, laat dan een wind en draait zich er geschrokken naar om.
De vrouw lacht met hem mee, tot Björn weer in razernij ontsteekt en zij het dier bij de halsband naar de aanpalende kamer sleurt, waar ze hem opsluit. ‘Ik denk dat hij een meervoudige persoonlijkheid heeft!’ schreeuwt ze over het radeloze gehuil achter de deur heen. ‘En hij mist de kat! Benny! Benny en Björn! Zoals bij ABBA?!’
Het uiterlijk van de hond doet meer denken aan hardrockers uit de late jaren zeventig, vindt Alphonse.
‘Ze waren onafscheidelijk! Als honden en katten samen opgroeien kunnen ze vrienden worden!’
‘Meestal leven katten langer dan honden!’ roept hij terug.
‘Ze is vermoord!’ En omdat Björn zijn treurzang tijdens die woorden net heeft gestaakt, herhaalt ze het met minder volume: ‘Onze kat is vermoord.’
Het is de pointe van een verhaal dat ze hem graag wil vertellen, een lang verhaal dat gloeit achter haar lippen, maar het is nog te vroeg – als ze de auto van haar man hoort, slikt ze het in.
Ook de man is atletisch gebouwd, een zwemmer.
‘Hey, the Fons!’ zegt hij, alsof ze elkaar al jaren kennen. De stem van zijn baas activeert Björn weer. De man steekt beide duimen op.
Hun voornamen is hij vergeten, die moet hij opzoeken straks.
‘Klaar voor het grote werk? Ik wou dat ik je kon helpen, maar er zijn plannen die af moeten.’
Hij is architect, herinnert Alphonse zich, hij werkt thuis.
‘Ik heb hem opgesloten’, zegt de vrouw als haar man op de deur afstapt waarachter het gehuil en gekrab toenemen.
‘Opgesloten?’ vraagt de man met een kinderlijke stem. ‘Is baasjes dikke vriend opgesloten?’
Heen en weer gesleurd tussen gemengde en stuk voor stuk extreme gevoelens, schuift Björn over de vloer, rillend van onbeslistheid.
De man tilt hem op. ‘Het is een Portugese waterhond’, zegt hij, terwijl het dier zijn tong in de pratende mond probeert te stoppen. ‘Onze dochter is allergisch voor de meeste andere rassen.’ Hij richt zich weer met het stemmetje tot de spartelende hond terwijl hij hem op de grond zet: ‘En wie heeft er ook een Portugese waterhond? Wat zeg ik, twee?’
Voor het antwoord kijkt hij naar Alphonse, zijn handen maken er een sierlijk, gevend gebaar bij dat overgaat in twee wijzende vingers, twee pistolen. ‘Obama!’
‘Maar, enfin’, mompelt de vrouw. Ze geeft Alphonse’ onderarm een snelle, slappe tik, kondigt aan dat ze gaat douchen en haast zich de woonkamer uit.
De man kriebelt over Björns hoofd, knielt voor hem neer, neemt de hond bij de voorpoten, kijkt hem diep in de ronde ogen en pruilt: ‘Baasje bedoelt daar toch niets verkeerds mee.’
‘Ik begin er maar eens aan’, zegt Alphonse.

Els en Dieter heten ze, zo leest hij op de offerte. Els heeft hem een kop koffie aangeboden voor ze vertrok en Dieter is al enkele uren boven aan het werk, in zijn werkkamer aan de andere kant van het huis. Hij gaat vaak naar het toilet.
In afwezigheid van hun bewoners lichten hun huizen Alphonse vaak in over het soort verhaal dat ze hem zullen vertellen. Of ze misleiden hem, dat komt ook voor. Een papiermand met in kleine snippers gescheurde kindertekeningen, schrijntjes, een gat in een gipsplaat, pas geschopt.
Het huis van Els en Dieter geeft weinig prijs. Ze hebben hun spullen netjes opgeborgen in vakkundig ingebouwde kasten en laden, aan de muur hangen foto’s van het gezin in de sneeuw, het gezin in zwemkleren op een glijbaan, de reeks loopt thematisch over vier seizoenen.
Eén wand van de woonkamer bestaat uit een grote glazen schuifdeur, die een zicht biedt op de tuin achter het huis. In vergelijking met de orde binnenskamers en het gemillimeterde gras van de voortuin maakt die een verwaarloosde indruk. De ladder tegen de houten afrastering herinnert hem eraan dat hij zijn eigen ladder vergeten is. Hij kan zich met een stoel behelpen, trekt zijn schoenen uit om erop te staan, maar makkelijk werken is het niet.
Björn houdt hem gezelschap. Hij blijft rustig maar houdt elk van zijn bewegingen nauwlettend in de gaten. Lang heeft Alphonse geloofd dat hondengeblaf te herleiden valt tot de boodschappen ‘Dat mag niet!’ of ‘Hey!’ en dat ze verder niets te melden hebben. Björn is niet de eerste hond die hem daaraan doet twijfelen. Hij gaapt met Alphonse mee als die zich na het afplakken uitrekt. Toeval, denkt Alphonse, maar daarna gebeurt het nog eens.
Hij vertelt het aan Dieter, als die komt verifiëren of alles goed met hem gaat.
‘Dat betekent dat hij je mag’, zegt Dieter. ‘Honden zijn heel empathisch. Ik las onlangs nog dat ze niet blaffen om met elkaar te communiceren, het is een taal die ze hebben ontwikkeld om met ons te praten.’
‘Ik dacht dat enkel mensen meegaapten.’
‘Wij kennen weinig mensen die meegapen, hè, vriend?’ jammert Dieter tegen de hond. Een nadere toelichting blijft uit.
‘Ik ben mijn ladder vergeten’, zegt Alphonse. ‘Ik kan hem thuis ophalen, maar ik zag dat er ook een ladder in de tuin staat.’
‘Kun je hem zelf pakken?’ Dieter maakt zich uit de voeten.

Buiten is het nog warmer geworden. Alphonse doet zijn best niet in de hondendrollen te trappen op zijn tocht door de tuin. Wordt Björn niet uitgelaten? Als hij de ladder weg wil nemen, merkt hij dat er aan de andere kant van de tuinmuur ook een staat, ze zijn met een versleten paars zwembord met elkaar verbonden. M EN L FOREVER staat er met viltstift op geschreven. Het is een gammele constructie, makkelijk te demonteren. Hij zet het zwembord tegen de tuinmuur en neemt zich voor alles straks steviger met elkaar te verbinden.
Bij het reinigen van de woonkamermuren doet het geluid van de harde borstel Björn inslapen. De ammoniak, waarmee Alphonse de vettere oppervlakken in de keuken onder handen neemt, wekt hem echter weer. Hij niest en druipt met een verontruste blik af naar de gang, zijn nagels tikken op de trap. Alphonse opent de glazen schuifdeur om de geur te verjagen.
Wanneer de baas naar beneden komt om een broodje voor zichzelf te smeren, is de hond er niet bij.
‘Wil je ook wat?’ vraagt Dieter, duidelijk nog met zijn gedachten elders.
Alphonse heeft zijn eigen boterhammen, neemt wel een kop koffie aan.
Dieter kijkt langs hem heen, naar de ladder, dan uit het raam. Hij loopt erheen en sluit de schuifdeur, traag.
‘Mila heeft die ladder daar gezet’, zegt hij. ‘Kinderen.’ Hij glimlacht verontschuldigend, wijst dan op zijn gewoonte om voor zijn computerscherm te eten.

Mila is een jaar of dertien en lijkt op geen van beide ouders. Met een dramatische zwaai gooit ze haar rugzak van haar schouders.
‘Hallo’, zegt ze en dan, van streek: ‘Wat doet mijn ladder hier?’
‘Misschien kun je Alphonse eerst even groeten?’ Haar moeder is achter haar binnengekomen.
‘Ik zei hallo. Wat doet mijn ladder hier?’
‘Ik heb hem even geleend, omdat ik de mijne vergeten ben. Ik zet hem zo weer terug. Ik zal het zwembord stevig bevestigen. Beloofd.’
‘Maar ik heb hem nu nodig.’
‘Eerst huiswerk’, zegt Els.
‘Ik heb geen huiswerk.’
‘Dat geloof ik niet.’
Mila stormt de kamer uit op het moment dat haar vader binnenkomt.
‘Hallo!’ zegt die boos. Ze zegt niets terug, rent de trap op.
‘De puberteit, we zullen er niet aan ontsnappen’, gniffelt Dieter. ‘Daar denk je niet aan als je er zelf in zit, dat je eigen kinderen je het later ook allemaal aandoen.’
‘Zo erg is het niet’, zegt Els.
Ze wil weten of hij zelf kinderen heeft.
‘Ik denk het niet.’
Ze vinden het grappig en er glimt iets in hun ogen, een beetje nieuwsgierigheid, een beetje achterdocht. Alphonse neemt zich voor het afgezaagde grapje niet langer te maken.

Hij haalt kabelaanbinders uit zijn bestelwagen. Aan de andere kant van het huis maakt hij beide ladders met het zwembord aan elkaar vast.
‘Straks ga ik trouwens bij jullie buren langs’, zegt hij, weer in de keuken.
Els en Dieter staren hem aan alsof er een bijl vastzit in zijn schedel. Waarom hun buren, willen ze weten. Hij legt uit dat hij er met een kleurenwaaier langs zal gaan, zodat ze een kleur kunnen kiezen – eens hij hier klaar is, begint hij bij hen.
Dieter wikkelt zijn armen om zijn hoofd, Els slaat met haar vlakke hand tegen een geschilderde muur. ‘Verdomme’, zegt ze, kijkend van haar Pick Nickroze hand naar de skeletvingers op de muur. ‘Sorry.’
Alphonse drukt een doek tegen de mond van een fles terpentine, houdt haar hand in de zijne om die schoon te maken. Even staat ze erbij als een beteuterd kind, haar vingers opengesperd zodat zijn kordate, vaderlijke vegen alle verf kunnen vinden, dan laait haar toorn weer op: ‘Niet normaal! Dat is gewoon niet meer normaal!’
Hij haalt een kleine, nieuwe roller uit de verpakking en laat die als een lichte pletwals een luchtige tocht over de handafdruk maken. Het werkt.
‘Alles wat wij doen, willen zij ook’, verduidelijkt Dieter. ‘Geen idee hoe dat zit in het hoofd van die mensen. Ze hebben je bestelwagen voor onze deur zien staan en hup, hun keuken moet ook een nieuwe kleur krijgen.’
‘Hun slaapkamers.’ Ze hebben hem niet gehoord.
‘Het is al jaren aan de gang. Wij een huis, zij een huis. Wij een kind, zij een kind. Wij een nieuwe wagen of een reis door de Verenigde Staten: zij ook.’ Somber verwijdert Els verfresten van onder haar nagels. ‘Wat moeten wij doen? Verhuizen?’
‘We verhuizen niet.’ Het is Mila die heeft gesproken. Ze hebben haar de trap niet horen afdalen, en nu ze de woonkamer doorkruist en de glazen schuifdeur opent, staren ze haar onbeweeglijk aan van bij het granieten werkblad.
Els wacht tot ze buiten is voor ze vervolgt: ‘En het gaat zo ver dat ze zijn begonnen in ons leven in te grijpen. Dat ze vinden dat zij bepaalde aanpassingen kunnen maken in ons leven.’
Dieter wil haar onderbreken. Zijn mond wijst haar richting uit en de lippen tuiten zich enkele keren, bijgestaan door een wijsvinger die de baan van een krachteloos insect tekent.
‘Dat weten we niet’, zegt hij uiteindelijk.
‘Ik kom morgen terug’, zegt Alphonse.
Ze bedanken hem, wat geschrokken over het abrupte einde en enigszins ontsteld over hoeveel ze hebben losgelaten, maar ze zijn nog niet uitverteld.
Voor hij de gang in stapt, ziet hij ze op een vliegend tapijtje boven de tuinmuur zweven. Twee meisjes van dertien, die hun lachende hoofden van voren naar achteren gooien.

Ook door het raam in de achtergevel van de buren kan hij een glimp van de meisjes opvangen voor hij naar een fauteuil wordt geleid. Het echtpaar gaat in twee aparte stoelen aan zijn linkerkant zitten, allebei met het ene been over het andere geslagen. Ze zijn iets ronder en kleiner dan Els en Dieter. Tussen hem en het echtpaar in tinkelen de luchtbellen in het glas tonic dat ze voor hem op de salontafel hebben gezet. Bij zijn voeten hijgt een aandachtige kleine hond van een onbestemd ras. Als Alphonse het glas van het tafelblad naar zijn mond brengt, lijkt het dier de adem in te houden.
‘Waar komt u vandaan?’ wil de vrouw weten.
‘Uit Brussel’, zegt hij. ‘Ik woon hier nu bijna negen maanden.’
‘Jaja’, articuleert de vrouw. ‘Maar waar komt u echt vandaan?’
‘Uit Brussel, zegt hij toch.’ Haar man staat zenuwachtig op. ‘Olijfje, meneer?’ vraagt hij. ‘Kaasje?’
‘Nee, dank u. En zeg maar Alphonse. En jij.’
‘Wij zijn Sieglinde en Ronny. Ik ga toch iets halen’, zegt de vrouw als haar man weer is gaan zitten. Ze loopt naar de keuken, die van de woonkamer is afgesloten. Het klinkt of ze er alle kasten leeghaalt.
‘Hoe was het bij de buren?’ vraagt de man. Het is te horen dat hij de vraag zo neutraal mogelijk wil uitspreken.
‘Ik denk dat ik er morgenavond klaar ben.’
‘Zei ze niets, Els, toen ze hoorde dat je ook bij ons langs zou komen?’ Sieglinde zet de kommetjes met olijven en kaas neer, prikkers en een houder met servetten ernaast.
Alphonse weet niet meteen hoe hij hierop moet antwoorden. ‘Het leek hen te interesseren’, zegt hij.
Ronny snuift. ‘Ongetwijfeld!’ roept Sieglinde. ‘Ze is gek, Alfredo!’
Zo rechtstreeks had hij hen niet verwacht.
‘Alphonse’, verbetert Ronny in zijn plaats.
‘Excuseer. Ze vertelt al jaren aan iedereen die het horen wil dat wij hen nabootsen. Wij zouden hetzelfde over hen kunnen zeggen, maar wij doen dat niet, want wij hebben ze nog alle vijf op een rij!’
‘Het kwam er eens allemaal uit, op een feestje’, vervolgt Ronny. ‘Een feestje, hier bij ons nog wel, zij waren onze gasten. Ze hadden eerst om wat voor reden dan ook in een hoek staan bokken …’
‘Zij toch.’
‘En daarna zoals gewoonlijk te veel gedronken, en plots was het “weer toevallig” dat wij ook een donkerblauwe Peugeot hadden. Het is niet eens hetzelfde type! En kijk, kwam die luster hun niet bekend voor en die struik achteraan in de tuin en weet ik wat nog allemaal.’
‘Dat tot daaraan toe, maar dat wij Lana op de wereld zouden hebben gezet omdat zij net een kind had gekregen, zeg nu zelf, Albert, wie denkt er zo?’
‘Alphonse.’
‘Pardon. Wie denkt er zo? Ik was achteraan in de twintig, iedereen rondom ons kreeg hun eerste in die periode, ik was al vier maanden ver eer ik doorhad dat zij ook zwanger was, maar nee: wij deden dat om hen te imiteren. Hoe vol van jezelf moet je zijn om zoiets zelfs maar als een mogelijkheid te kunnen beschouwen?’
Tijdens hun woorden zijn Sieglinde en Ronny gaan staan en hebben ze een hoekige dans uitgevoerd die bij Ronny is geëindigd in een vuistslag tegen zijn eigen bovenbeen en in het geval van Sieglinde nog wegebt in de wijsvinger die als de bek van een specht tegen het midden van haar voorhoofd tikt.
Alphonse laat zich tegen de rugleuning van de fauteuil zakken. Als de biecht zo energiek begint, dan duurt hij meestal lang.
‘En als het daarbij was gebleven, maar neen, neen, het wordt nog absurder.’ Sieglinde staat nu als een apin over de salontafel gebogen, leunend op haar vuisten, billen in de lucht, de neusvleugels opengesperd, net als de vergrote ogen achter haar brillenglazen. ‘Heeft ze iets gezegd over haar poes?’
Alphonse moet de vraag even tot zich laten doordringen. ‘Die is overleden, geloof ik?’
‘En dat zal niet alles zijn wat erover is verteld, toch? Haar verhaal is dat wij die kat hebben vermoord.’
‘Ja, en waarom wij dat hebben gedaan is nog interessanter. Wij hebben dat gedaan omdat onze eigen kat is overreden en omdat zij denken dat wij denken dat zij dat hebben gedaan – wij vragen ons tussen haakjes niet af wie er verantwoordelijk voor is, wij gaan ervan uit dat het een ongeluk was – en daarom hebben wij, oog om oog …’
‘Kat om kat!’
‘… het beest vermoord door het – opgelet – te doorboren met een pijl! Een pijl uit een blaaspijp! Wij hebben daar een gifpijl naar geblazen!’
‘Want zo zijn wij, Alphonse! Daar zijn wij mee bezig!’
‘Alphonse’, zegt Ronny.
‘Dat zei ik.’
Voor de slaapkamerplafonds raadt hij ze Balanced Mood aan, uit de Colores del Mundo-collectie. Ze vinden het lichte blauwgroen dat hij uit de kleurenwaaier schuift uitermate geschikt.

Op weg naar huis doorkruist Alphonse wijde velden langs smalle wegen. De lage zon verguldt de halmen van het hoge graan en een onbestemd verlangen. Niemand weet dat hij ’s ochtends, nog breekbaar richtingloos na de omarming van de slaap, zelden muziek beluistert omdat hij de directheid dan nauwelijks kan verdragen. Nu zet hij de radio aan en als hij weer opkijkt is er een tegenligger die geen aanstalten maakt te vertragen. Zelf rijdt hij zijn auto tot dicht bij de rand van een veld met maïs, daar blijft hij staan luisteren.
Duke Ellingtons ‘Caravan’, in een versie van Dizzy Gillespie, hij kent ze. Kamelen trekken door de woestijn, maar de trompet zet fonteinen in werking. Het water vloeit langs zijn schouders, langs zijn rug. Die vreemde vioolsolo ook. Als het nummer voorbij is, zet hij de radio uit.

Hij eet de pasta die is overgebleven van de dag ervoor. Vindt hij het rustig of gewoon stil zonder Kat? Hij hoopt dat die yogaretraite haar geeft wat ze ervan verwacht, al weet hij niet precies wat dat is.
Haar telefoon blijkt uit te staan. Hij moet Amadou terugbellen. Waarom blijft hij het uitstellen? Dat zijn vriend na al die jaren weer contact met hem opnam, deed hem zo veel plezier dat hij Amadou meteen bij hem thuis uitnodigde voor een korte vakantie. Hij zal zijn nieuwe vriendin meebrengen. In een groot deel van zijn herinneringen loopt Amadou aan zijn zijde. Er is geen reden om hem nu uit de weg te gaan.
Of hij kan Skype opstarten en zijn moeder zien. Ze is er altijd, in een vol huis, omgeven door mensen die haar raad nodig hebben, gewoon bij haar willen zijn of op de gevolgen van haar goedheid azen.
Hij is moe en krijgt de vermoeidheid niet weggedoucht. Wat hij voelt laat zich steeds moeilijker benoemen. Hij weet wat het niet is. Het is niet iets wat pijn doet. Integendeel. Maar het wacht iets af.
Het geluid van de telefoon, de vaste lijn deze keer, dringt zich door het water in zijn oren. Hij zet de kraan uit en slaat een badjas om. Hij gokt op Dieter.
‘Alphonse?’ Het is Sieglinde.
‘Ja’, zegt hij.
‘Ik wilde je toch nog even bellen. Omdat we ons nogal hebben laten gaan vandaag en omdat we daar niet trots op zijn. We willen je ook bedanken voor het luisteren.’
‘Geen dank. Niet huilen.’
‘Het ligt niet in onze handen, begrijp je?’
‘Ja.’
‘Oké. Sorry voor het storen. En goede nacht straks.’
‘Welterusten.’

 

© Annelies Verbeke

Uitgeverij De Geus

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum