Leesfragment: Een beknopte geschiedenis van zeven moorden

27 november 2015 , door Marlon James
| |

A Brief History of Seven Killings door Marlon James is nu vertaald in het Nederlands door Arjaan en Thijs van Nimwegen als Een beknopte geschiedenis van zeven moorden. Wij publiceren voor! 'Ik zie jij hebt trek en jij wacht en jij weet dat je geluk moet hebben, scharrelt rond de studio en Desmond Dekker zegt tegen de baas: geef hem een kans, en hij geeft jou een kans want hij hoort de honger al in je stem voor hij je heeft horen zingen.' Update 13 oktober 2015: Marlon James heeft de Man Booker Prize gekregen voor deze roman.

Een epische kroniek over Jamaica's turbulente verleden waarin de moordaanslag op Bob Marley, op 3 december 1976, centraal staat. Verteld vanuit het perspectief van meer dan een dozijn stemmen, wordt die gebeurtenis geschilderd als de onvermijdelijke climax in een verhit land dat gedomineerd wordt door gangs, armoede en corruptie. Zelfs als het verhaal zich verplaatst naar New York in de jaren negentig, zijn de uitwassen van Jamaicaans geweld nog altijd voelbaar.

De veelomvattendheid van dit opzwepende verhaal maakt deze roman tot een complete en onmisbare geschiedenis van Jamaica.

 

Sir Arthur George Jennings

Luister.
Dode mensen praten maar door. Misschien omdat dood niet dood is, maar gewoon nablijven op school. Je weet waar je vandaan komt, en daar blijf je altijd vandaan komen. Je weet waar je heen gaat maar het is of je er nooit aankomt, en je bent alleen maar dood. Dood. Dat klinkt als een einde, maar je hoort niet dat het een werkwoord is. Je komt mensen tegen die langer dood zijn dan jij, ze lopen maar door, nergens naartoe en je hoort ze brullen en sissen want we zijn allemaal geesten of we denken dat we geesten zijn maar we zijn allemaal alleen maar dood. Geesten die andere geesten binnenglijden. Soms glijdt een vrouw een man binnen en jankt als de herinnering aan vrijen. Ze kreunen en jammeren luidkeels maar het dringt door het raam als een gefluit of gefluister onder het bed, en dan denken kinderen dat er een monster zit. De doden liggen graag onder de levenden, om drie redenen. (1) We liggen het grootste deel van de tijd. (2) Onder een bed is net als onder het deksel van een doodkist, maar (3) er ligt een gewicht, menselijk gewicht, op dat deksel waar je in kunt glijden en dat je zwaarder kunt maken, en je luistert hoe het hart klopt terwijl je het ziet pompen en de neusgaten hoort fluiten als de longen lucht uitpersen en je bent jaloers op elke ademtocht, hoe klein ook. Ik herinner me geen doodkist.
Maar de doden praten door en soms horen de levenden het. Dat wilde ik zeggen. Als je dood bent, is spreken niets anders dan bochten omslaan en omwegen nemen en je kunt niet anders dan een tijdje ronddolen en zwerven. Dat is tenminste wat de anderen doen. Waarmee ik wil zeggen dat de overledenen leren van de overledenen, maar dat is link. Ik kan mezelf horen beweren tegen wie het maar wil horen dat ik niet ben gevallen, ik ben van het balkon geduwd in het Sunset Beach Hotel in Montego Bay. En ik kan niet zeggen: hou je kop, Artie Jennings, omdat ik elke ochtend als ik wakker word mijn hoofd, als een pompoen uit elkaar gespat, weer in elkaar moet zetten. En zelfs nu ik dit zeg kan ik het geluid dat ik toen maakte horen, snappen we dat, mafketels? Ik bedoel dat het hiernamaals niet zomaar een gezellige boel is, een vette party, knakker, al die coole types, zie je ze? Die snappen er geen reet van en er valt niks te doen dan wachten op de man die me vermoord heeft, maar die gaat niet dood, die wordt alleen maar steeds ouder en ruilt zijn vrouwen in voor steeds jongere, en fokt een heel nest vol achterlijke jochies en helpt het land naar de verdommenis.
Dode mensen praten altijd door en soms horen de levenden het. Soms zegt hij wat terug als ik hem betrap op het moment dat zijn ogen beginnen de trillen in zijn slaap, dan praat hij tot zijn vrouw hem een klap geeft. Maar liever luister ik naar wie al langer dood zijn. Ik zie mannen met opengescheurde broeken en bebloede jassen en die praten, maar er komt bloed uit hun mond en heremijntijd, die slavenopstand was zo’n afschuwelijke toestand en aan die koningin hebben we donders veel gehad sinds de West-Indische Compagnie zo sukkelig begon in te zakken vergeleken met de Oost-Indische Compagnie, en waarom ploffen er zoveel negers ziekelijk neer om te slapen waar het ze uitkomt en ik mag een boon zijn als ik niet de linkerkant van mijn gezicht ben kwijtgeraakt. Dood zijn betekent dat je doorhebt dat dood niet weg is, je zit in de platheid van het dodenland. De tijd stopt niet. Je ziet hem bewegen, maar jij staat stil, als een schilderij met een Mona Lisa-grijns. In deze ruimte is een driehonderd jaar oude doorgesneden keel hetzelfde als een wiegendood na twee minuten.
Als je niet in de gaten houdt hoe je slaapt, dan vind je jezelf zoals de levenden je vonden. Ik lig daar op de grond, mijn hoofd een uiteengespatte pompoen, mijn rechterbeen verdraaid achter mijn rug en mijn armen in bochten die armen niet horen te hebben en van bovenaf, vanaf het balkon, lijk ik op een dode spin. Ik ben daarboven en hierbeneden en vanaf daarboven zie ik mezelf zoals mijn moordenaar me zag. De doden beleven een beweging, een daad, een kreet opnieuw, en ze zijn er gewoon weer, de trein blijft maar doorrijden tot hij uit de rails loopt, de richel van die flat, vijftien verdiepingen hoog, de kofferbak die geen lucht meer kreeg. Lijven van rudeboys barsten uit elkaar als doorgeprikte ballonnen, zesenvijftig kogels.
Niemand valt zo, als hij niet geduwd wordt. Dat weet ik. En ik weet hoe het voelt en hoe het eruitziet, een lichaam dat valt en met de lucht worstelt op zijn weg omlaag, het graait naar brokken niks, en smeekt dat even, even maar, christusjezus, snotterend stuk idioot, even maar die lucht ergens houvast biedt. En je stort neer in een greppel, anderhalve meter diep of op een vloer van marmertegels vijf meter onder je, je worstelt door als de vloer op je afkomt en je ramt, omdat hij het zat is om nog op bloed te wachten. En we zijn dood maar we worden wakker, ik als verpletterde spin, hij als verbrande kakkerlak. Ik herinner me geen doodkist.
Luister.
Levenden wachten af, ze zien wel, omdat ze zichzelf wijsmaken dat ze de tijd hebben. Doden zien wel en wachten af. Ik heb mijn zondagsschooljuf eens gevraagd: als de hemel de plek van het eeuwige leven is, en de hel het tegenovergestelde van de hemel, wat is de hel dan? Een plek voor vieze rooie jongetjes zoals jij, zei ze. Ze leeft nog, ik zoek haar wel op in het Eventide bejaardenhuis waar ze te oud en te stom wordt, haar eigen naam niet meer weet en zo zacht en schor praat dat niemand kan horen dat ze bang is als het donker wordt, omdat dan de ratten komen azen op haar goede been. Ik zie wel meer. Kijk maar goed genoeg, of misschien gewoon naar links, en dan zie je een land dat net zo is als toen ik er wegging. Het verandert nooit, altijd als ik met mensen ben, zijn ze precies zo als ik ze heb achtergelaten, ouder worden maakt niks uit. De man die de vader van een natie was, meer mijn vader dan mijn eigen vader, die huilde als een verse weduwe toen hij hoorde dat ik dood was. Je weet nooit dat dromen van mensen met jou samenhangen tot je er niet meer bent en er niks anders te doen is dan toezien hoe ze zelf doodgaan op een andere manier, langzaam, ledemaat na ledemaat, orgaan na orgaan. Hartziekten, suikerziekte, trage, dodelijke ziekten met traag klinkende namen. Dat is het lichaam dat ongeduldig de dood in glijdt, deel voor deel. Hij zal meemaken dat ze hem tot nationale held uitroepen en als hij sterft zal hij de enige zijn die vindt dat hij gefaald heeft. Dat gebeurt er als je hoop en dromen aan één persoon ophangt. Dan wordt hij niets meer dan een literair trucje.
Dit is een verhaal over een paar moorden, van jongens die niks betekenden voor een wereld die nog steeds door draait, maar als ze me passeren wasemen ze stuk voor stuk de zoetige stank uit van de man die mij vermoord heeft.
De eerste gilt zijn amandelen eruit, maar de gil komt tot stilstand voor de poort van zijn tanden, want ze hebben hem gekneveld en de gil smaakt naar braaksel en steen. En iemand heeft zijn handen vastgebonden op zijn rug, maar het is of ze loszitten omdat alle huid ervanaf geschuurd is en het bloed smeert het touw. Hij schopt met beide benen, want het rechter is aan het linker vastgebonden, hij schopt de modder op, anderhalve meter hoog, hoger nog en hij kan niet opstaan want het regent modder en aarde en stof wordt stof en stenen. Een steen dreunt op zijn neus en een andere ramt zijn oog en dat barst open en hij schreeuwt, maar zijn kreet stijgt op tot boven in zijn mond en zakt dan weg alsof hij terugvloeit, en de modder is een vloed die blijft opkomen en hij kan zijn tenen niet zien. Dan wordt hij wakker en hij is nog steeds dood en hij wil me niet zeggen hoe hij heet.

Bam-Bam

Ik weet, ik was veertien. Weet ik. Ik weet ook dat te veel mensen te veel praten, vooral de Amerikaan die nooit z’n kop houdt en alleen maar kan lachen als hij het even over jou heeft, en het klinkt maf dat voor hem jouw naam net is als mensen die je niet kent, Allende Loemoemba, die naam die klinkt als een land waar Kunta Kinte vandaan kwam. De Amerikaan stopt zijn ogen meestal achter een zonnebril alsof hij een prediker is die uit Amerika komt om met zwarte mensen te praten. Hij en de Cubaan, die komen soms samen, soms alleen, en als de ene praat, houdt de ander altijd z’n mond. De Cubaan kloot niet met wapens, want wapens moet je altijd gebruiken, zegt hij.
En ik weet, ik sliep op een brits en ik weet, mijn moeder was een hoer en mijn vader was die laatste goeie man in de getto. En ik weet, wij zaten dagen lang te kijken naar jouw grote huis aan Hope Road, en toen een keer kwam jij met ons praten alsof jij Jezus was en wij Iskariot en jij knikken, of je wou zeggen: ga door met je dinges en doe wat je doen moet. Maar ik weet niet meer of ik jou zag of dat iemand zei dat hij jou zag zodat ik denk dat ik jou ook zag, dat je van de achterveranda kwam lopen en een stuk broodvrucht at, en zij duikt zomaar op alsof ze buiten iets belangrijks te doen had zo laat in de nacht en schrikt, schrikt zo dat jij geen kleren aanhebt, dan grijpt ze naar je fruit want zij wil het eten, ook al willen Rasta’s geen sloerievrouwen en jullie gaan aan het nachtrotzooien en ik pak ’m beet en ga ook aan het rotzooien omdat ik het zag of hoorde en dan schrijf jij er een nummer over. Die knul uit Concrete Jungle op diezelfde groene wijvenscooter komt vier dagen langs om acht uur ’s morgens en vier uur ’s middags om de bruine envelop te halen tot de nieuwe bewakers hem gaan wegsturen. Van die dinges weten wij ook.
In Eight Lanes en in Copenhagen City kun je enkel toekijken. Een zijen stem op de radio zegt dat misdaad en geweld het land overnemen en we moeten maar afwachten of het ooit zal veranderen, maar hier in Eight Lanes kunnen we alleen maar afwachten. En ik zie die strontwater door de straten stromen en ik wacht. En ik zie mijn moeder het doen met twee mannen voor ieder twintig dollar, en nog een die vijfentwintig betaalt om erin te mogen blijven en hem er niet uit te trekken en ik wacht. En ik zie dat mijn vader haar zo strontzat wordt dat hij haar als een hond afranselt. En ik zie hoe het zinken dak roest tot het bruin is en dan slaat de regen er gaten in als kaas van overzee, en ik zie zeven mensen in één kamer en één ervan zwanger en mensen die maar door blijven neuken omdat ze zo arm zijn dat ze geen geld hebben om zich te schamen en ik wacht. En het kamertje wordt maar kleiner, en er komen nog meer zusbroerneefjes van buiten, de stad wordt almaar groter en geen plaats meer voor een rub-a-dub of spul gebruiken en geen hete kip, en ook al is die er wel, die is toch te duur en die meisje wordt neergestoken omdat ze weten dat ze elke dinsdag geld voor de schoollunch krijgt en de jongens zoals ik worden ouder en gaan niet erg veel naar school en kunnen geen abc lezen maar Coca-Cola kennen ze wel en ze willen in een studio een nummer opnemen en hits zingen en als de sodemieter de getto uit, maar Copenhagen City en Eight Lanes zijn allebei te groot en elke keer als je aan de rand bent, schuift de rand weer verder op als een schaduw tot de hele wereld een getto is en jij wacht af.
Ik zie jij hebt trek en jij wacht en jij weet dat je geluk moet hebben, scharrelt rond de studio en Desmond Dekker zegt tegen de baas: geef hem een kans, en hij geeft jou een kans want hij hoort de honger al in je stem voor hij je heeft horen zingen. Jij neemt een nummer op, maar geen hit, toen al te mooi voor de getto, want de tijd is voorbij dat mooiheid het voor iedereen makkelijk maakte. We zien je pezen en meer lullen dan je voorstelt en we willen je op je bek zien gaan. En we weten dat toch niemand denkt dat jij een rudeboy bent, want je ziet eruit als een gluiperd. En als je aftaait naar Delaware en terugkomt, wil je ska gaan zingen, maar ska is al vertrokken uit de getto en in de buitenwijken gaan wonen. Ska is overzee gevlogen om de blanken te laten zien dat het net zoiets is als de twist. Misschien iets voor de Syriërs en de Libanezen om trots op te zijn, maar als wij ze in de krant zien staan met een stewardess zijn wij niet trots maar valt onze bek open. Je maakt nog een song, en die wordt een hit. Maar met één hit kom je die getto niet uit als je platen opneemt voor een vampier. Met één hit kun je Skeeter Davis worden of die vent die die Gunfighter Ballads zingt.
Toen deze jongen uit z’n moeder donderde, gaf ze het op. In de kerk zeggen ze dat er in ieder z’n leven een leegte is in de vorm van God, maar gettomensen kunnen een leegte alleen maar vullen met leegte. 1972 is heel anders dan 1962 en de mensen fluisteren nog steeds want ze kunnen niet roepen dat toen Artie Jennings plotseling doodging, dat hij toen de droom heeft meegenomen. Droom waarover zou ik niet weten. Mensen zijn stom. De droom is niet weg, mensen herkennen een nachtmerrie niet eens als ze er middenin zitten. Er kwamen meer mensen naar de getto omdat Delroy Wilson zong ‘Better Must Come’ en de man die minister-president zou worden zong het ook. Better Must Come. Mannen die eruitzien als blanken, maar gettopraten als naiggers als ze los gaan, en die zingen dan ‘Better Must Come’. Vrouwen in kleren als de koningin, die niks met de getto hadden tot het in Kingston losbarstte en die zingen ‘Better Must Come’.
Maar voor better komt eerst het slechtste.

 

© Marlon James

Vertaling © Arjaan en Thijs van Nimwegen

Uitgeverij Lebowski

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum