Leesfragment: Een volstrekt nutteloos mens

27 november 2015 , door Jori Stam
| |

Wij richten in samenwerking met Recensieweb de schijnwerpers op de twee Nederlandse prozadebuten van mei en juni, allemaal voorzien van uitgebreide fragmenten. Lees op onze website de voorpublicaties uit de romans van Emmelien Kramer en Jori Stam.

In juni debuteert Jori Stam met Een volstrekt nutteloos mens. 'Urenlang stonden ze stil aan de rand van de weg omdat zijn moeder een eland had gezien. Daar moest een foto van worden gemaakt, anders bestond die eland niet. Zijn vader snoof regelmatig op een overdreven manier de berglucht op, wat Harm merkwaardig vond – voor hem bestond er geen onderscheid in luchtkwaliteit.'

Een man die bij een bekende politicus inbreekt om zijn moeder te wreken, een einzelgänger die zijn kluizenaarschap onderbreekt om de knoflooksaus bij de kebabzaak te vergiftigen en een kistendrager die identiteiten steelt. De personages uit de verhalen van Jori Stam lijken weggelopen uit het werk van Arnon Grunberg of Cormac McCarthy. Naarmate de lezer verder in het universum van Stam doordringt wordt duidelijk dat zijn wereldbeeld geenszins alledaags, vredelievend en conformistisch is. Van absurde taferelen in polderdorpen tot misantropie en waanzin in de stad: Een volstrekt nutteloos mens onthult de gruwelen die schuilgaan achter ogenschijnlijk onschuldige situaties.

 

Een dag na de voorjaarsborrel van de uitgeverij had zijn redacteur hem gevraagd een literaire thriller te schrijven, en daarom belandde Harm Edelmann aan de rand van een afgrond in een Noors paradijs.

Een paradijs. Dat was het woord dat door Harm heen schoot toen hij in het keukenraam van het vakantiehuis het uitgestrekte fjord voor zich zag liggen. In de bergen herkende hij boerderijen en landhuizen, vanaf deze afstand gereduceerd tot donkerrode spikkels tussen het grijs en het groen. Op een heldere dag als vandaag zag je precies waar de boomgrens ophield – waar sparren en dennen keurig plaatsmaakten voor rotspartijen, overwoekerd met turkoois- en groengekleurd mos. Op de bergtoppen lagen enorme, witte plakkaten eeuwige sneeuw. Aan het einde van het dal lag de azuurblauwe zijarm van de Jostedalsbreen, de bekendste gletsjer van dit gebied.
De ruige natuur van Noorwegen was een toevluchtsoord geworden voor Harm. Al tien jaar woonde hij met Anne in een nieuwbouwwoning op IJburg, waar alles kunstmatig en kaarsrecht was: over elke grasperk, sloot of boom was door commissies vergaderd. In de nieuwbouwwijk waren de zuinige glimlach en de bakfietsmoeder uitgevonden. Het was een plek waar iedereen tolerantie en ruimdenkendheid veinsde maar in werkelijkheid doodsbang was voor een Marokkaan. Waar huismannen in de natuurwinkel hun biologisch-dynamische producten afrekenden en in het weekend deelnamen aan wijn- en kaasproeverijen.

Ruim een week voordat hij naar Noorwegen was vertrokken, had Harm in zijn slaapkamer een kladblok op schoot genomen met daarop een overzichtelijke lijst van kleding, toiletartikelen en andere belangrijke spullen. De inventarisatie was gebaseerd op weersvoorspellingen, wandelingen die hij tussen het schrijven door wilde maken en de aanwezigheid van een wasmachine in het onderkomen. Hij markeerde de regel waar ‘Douchegel’ stond geschreven met een gele stift, nadat hij in de badkamer een witte straal uit een gezinsverpakking had overgegoten in een doorzichtige reisflacon. De gevulde reisflacon rolde hij op in een dikke sok, die hij liet verdwijnen in de holte van een wandelschoen.
Op het bed lagen overhemden op elkaar gestapeld, opgevouwen alsof ze rechtstreeks uit een kledingwinkel kwamen, een trucje dat hij geleerd had van een vriend uit zijn studententijd en sindsdien op alle kleding en beddengoed toepaste – al bleven hoeslakens door het onhandige elastiek in de hoeken een uitdaging.
Van boven naar onderen veranderde de kleur van de stapel overhemden geleidelijk van licht- naar donkerblauw; zijn lievelingskleur in vijf verschillende tinten vertegenwoordigd. Het waren overhemden van een duur merk die jaren meegingen, mits je ze op de juiste temperatuur waste en regelmatig streek. Voor de oorlog gebruikte men nog stijfsel voor de boord, Harm koos voor de stijltang van Anne, met wie hij al twaalf jaar samen was. De enige reden om een overhemd vroegtijdig weg te gooien was als er een vetvlek was ingetrokken, omdat geen enkel wondermiddel of stomerij was opgewassen tegen vet in fijngeweven katoen.
Hij schoof de stapel overhemden in één beweging in een plastic opbergzak als brieven in een envelop. Hij ritste de zak dicht, haalde een stofzuiger uit een kast en plaatste de slang op een breed ventiel dat op de zak was gemonteerd. Het geluid van de stofzuiger vulde de kamer en hij zag hoe de zak met kleren vacuüm trok en in volume halveerde. Hetzelfde deed hij met vijf pantalons, twee korte broeken, een dikke Noorse trui, vijf hemden, een colbertje en tien witte onderbroeken. Hij stapelde de vacuümgetrokken kledingpakketten op in de koffer en vulde de overgebleven rechthoekige gleuf met wandelschoenen, een toilettas en vier romans. Hij markeerde de corresponderende categorieën op een vel papier en bekeek vervolgens het resultaat. De kaft van een van de boeken stak een centimeter uit boven de rest. Hij krabde aan zijn gezicht, haalde het boek uit de koffer en verwisselde hem met een exemplaar uit de kast dat aan de afmetingseis voldeed. Het werd Bloedbad van Babi Jar van Anatoli Koeznetsov – niet hoog op zijn leeslijst, maar dat was nu minder belangrijk. Hij trok de rits van de koffer in een vloeiende beweging dicht. Nergens werkte de ritssluiting tegen, nergens ontstond opbollende stof. Hij was tevreden.
De avond voor zijn vertrek zou hij dit rustgevende proces herhalen, alleen zou het dan geen oefening meer zijn.

*

De laatste keer dat Harm in de keuken van het vakantiehuis stond, was hij zestien jaar oud en mee op vakantie met zijn ouders. Hij dacht aan de terugreis over de eindeloze Deense snelweg; hoe woest hij was geworden over de emigratieplannen die zijn ouders hem plotseling hadden voorgelegd. Het was woede geweest die niet bij zijn leeftijd paste – de woede van een wild, gekooid dier.
Vaak had hij zich afgevraagd hoe zijn leven eruit zou hebben gezien als de emigratie werkelijk was doorgegaan – of hij in Noorwegen een andere persoon zou zijn geworden. Iemand die leefde zonder ergernissen en mensenhaat. Geen concerten en musea vol mensen die alles moesten vastleggen met de camera van hun mobiele telefoon. Geen gespreksonderwerpen als biologische brandnetelkaas. Niemand die de ingang van de tram gebruikte als uitgang en tegen wie hij pontificaal op botste om zijn punt te maken. Geen schaamte omdat hij zich door die botsingen beter voelde. Geen Twitter of Facebook – een wereld waarin niet voor alles een app ontworpen was.
De emigratie zou een logisch gevolg zijn geweest van de liefde die zijn ouders koesterden voor het land. Harm was opgevoed met het idee dat Noorwegen heilig was, maar als kind vond hij het er vooral saai en vervelend. De vakantiehuisjes waarin de familie Edelmann verbleef, waren kaal en oud, meestal tientallen kilometers verwijderd van de dichtstbijzijnde winkel. Soms stond er een krakkemikkig televisietoestel – schotelantennes waren schaars en stonden meestal afgesteld op vreemde Duitse kanalen.
Vaak vertrok de familie in alle vroegte met de auto naar een verre plek omdat daar beter kon worden gewandeld. Urenlang stonden ze stil aan de rand van de weg omdat zijn moeder een eland had gezien. Daar moest een foto van worden gemaakt, anders bestond die eland niet. Zijn vader snoof regelmatig op een overdreven manier de berglucht op, wat Harm merkwaardig vond – voor hem bestond er geen onderscheid in luchtkwaliteit.
Op verjaardagen liet zijn moeder dikke fotoalbums rondgaan met eindeloze reeksen van watervallen, bergen, rivieren en fjorden die allemaal op elkaar leken. Elk album sloot af met de foto van een eland die aan een bosrand gras stond te herkauwen, terwijl hij met een onnozele blik in de lens staarde. Het pronkstuk. Hij kon maar niet begrijpen waarom zijn moeder die elandenfoto als een overwinning zag. Waarom ze geen foto’s maakte van hem of van zijn vader.

Harm sloot zijn ogen en hoorde een windvlaag, het pruttelende geluid van een motorbootje dat echode tussen de bergen en uiteindelijk, heel diep in de verte, het geklater van water op rotsen. De verveling die hij als kind voor het land voelde, had naarmate hij ouder werd plaatsgemaakt voor iets compleet anders. Een verlangen naar de Noorse rust en natuur – hij had de bezoeken aan het land nodig om in Nederland te kunnen overleven. In Noorwegen kon hij nog ademhalen zonder het gevoel te hebben dat iets hem achternazat of juist stond op te wachten. De natuur die hem tijdens wandelingen inspireerde. Een plek waar iedereen elkaar nog vertrouwde, waar avonturiers en rustzoekers werden beloond en verwelkomd. In Noorwegen kon hij eindeloos lopen en aanschouwen, bedenken en overzien. De natuur koos haar pad, zonder de inbreng van overwerkte ambtenaren of planologen.

Uitgeverij Atlas Contact

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum