Leesfragment: Eendagsvlinders

27 november 2015 , door Irvin D. Yalom
|

Op 28 januari verschijnt Eendagsvlinders van Irvin D. Yalom, waarin hij tien verhalen deelt uit zijn therapeutische praktijk. Wij publiceren voor. 
'Hij zei dat hij al zijn geluk al verbruikt had door de loterij van het leven te winnen – van al die miljoenen andere eitjes en zaadcellen was hij de gelukkige die het winnende lot had getrokken. Hij wees naar
alle doorgescheurde kaartjes op de grond en zei dat hij het aan de “loterij des levens” verplicht was om zijn geld niet te verspillen, maar dat hij het moest gebruiken om het leven ten volle te kunnen leven.’

We zijn allemaal mensen van de dag. Er komt een tijd dat je alles bent vergeten, er komt een tijd dat iedereen jou is vergeten. Tweeduizend jaar geleden hield keizer Marcus Aurelius zichzelf - en zijn lezers - in zijn Overpeinzingen al dit soort lessen voor.

Tegenwoordig zijn de meeste psychoterapeutische behandelingen kortdurend en gericht op categorieën als depressie, verslaving of angst. Yalom gelooft daar niet in. Uit onderzoek blijkt keer op keer wat hij uit eigen ervaring weet: de belangrijkste factor in een effectieve therapie is de relatie tussen therapeut en cliënt. Yalom hecht de grootst mogelijke waarde aan het opbouwen van een eerlijke en helpende relatie met zijn cliënten. Het gaat hem niet alleen om het ziektebeeld, maar om de hele mens.

In dit boek werpt Yalom aan de hand van zijn ervaringen met een tiental patiënten nieuw licht op wezenlijke levenskwesties die iedereen raken, zoals ouder worden, de angst voor de dood, het maken van keuzes, fundamentele eenzaamheid en het zoeken naar een betekenisvol leven. Iedereen die geïnteresseerd is in de menselijke psyche en in persoonlijke groei zal zich kunnen identificeren met de tijdloze, existentiële vragen die in dit boek aan de orde komen.

Driemaal snikken

Ik heb haar jaren geleden maar voor één enkel consult ontmoet, maar ons uur samen staat in mijn geheugen gegrift. De alleraardigste, verdrietige, goedgebekte Helena kwam om over haar vriend Billy te praten, en tijdens ons gesprek moest ze driemaal huilen.
Billy was drie maanden daarvoor overleden, en speelde nog steeds een grote rol in haar leven. Ze hadden in totaal verschillende werelden geleefd - hij fladderde rond in de gayscene in So-Ho, zij zat al vijftien jaar veilig opgeborgen in een bourgeois huwelijk. Maar ze waren vrienden voor het leven, die elkaar al sinds groep vier kenden en toen ze in de twintig waren een tijd hadden samengewoond in een commune in Brooklyn. Zij was arm, hij rijk; zij was op haar hoede, hem kon het allemaal niks schelen; zij was onhandig, hij liep over van de sociale vaardigheden. Hij was blond en mooi en leerde haar motorrijden.
'Op een keer,'vertelde ze met glanzende ogen, 'zijn we met de motor een halƒjaar door Zuid-Amerika getrokken, met een kleine rugzak. Die reis is het hoogtepunt van mijn leven geweest. Billy zei altijd: "We moeten alles ervaren; nooit spijt hebben; alles opgebruiken wat er is en niets voor de dood overlaten." En toen kreeg hij vier maanden geleden plotseling een hersentumor, en een paar weken later was mijn arme Billy dood.'
Maar dat was niet het moment waarop ze huilde - dat gebeurde een paar minuten later.
'Vorige week heb ik een belangrijke mijlpaal in mijn leven bereikt. Ik ben geslaagd voor mijn staatsexamen, en ben nu officieel klinisch psycholoog.'
'Gefeliciteerd. Dat is echt een mijlpaal.'
‘Mijlpalen zijn niet altijd goed.’
‘Hoe dat zo?’
‘Afgelopen weekend heeft mijn man onze twee zoons met hun beste vrienden mee uit kamperen genomen, en ik heb een groot deel van het weekend besteed aan het wennen aan deze mijlpaal en terugblikken op mijn leven. Ik maakte het huis schoon, nam kast na kast vol nutteloze bezittingen door, en ik kwam een totaal vergeten fotoalbum tegen met foto’s van Billy die ik jaren niet had gezien. Ik ademde even diep door, schonk een borrel in, ging in een hoekje op de grond zitten en begon het langzaam door te bladeren, maar ditmaal met een totaal andere blik: de blik van een therapeut. Ik keek naar mijn lievelingsfoto van Billy. Hij zit op zijn motor, met opengeritst leren jack, met die wonderbaarlijke, zomerse grijns op zijn gezicht, steekt bij wijze van groet zijn flesje bier naar me op, en gebaart dat ik moet meedoen. Ik ben altijd dol op die foto geweest, maar voor de allereerste keer kwam in me op dat Billy manisch was, dat hij aan een bipolaire stoornis leed. Die gedachte bracht me aan het twijfelen. Al die gekoesterde avonturen, die wilde dingen die we hadden gedaan, misschien was het alleen maar...’
En dat was het moment dat ze voor het eerst huilde. Ze snikte minutenlang. Ik drong aan: ‘Kun je die zin afmaken, Helena? Misschien was het alleen maar...’
Helena bleef snikken, en intussen bood ze hoofdschuddend haar excuses aan dat ze bijna mijn hele doos papieren zakdoekjes opgebruikte. Ze zette haar gedachten op een rijtje, negeerde mijn vraag en ging verder: ‘Dat was het moment waarop ik jou belde om een afspraak te maken. De gedachte dat hij bipolair was, was eigenlijk al erg genoeg, maar later die dag werd het nog erger, toen ik opnieuw de laatste e-mails las die ik met Billy had uitgewisseld. Tegen het eind schreef hij me een lieve boodschap waarin hij vertelde hoeveel ik voor hem betekende, hoe hij zich vastklampte aan beelden van mij, ook al waren er hele stukken van zijn hersenen aan het uitvallen. En toen...’
Op dat moment barstte Helena voor de tweede maal in tranen uit. Hevig snikkend greep ze opnieuw naar de papieren zakdoekjes.
‘Probeer te blijven praten, Helena.’
‘Toen ik de e-mail beter bekeek,’ zei ze tussen de snikken, ‘drong tot me door dat hij die e-mail aan ruim honderd mensen had gestuurd. Dat ik gewoon een van die honderd mensen was, of die honderddertien mensen, om precies te zijn.’
Ze bleef minutenlang overdadig huilen. Toen het gesnik wat bedaarde, vroeg ik: ‘En toen, Helena?’
‘En toen kwam ik bij een bladzijde van het album die ik helemaal was vergeten. Er zat een uitnodiging op geplakt voor een van de gezamenlijke wilde verjaarspartijen die we vroeger in Brooklyn gaven. Ik ben op 11 juni geboren, en hij op 12 juni. We zijn maar een paar uur na elkaar geboren, en vroeger vierden we onze verjaardagen samen, en...’
Hier brak Helena voor de derde keer in snikken uit.
Ik wachtte een paar ogenblikken en maakte toen de zin voor haar af: ‘We zijn maar een paar uur na elkaar geboren, en nu is hij dood. Dat is vast een angstaanjagende gedachte.’
‘Ja, ja,’ knikte Helena al snikkend nadrukkelijk.
Ik keek even op mijn horloge. Ze had om een enkele sessie gevraagd en er waren nog maar twintig minuten over. ‘Laten we ons even op die laatste tranen concentreren, Helena: Billy en jij zijn dus even oud, met een verschil van een paar uur. En nu is hij dood. Vertel eens wat meer over wat er in je omgaat.’
‘Het is puur toeval dat ik hier nog ben en hij dood is. Het had net zo goed andersom kunnen zijn. Ik kan me herinneren dat we een keer naar de paardenrennen gingen. Het was voor mij de eerste keer. Tot mijn verrassing wilde Billy niet gokken en toen ik vroeg hoe dat zat, gaf hij een nogal eigenaardig antwoord. Hij zei dat hij al zijn geluk al verbruikt had door de loterij van het leven te winnen – van al die miljoenen andere eitjes en zaadcellen was hij de gelukkige die het winnende lot had getrokken. Hij wees naar alle doorgescheurde kaartjes op de grond en zei dat hij het aan de “loterij des levens” verplicht was om zijn geld niet te verspillen of geld van anderen af te pakken, maar dat hij het moest gebruiken om het leven ten volle te kunnen leven.’
‘En heeft hij dat gedaan?’
‘Nou en of. Ik heb verder nooit iemand meegemaakt die zo ten volle heeft geleefd, zo onbevreesd en zo genietend van het simpele feit dat hij leefde.’
‘En als die schitterende levensvonk zo makkelijk kan worden gedoofd,’ zei ik, ‘dan lijkt je eigen leven ook in gevaar.’
Helena keek naar me op met een verraste blik vanwege mijn onomwonden opmerking. ‘Precies, precies.’ Ze pakte weer een handvol papieren zakdoekjes.
‘Dus die tranen van je zijn ook voor jezelf. Zijn dood maakt je eigen dood echter. Is dit de eerste keer dat je zo’n ontmoeting met de dood hebt?’
‘Nee, nee. Volgens mij heb ik als kind heel vaak meegemaakt dat de gedachte aan de dood door me heen denderde. Telkens als ik een begrafenis had meegemaakt, lag ik nachten na te denken over dood zijn. En zo ging het ook toen mijn oudste zoon werd geboren. Zijn eerste kreetje kwam hard bij me aan.’
‘Waarom dan?’
‘Omdat het iets heel voor de hand liggends duidelijk maakte: dat het leven begint en zich dan in een rechte lijn voortzet. Ik ben niet meer dan een draagster die het leven aan haar zoon doorgeeft, waarna hij ook weer met de dood zal worden geconfronteerd. Ik denk dat toen tot me doordrong dat we stuk voor stuk gebonden zijn aan een vast plan, en dat ik daar zeker geen uitzondering op vorm.’
‘Ik zal je vertellen waar ik aan moet denken,’ zei ik. ‘Dat is die uitspraak van Billy dat je nooit spijt moet hebben. Uit wat jij zegt leid ik af dat je je leven met Billy ten volle hebt geleefd. Klopt dat?’
‘Dat klopt.’
‘Dat kan ik aflezen aan de uitgelaten blik in je ogen als je het erover hebt. Dus je hebt geen gevoelens van spijt over die tijd?’
‘Absoluut niet.’
‘En hoe zit het dan met je leven nu, met je man en je zoons?’
‘Juist ja. Jij verspilt geen tijd. Dat is een ander verhaal. Ik ben nu niet in het leven. Het lijkt wel of ik het uitstel. Ik ben het leven zoals het zich op het moment voltrekt niet echt aan het ervaren en ervan aan het genieten. Ik ga gebukt onder de last van spullen: kleren en linnengoed en spreien en te veel lampen en honkbalhandschoenen en golfclubs en tenten en slaapzakken.’
‘Heel anders dan indertijd die motortocht met Billy – zes maanden door Zuid-Amerika met alleen een kleine rugzak.’
‘Dat was de hemel op aarde. En nu ben ik getrouwd met een goede man. Ik houd echt van hem, maar wat ga ik gebukt onder al die spullen. Ik zou willen dat ik verder kon met alleen een rugzak. Te veel spullen. Soms stel ik me een reusachtige shovel voor die door het dak heen breekt en zijn grijper met onze spullen vult: reusachtige tv’s, dvd-spelers, banken en afwasmachines, en als die grijper omhoog gaat om al die spullen weg te halen, zie ik een paar tuinstoelen van gestreepte canvas aan zijn tanden bungelen.’
‘En dus? Vertel eens wat meer over je spijt over het leven van de afgelopen paar jaar.’
‘Dat heb ik niet naar waarde geschat, ik heb het niet geleefd zoals ik had moeten doen. Misschien ben ik te lang blijven hangen aan het idee dat het echte leven toen was, samen met Billy.’
‘En die overtuiging maakt het des te lastiger om je eigen dood te kunnen aanvaarden. Het is altijd pijnlijker om aan de dood te denken als je aanvoelt dat je niet ten volle hebt geleefd.’
Helena knikte. Ik had nu duidelijk haar volle aandacht.
‘Nu even terug naar de twee keer hiervoor dat je huilde. Je moest huilen toen je erachter kwam dat hij een afscheidsmail aan ruim honderd mensen had gestuurd. Laten we het daar nog even over hebben.’
‘Ik voelde me niet meer uitverkoren. Ooit zijn we heel close geweest.’
‘Zagen jullie elkaar vaak?’
‘Vroeger wel, ja, maar de laatste paar jaar niet meer. Sinds ik tien jaar geleden naar Oregon verhuisde. We zaten aan tegenover elkaar gelegen kusten en ik zag hem op zijn hoogst een-, tweemaal per jaar.’
‘Ik stel me Billy voor,’ zei ik peinzend, ‘toen die hersentumor bij hem binnendrong, en hij zich misschien net als veel mensen die op sterven liggen geïsoleerd voelde en wanhopig zijn complete sociale netwerk aansprak om de banden aan te halen. Dat lijkt me begrijpelijk en heel menselijk. Maar daarom is die daad van hem nog geen commentaar op zijn relatie met jou, Helena.’
‘Ja, ja, dat weet ik. En of ik dat weet! Ik krijg heel veel stellen in mijn praktijk en er is bijna elke dag wel een cliënt tegen wie ik zeg dat niet elke daad per se een boodschap is over de relatie.’
‘Precies, en het is nog onwaarschijnlijker dat het een boodschap is over de waarachtigheid van jouw relatie met Billy van al die jaren geleden. Relaties komen tot een eind, maar daarmee wordt nog niet weggevaagd wat ze ooit zijn geweest. En daarmee komen we op de eerste keer dat je hier moest huilen, toen je het had over het moment dat ineens tot je doordrong dat Billy manisch was. Probeer je eens voor te stellen wat je tranen toen precies zeiden.’
‘Die manie van hem lijkt nu zo overduidelijk. Hij hield nooit op. Altijd op volle snelheid. Hij nam nooit gas terug. Hoe kan ik dat toch over het hoofd hebben gezien? Niet te geloven.’
‘Maar laten we nu eens kijken naar de reden waarom je daar zo geschokt over was.’
‘Ik denk dat het mijn hele vermogen om de werkelijkheid aan te voelen aan de kaak stelde. Datgene wat ik als het hoogtepunt van mijn leven beschouwde, het stralende middelpunt, de tijd toen ik, en hij ook, zo opwindend springlevend was – dat was allemaal niet echt. Nu besef ik dat het een en al manie was.’
‘Ik begrijp hoe ontregeld je je nu moet voelen, Helena. Al die jaren heb je op een bepaalde manier naar je leven gekeken, en ineens word je geconfronteerd met een compleet andere versie van de werkelijkheid. Je ziet het verleden voor je ogen veranderen – dat moet een hele schok zijn!’
‘Precies. Ik voel me verdoofd.’
‘Je opmerkingen hebben ook iets heel verdrietigs, Helena. Het is treurig dat Billie, die vitale, bijzondere man en levenslange vriend tot een diagnose is gereduceerd. En dat je hele jeugd met hem – al die schitterende, opwindende ervaringen – ook nog eens is gereduceerd tot “niets anders dan”, niets anders dan een uitdrukking van zijn manie. Misschien had hij wel een manie, maar uit wat jij over hem vertelt, leid ik af dat hij heel wat meer was dan dat etiketje.’
‘Dat weet ik, dat weet ik, maar op dit moment kom ik daar even niet overheen.’
‘Ik zal je vertellen wat er door mijn hoofd speelt. Toen je zei dat je hele jonge leven met hem niets anders dan een manie was, moest ik een beetje rillen. Ik stelde me voor dat ik die “niets anders dan”-aanpak zou loslaten op wat zich hier tussen ons voltrekt. Je kunt vast wel zeggen dat dit niets anders is dan een commerciële transactie en dat ik ervoor word betaald om naar jou te luisteren en op je te reageren. Of je zou kunnen zeggen dat ik me sterker en effectiever voel door jou te helpen je prettiger te voelen. Of dat ik mijn leven betekenis geef door jou te helpen die betekenis te vinden. En dat mag ook inderdaad allemaal waar zijn. Maar om nu te zeggen dat therapie “niets anders dan” die dingen is, is wel een heel eind bezijden de waarheid. Voor mijn gevoel hebben wij elkaar echt ontmoet, voltrekt zich iets echts tussen ons, geef je heel veel van jezelf en voel ik me geroerd door je woorden. Ik wil niet dat wij worden gereduceerd, en ik wil evenmin dat Billy wordt gereduceerd. Ik vind die wonderbaarlijke zomerse grijns van hem een leuke gedachte. Ik benijd je om je tocht per motor door Zuid-Amerika, en het stemt me treurig dat jij dat jezelf allemaal ontneemt.’
We rondden ons gesprek af, en waren allebei moe en een stuk wijzer geworden. Zij kon haar verleden opeisen en weer met genoegen terugdenken aan haar leven met hem. En wat mij betreft: ik had een nieuw inzicht verworven in mijn sinds lang bestaande weerzin tegen diagnoses stellen. Tijdens mijn opleiding tot psychiater had ik vaak moeite gehad met de officiële diagnostische indelingen. Bij besprekingen van gevallen waren de betrokken specialisten het vaak niet eens over de juiste diagnose voor de betrokken patiënt, en uiteindelijk kreeg ik in de gaten dat zulke meningsverschillen over het algemeen niet voortkwamen uit de vergissingen die behandelaars begingen, maar uit de problemen die nu eenmaal inherent waren aan het diagnostische proces.
Toen ik hoofd van de afdeling intramurale patiënten van Stanford was, baseerde ik me op diagnoses om beslissingen te nemen over een effectieve farmacologische behandeling. Maar in mijn psychotherapeutische praktijk van de afgelopen veertig jaar met minder ernstig ontregelde patiënten heb ik gemerkt dat het diagnostische proces tot op grote hoogte irrelevant is, en ben ik gaan geloven dat de bochten waarin wij psychotherapeuten ons moeten wringen om tegemoet te komen aan de eis van verzekeringsmaatschappijen dat we met een nauwkeurige diagnose komen, zowel de therapeut als de patiënt tekortdoen. Bij zo’n diagnostische procedure snijden we niet volgens de geledingen zoals de natuur die presenteert. Diagnostische categorieën zijn bedacht en arbitrair: ze zijn de uitkomst van een stemming en met elk decennium dat verstrijkt ondergaan ze aanzienlijke revisies.
Maar dankzij mijn gesprek met Helena drong tot me door dat een formele diagnose stellen meer is dan alleen maar een vervelend klusje. Je kunt er in feite ons werk mee hinderen door het zicht te benemen op het multidimensionale individu dat in onze spreekkamer tegenover ons zit. Billy was een slachtoffer van dat proces, en het deed me deugd dat ik een rol had kunnen spelen in het herstellen van zijn voormalige complexiteit en uitbundigheid.

 

Copyright © 2015 Irvin D. Yalom
Copyright Nederlandse vertaling © 2015 Miebeth van Horn en Uitgeverij Balans

Uitgeverij Balans

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum