Leesfragment: Goethe. Kunstwerk van het leven

27 november 2015 , door Rüdiger Safranksi
| | |

Rüdiger Safranski's Goethe. Kunstwerk van het leven verschijnt 20 mei in de vertaling van Mark Wildschut. Eerder publiceerden we al Jerker Spits' lovende recensie van Goethe. Kunstwerk des Lebens.
Op 27 mei spreekt Cees Nooteboom met Rüdiger Safranksi over zijn Goethe-biografie in het Goethe Institut. Wij publiceren voor uit het voorwoord en een fragment over Goethes jeugdliefde Friederike. 'Die getuigenissen tonen de heftige emoties van de verliefde. Hij vergelijkt zichzelf een keer met een windvaan, die met elke wind meedraait. De wereld is voor hem zo mooi [...] als hij haar sinds lang niet had gezien.'

Johann Wolfgang Goethe (1749-1832) wordt alom beschouwd als een van de grootste Duitse literaire personen: dichter, roman- en toneelschrijver, criticus, jurist, wetenschapper en politicus. Misschien wel de laatste homo universalis, even klassiek als Shakespeare en Dante. Goethe. Kunstwerk van het leven is niet de eerste biografie van Goethe maar het is zeker de meest gezaghebbende. Rüdiger Safranski is een van de grootste biografen van onze tijd en zijn ongeëvenaarde kennis van en fascinatie met zijn onderwerp zijn al gebleken uit zijn beroemde biografie van Schiller en zijn portret van de vriendschap tussen Schiller en Goethe. Hij baseert zich zo veel mogelijk op de primaire bronnen: het werk zelf, brieven en dagboeken, getuigenissen van tijdgenoten. Het uitzonderlijk rijke leven van Goethe wordt door Safranski op magistrale wijze verbeeld.

Woord vooraf

Goethe is een gebeurtenis in de geschiedenis van de Duitse geest – Nietzsche dacht, een gebeurtenis zonder gevolgen. Maar Goethe is niet zonder gevolgen gebleven. Weliswaar heeft hij het verloop van de Duitse geschiedenis geen gunstiger wending kunnen geven, maar in een ander opzicht, namelijk als voorbeeld van een geslaagd leven, dat intellectuele rijkdom, scheppingskracht en levenswijsheid in zich verenigt, was hij uiterst invloedrijk. Een boeiend leven, waarvoor hij in de wieg was gelegd, maar waarvoor hij toch ook strijd heeft moeten leveren, bedreigd door innerlijke en uiterlijke gevaren en aanvechtingen. Wat steeds weer fascineert is de individuele gestalte van dit leven. Dat is geen vanzelfsprekendheid.
Het is thans geen gunstige tijd voor het ontstaan van individualiteit. Het netwerk dat allen met allen verbindt is het grote uur van het conformisme. Goethe was ten diepste verbonden met het maatschappelijke en culturele leven van zijn tijd, maar hij verstond de kunst een eenling te blijven. Hij huldigde het principe slechts zoveel wereld in zich op te nemen als hij kon verwerken. Waar hij niet op een of andere manier productief op kon antwoorden, ging hem niets aan, met andere woorden: hij kon ook wonderbaarlijk goed dingen links laten liggen. Uiteraard moest ook hij aan veel deelnemen waar hij zich liever verre van had gehouden. Maar voor zover het aan hem lag, wilde hij de omvang van zijn levenssfeer zelf bepalen.
Van de fysiologische stofwisseling zijn we inmiddels aardig op de hoogte, maar wat een geslaagde geestelijk-psychische stofwisseling met de wereld is, kan het voorbeeld van Goethe ons leren. En ook dat we naast het lichamelijke een geestelijk-psychisch immuunsysteem nodig hebben. Je moet weten wat je binnenlaat en wat niet. Goethe wist dat, en dat maakte deel uit van zijn levenswijsheid.
Daarom vormt niet alleen het werk, maar ook het leven van Goethe voor ons een bron van inspiratie. Hij was niet alleen een groot schrijver, maar ook een meester in de levenskunst. Beide samen maken hem onuitputtelijk voor het nageslacht. Dat voorvoelde hij, ook al schreef hij in een van zijn laatste brieven aan Zelter dat hij helemaal vergroeid was met zijn tijd, die nooit meer zou terugkeren. Toch kan Goethe levendiger en sterker aanwezig zijn dan menigeen onder de levenden met wie we elke dag te maken hebben.
Elke generatie heeft de kans in de spiegel van Goethe ook zichzelf en zijn eigen tijd beter te begrijpen. Dit boek is zo’n poging, doordat het leven en werk beschrijft van een genie zoals er maar eens in de honderd jaar een verschijnt en aan de hand van dit voorbeeld tegelijk de mogelijkheden en grenzen van een levenskunst wil verkennen.

Een jongeman van goeden huize uit Frankfurt am Main, studeert in Leipzig en Straatsburg, zonder echt een studie af te ronden, wordt uiteindelijk toch jurist, is aanhoudend verliefd en heeft een hele zwerm jonge meisjes en rijpere vrouwen achter zich aan. Met ‘Götz von Berlichingen’ wordt hij in Duitsland beroemd, na het verschijnen van ‘Die Leiden des jungen Werther’ spreekt heel literair Europa over hem: Napoleon zal beweren dat hij de roman zeven keer had gelezen. Bezoekers stromen naar Frankfurt om daar de mooie, welbespraakte en geniale jongeman te zien en te horen. Een generatie eerder dan Lord Byron voelt hij zich de lieveling van de goden, en net als Byron heeft hij ook poëtische omgang met zijn duivel. Nog in Frankfurt begint hij met het levenslange werk aan ‘Faust’, dit canonieke drama van de moderne tijd. Na de periode als genie in Frankfurt is Goethe het literaire leven een tijdje zat, hij riskeert een radicale breuk en trekt in 1775 naar het kleine hertogdom Saksen-Weimar, waar hij het als vriend van de hertog tot minister schopt. Hij liefhebbert in natuuronderzoek, vlucht naar Italië, woont ongehuwd samen – en bij dat al schrijft hij de onvergetelijkste liefdesgedichten, wedijvert met zijn vriend en collega- schrijver Schiller om de eer, schrijft romans, doet aan politiek en gaat om met de groten van kunst en wetenschap. Al bij leven wordt Goethe een soort instituut. Hij maakt van zichzelf een historische figuur, schrijft met ‘Dichtung und Wahrheit’ na ‘Belijdenissen’ van Augustinus en ‘Confessions’ van Jean-Jacques Rousseau misschien wel de belangrijkste autobiografie van het oude Europa. Maar hoe stijf en statig hij zich soms ook gedraagt, toch toont hij zich in zijn late werk ook een onverschrokken en sardonische Mefisto, die alle conventies aan zijn laars lapt.
Daarbij blijft hij zich er steeds van bewust dat literair werk één ding is, maar het leven zelf iets anders. Ook daaraan wilde hij het karakter geven van een werk. Wat is dat – een werk? Het onttrekt zich aan de tijdsomstandigheden en rijst daar bovenuit, met begin en einde en daartussen een vastomlijnde vorm. Een eiland van betekenis in de zee van het toevallige en vormloze, dat Goethe schrik aanjoeg. Voor hem moest alles een vorm hebben. Of hij ontdekte die, of hij schiep hem, in de alledaagse menselijke omgang, in zijn vriendschappen, in brieven en gesprekken. Hij was een mens van rituelen, symbolen en allegorieën, een liefhebber van aanduidingen en toespelingen – en toch wilde hij altijd ook zelf tot een resultaat, tot een vorm, kortom tot een werk komen. Dat gold in het bijzonder voor zijn verplichtingen in dienstverband. De wegen moesten worden verbeterd, de boeren moesten van drukkende lasten worden bevrijd, arme en hardwerkende mensen moesten in loondienst worden genomen, de mijnbouw moest winst opleveren en in de schouwburg moest het publiek als het even kon elke avond iets te lachen of te huilen hebben.
Aan de ene kant de werken, waarin het leven vorm krijgt, aan de andere kant de aandacht. Dat is het mooiste compliment dat men het leven, zowel dat van zichzelf als van de anderen, kan maken. Ook de natuur verdient het liefdevol te worden waargenomen. Goethe onderzocht de natuur door haar aandachtig gade te slaan. Hij was ervan overtuigd dat men alleen maar nauwgezet hoefde toe te kijken en het belangrijke en ware zou zich vanzelf tonen. Niets anders, geen geheimzinnigdoenerij. Hij beoefende een wetenschap waarbij horen en zien je niet verging. Het meeste wat hij ontdekte beviel hem. Ook wat hem lukte beviel hem. En als het anderen niet beviel, liet dat hem uiteindelijk koud. Voor hem was de levensduur te waardevol om die met critici te verdoen. Tegenstrevers komen niet in aanmerking, zei hij een keer.
Goethe was een verzamelaar, niet alleen van voorwerpen, maar ook van indrukken. Zo ging het bij persoonlijke ontmoetingen. Hij vroeg zich altijd af of en hoe die hem vooruitgeholpen hadden, zoals zijn lievelingsuitdrukking daarvoor luidde. Goethe hield van het levendige en wilde daar zoveel mogelijk van vasthouden en in een of andere vorm gieten. Een ogenblik, in een vorm gebracht, is gered. Een half jaar voor zijn dood beklimt hij nog een keer de Kickelhahn2 om te lezen wat hij een keer op de binnenmuur van de jagershut had neergekrabbeld: Über allen Gipfeln ist Ruh, boven alle bergtoppen is rust.
Er bestaat geen schrijver in de moderne tijd bij wie de biografische bronnen zo rijkelijk vloeien, maar ook geen die door zoveel meningen, gissingen en interpretaties wordt overladen en aan het zicht onttrokken. Dit boek benadert dit misschien laatste universele genie uitsluitend op basis van de primaire bronnen – werken, brieven, dagboeken, gesprekken, aantekeningen van tijdgenoten. Op die manier komt Goethe tot leven en treedt hij op als voor de eerste keer.
Met Goethe leren we ook zijn tijd van nabij kennen. Deze mens, die meerdere keerpunten en omwentelingen in de geschiedenis heeft doorgemaakt, die nog opgroeide in de speelse Rococo en in een stijve en ouderwetse stadscultuur, die zich door de Franse revolutie en de gevolgen daarvan voor het geestelijk leven voelde opgejaagd en uitgedaagd, die de nieuwe orde van Europa onder Napoleon, de val van de keizer en de Restauratie, die de ontwikkeling toch niet kon tegenhouden, meemaakte, die de opkomst van de moderniteit als geen ander zo sensitief en nadenkend registreerde en wiens levensspanne ook nog de nuchterheid en versnelling van het tijdperk van de spoorwegen en zijn vroeg-socialistische dromen omvat – deze mens naar wie men later het hele tijdperk van deze reusachtige omwentelingen heeft vernoemd: de Goethetijd. 

[...]

De idylle in Sesenheim

Goethe vertelt het verhaal in ‘Dichtung und Wahrheit’ als een afgeronde novelle, die doet vermoeden dat het ook weer niet zo idyllisch is geweest, juist omdat het met een dissonant eindigde. De minnaar verlaat de beminde, en het afscheid verliep wellicht anders dan in het gedicht uit het voorjaar van 1771: Jij ging, ik stond daar, zonder woorden,/en keek je na, betraand mijn blik, of andersom, zoals in de latere versie: Ik ging, jij stond daar, zonder woorden,/en keek mij na, betraand je blik. In ‘Dichtung und Wahrheit’ staat over het einde van de idylle laconiek: Het waren pijnlijke dagen, die uit mijn herinnering zijn verdwenen.
Het is niet nodig dit mooie verhaal, dat Goethe in ‘Dichtung und Wahrheit’ vertelt, tot in detail na te vertellen, alleen bij een paar aspecten moeten we wat langer stilstaan. Goethe kwam met Weyland op een zonnige zomerdag in Sesenheim aan, als arme theologiestudent verkleed. Hij hield van de maskerade, van het incognito, van het verstoppertje spelen, ook later tijdens zijn tocht naar de Harz of tijdens zijn reis naar Italië.
Bij de Brions trad hij zelfs in wisselende vermomming op. Eerst deed hij zich voor als arme theologiestudent, en toen hij na de eerste gezamenlijke wandeling met Friederike in de maneschijn merkte dat hij verliefd was, ontvluchtte hij de volgende morgen het huis en doste zich in het nabijgelegen dorp uit als de dorpsjongen Georg. Dat zorgde voor extra verwarring. De romance met Friederike was nu in volle gang, spelletjes pandverbeuren, vrolijk samenzijn, wandelingen, zwoele zomerdagen en sterrennachten hielpen daarbij. De ouders merkten dat zich daar iets ontspon en waren bereid hen beiden in hun zweverige toestand een tijdje te laten begaan. Vader Brion besprak met de bezoeker zijn plannen om de pastorie te verbouwen, wat Goethe aan de bouwpassie van zijn eigen vader herinnerde. Zo verstreken genoeglijke dagen. Het eerste optreden van Friederike: Op dat moment verscheen ze werkelijk in de deuropening, en voorwaar, daar ging aan deze landelijke hemel een allerliefste ster op. De verliefde over Friederike: Haar kern, haar gestalte, trad nooit bekoorlijker tevoorschijn dan wanneer ze op een wandelpad omhoogliep. De gratie van haar houding en de onverwoestbare vrolijkheid in haar gezicht leken met de bloeiende beemden en de blauwe hemel te wedijveren. Het einde kondigt zich aan: Zo’n jeugdige, op goed geluk gekoesterde genegenheid valt met een nachtelijk afgeschoten kanonskogel te vergelijken, die in een zacht glooiende, schitterende baan opstijgt, zich onder de sterren mengt en daar zelfs een ogenblik lijkt te blijven hangen, maar dan omlaag gaat, weliswaar weer diezelfde baan volgt, alleen omgekeerd, en uiteindelijk daar waar zijn loop eindigt verderf zaait.
Waarom eigenlijk dit einde, waarom houdt de minnaar zich niet aan wat hij beloofd schijnt te hebben, zo niet expliciet, dan toch door zijn gedrag? De redenen die een meisje aangeeft om zich terug te trekken lijken altijd geldig, die van de man nooit, staat in ‘Dichtung und Wahrheit’.
Goethe vertelt het verhaal in retrospectief alsof het hem van meet af aan duidelijk was geweest dat van vroegtijdige verliefdheden geen duurzaam succes te verwachten viel. Is dat geen projectie van de latere bezonnen houding op het jeugdige begin van de liefde? Maar laat ons in herinnering roepen wat de jonge Goethe in een brief aan zijn schoolvriend Moors over zijn liefde voor Kätchen Schönkopf had geschreven: Het voortreffelijke hart van mijn S. staat voor mij borg dat ze me nooit zal verlaten, behalve als plicht en noodzaak ons zullen gebieden uit elkaar te gaan. Dus ook toen werd de gevoelstoren van verliefdheid al ondermijnd door een nuchter, realistisch besef: de geschiedenis die ik nu meemaak, en waar ik steeds meer bij betrokken raak, zal de toets van de realiteit niet doorstaan. De gebruikelijke loop der dingen zal ons uit elkaar drijven, en dat is misschien maar goed ook. De jongeman lijkt stellig te weten dat hij zich nog niet duurzaam wilde binden. Zo was het bij Kätchen, en zo was het blijkbaar ook in relatie tot Friederike.
Er bestaan maar weinig directe getuigenissen van deze liefdesgeschiedenis. Er is een briefconcept van Goethe aan Friederike bewaard gebleven, plus een aantal brieven aan Salzmann, geschreven in de lente van 1771, tijdens een verblijf van verscheidene weken in de pastorie van Sesenheim. Dat is, samen met de gedichten die aan Friederike waren gericht, alles.
Die getuigenissen tonen de heftige emoties van de verliefde. Hij vergelijkt zichzelf een keer met een windvaan, die met elke wind meedraait. De wereld is voor hem zo mooi [...] als hij haar sinds lang niet had gezien. Dan een plotselinge stemmingswisseling. Hij voelt dat men geen greintje gelukkiger is als men krijgt wat men verlangde. Hij heeft Friederike veroverd, maar het bevredigt hem niet meer. Misschien heeft Friederike het gemerkt, want de kleine blijft maar treurig ziek, en dat geeft alles een scheef aanzien. Daarop volgt de verraderlijke opmerking: Niet gerekend conscia mens, helaas niet recti, wat mij door het hoofd maalt, een toespeling op een passage uit de ‘Aeneas’ van Vergilius, waar wordt beschreven hoe Aeneas de liefde van Dido wekt en toch weet dat hij haar zal verlaten en daarom geen zuiver geweten kan hebben. Kennelijk weet Goethe op dat moment ook dat hij Friederike zal verlaten, maar zij weet het nog niet. Twee jaar later zal Goethe Salzmann zijn ‘Götz’ opsturen met het verzoek het door te sturen naar Friederike, met de opmerking dat het voor haar een troost zal zijn dat Weislings ontrouw jegens Maria in het stuk gewroken wordt.
Onder het mom van de verkleedpartij liet Goethe zien hoe behendig hij erin was een dubbele rol te spelen, een werkelijke en een ideële. Het is het verlangen een leven te leiden volgens de literatuur, dat pregnanter en betekenisvoller kan zijn dan het leven zelf. Dit proces van literarisering van het leven, de jeugdige drang zichzelf met romanfiguren te identificeren, behoort volgens hem tot de vergeeflijkste pogingen zich beter voor te doen dan men is. In ‘Dichtung und Wahrheit’ bekent hij dat hij de hele Sesenheim-episode niet alleen volgens het model van de roman ‘The Vicar of Wakefield’14 van Oliver Goldsmith had naverteld, maar sommige situaties indertijd al had beleefd in het licht van deze Ierse roman, die Herder ongeveer in dezelfde tijd zo meeslepend aan hem en een paar vrienden had voorgelezen. Toen hij Sesenheim en het gezin van de dominee leerde kennen, was het hem voorgekomen alsof hij uit deze gefingeerde wereld naar een vergelijkbare werkelijke wereld verplaatst werd. De domineesfamilie, hun innige verbondenheid en vooral de moeder en dochters kwamen hem net zo oprecht, opgewekt, bescheiden en verstandig voor als in de roman, zij het goddank niet zo zwaar beproefd. En ook in de roman komt een maskerade voor. De weldoener van de familie, de oom van de ploertige landheer, verschuilt zich achter de figuur van de excentrieke mister Burschell. Mogelijk dat de jonge Goethe ook daardoor op het idee van de verkleedkomedie was gekomen. Ook hij had zichzelf graag als weldoener van deze familie gezien. Maar dat was hij, nadat hij Friederike had verlaten, nu echt niet. Het enige wat er als een stille glans van overblijft zijn de gedichten, door Friederike trouw bewaard.

 

© 2014 Rüdiger Safranski
© 2015 Nederlandse vertaling: Mark Wildschut

Uitgeverij Atlas Contact

MINDBOOKSATH : athenaeum