Leesfragment: Grond

27 november 2015 , door Wil Boesten
| |

Begin augustus komt de nieuwe roman van Wil Boesten uit: Grond. Bij ons een voorpublicatie. 'Iedereen wil naar huis, iedereen is ineens belangrijk en moet en zal op een vlucht komen. Bij geldautomaten en counters slaan de pragmatici contanten en voedsel in. In het wachtgedeelte drommen mensen in groepjes bijeen, met strategisch neergezette tassen en koffers worden provisorisch territoria afgebakend. Alle stoelen zijn bezet. Op de grond maken mensen het zich zo gerieflijk mogelijk. Vrouwen in rokjes weten nog niet hoe ze het best kunnen zitten.'

April 2010. Door de uitbarsting van de IJslandse vulkaan Eyafjallajökull strandt jazztrompettist Lucas Lels op het vliegveld van New York. Erg vindt hij dat niet, na de teleurstellingen van de afgelopen week. Zijn gelatenheid verandert door een telefoontje uit Maastricht: oom Louis is dood. 

Herinneringen aan de stiekeme bezoeken bij Louis voeren Lucas terug naar zijn jeugd: het fatale auto-ongeluk waarbij zijn ouders omkwamen, de kille opvoeding door zijn grootvader, de liefde voor de trompet die hem nu lijkt te ontglippen.

Een voor een ontwaken zijn demonen. Het wachten in de dag en nacht verlichte vertrekhal begint aan hem te knagen. Wanneer Lucas terugkeert naar zijn onbeminde geboortegrond wordt een confrontatie onafwendbaar. 

 

1

Naar huis

 

Van alle kanten klinkt plots een klepperend geluid, als van zwermen vogels die laag door de hal vliegen. Lucas Lels blijft staan. Het is afkomstig van de grote borden met vertrekkende vluchten, waarvan de tuimelletters en -cijfers rij voor rij verdwijnen. Even wordt het stil. Dan beginnen de eerste plastic plaatjes weer om te kiepen, reizigers staren naar de zwarte panelen alsof daar de waarheid wordt geopenbaard. Het geratel wordt luider, een voor een keren de vluchtnummers, bestemmingen, gates en vertrektijden terug, en achter elke regel verschijnt het woordje cancelled. Er gaat een kreun door de hoge ruimte, mensen draaien – met blikken en gebaren bij elkaar verduidelijking zoekend – hun hoofd alle kanten op.
Pas als het opstandige geroezemoes weer tot een massaal murmelen afzwakt, hoort Lucas Lels zijn telefoon. Hij haalt het toestel tevoorschijn en veegt met zijn wijsvinger een paar keer onwennig over het glas. Te laat. Op het scherm een onbekend nummer, kengetal Maastricht. Een knorrend ruisen in de omroepinstallatie lijkt een bericht aan te kondigen. Lucas Lels legt zijn hoofd in de nek, maar de luidspreker zwijgt. Achter het glazen dak van de vertrekhal staat een diepblauwe voorjaarshemel.
‘No flights until further notice,’ zegt een man naast Lucas Lels met zware Duitse tongval en wijst naar de batterij monitoren verderop. Hij draait op zijn hakken om en begint zich een weg te banen door de menigte. Achter de zwoegende rug met de forse schoudertas vormt zich algauw een tros passagiers die door de daadkracht van de man het idee lijken te krijgen dat er bij de balies nog iets te regelen valt. Achter de Duitser aan. Mensen worden opzijgeduwd of wijken verstoord achteruit, binnen enkele tellen golft een sidderende beweging door de hal, en als een kudde opgeschrikte antilopen in de savanne stroomt de massa alle kanten uit.
Rondom hoort Lucas Lels flarden opgewonden gepraat in alle mogelijke talen. Het komt hem voor alsof ze allemaal hun eigen vertaling leveren van het zinnetje No flights until further notice. Hij tornt op tegen de stormloop in de richting van de balies, zet zich schrap tegen lichamen, zegt I’m so sorry wanneer hij een vrouw raakt op een plek waar dat niet hoort, maar ploetert verder en houdt pas halt bij een witte stalen pijler. Hij schuift de aluminium trolley met zijn instrument en handbagage ertegenaan. De hand die nog steeds zijn telefoon omklemd houdt is zweterig; hij legt het toestel op het koffertje en drukt zijn vingers gespreid tegen het koele staal.
Maastricht? Lucas Lels tuit een paar keer zijn lippen. Hij pakt het toestel weer, tikt het nummer aan waarvandaan hij zojuist werd gebeld en luistert. Niets. Hij probeert het nog een keer. Stilte. Het signaal is behoorlijk, maar kennelijk kan de zendmast niet alle gesprekken verwerken. Lucas heft zijn hoofd, knijpt zijn ogen een beetje dicht tegen het felle licht van de mooie aprildag.
Na nog vier pogingen gebeurt er iets.
‘Goedemorgen, Academisch Ziekenhuis Maastricht? Locatie Annadal?’ zegt een vrouwenstem.
Lucas trekt een mondhoek op als hij hoort hoe het einde van het zinnetje door de zangerigheid omhoogkrult, waardoor de mededeling als vanzelf een vraag wordt.
‘Hallo? Academisch Ziekenhuis?’
‘Annadal,’ herhaalt hij bedachtzaam, alsof hij de naam proeft. Rond zijn ogen trekken de spieren samen als bij iemand die in de massa een gezicht herkent en niet weet waarvan. Het klinkt oud, als iets waarvan je denkt dat het niet meer bestaat. Het St.-Annadal, waar hij na het auto-ongeluk nog net op tijd uit zijn dode moeder werd gesneden en – veertig dagen eerder dan de bedoeling was – als wees een wereld werd binnengetild die met ingehouden adem het nieuws over de aanslag op Kennedy volgde.
‘Ja, meneer, Annadal? Bent u daar nog? Meneer? Hállòò?’
Pas als de stem aan de andere kant zegt dat ze de verbinding gaat verbreken, stamelt hij: ‘Sorry. U had me gebeld.’
‘U? Gebeld, meneer?’
‘Ja, ik werd zojuist gebeld vanaf dit nummer.’
‘Meneer, u krijgt altijd het algemene nummer te zien als u van hier gebeld wordt? Dus als u terugbelt krijgt u vanzelf de receptie? Van welke afdeling was u dan gebeld geworden?’
‘Afdeling?’ vraagt Lucas, en zegt dat hij dat niet weet, dat het waarschijnlijk een vergissing is. Ter verontschuldiging mompelt hij nog dat hij vanuit New York belt, wenst de dame goeiedag en veegt over de rode balk.
St.-Annadal, 22 november 1963. Die omineuze dag zadelde zijn verjaardag niet alleen op met een vermoorde president aan wie die datum zit vastgeklonken – ook de immigration officer die een week geleden Lucas’ reisdocumenten controleerde had weer even veelbetekenend zijn wenkbrauw opgetrokken en geknikt –, maar vooral met Lucas’ verongelukte ouders, die op die tweeëntwintigste op een brug in Maastricht bewusteloos in hun fonkelnieuwe wagen werden aangetroffen – ogenschijnlijk amper gewond – en dezelfde avond nog bezweken aan niet tijdig opgemerkte inwendige bloedingen. Het onvoldragen kind kon worden gered. Wat er op die brug was voorgevallen wist niemand precies. Zijn grootvader ontfermde zich over Lucas – Luuk toen nog – en zijn broertje. Sindsdien werden elk jaar op Lucas’ verjaardag de ouders herdacht met een mis en een plechtige gang naar het graf. Opa torste het verlies, het zoveelste in zijn leven, dat zwaarder werd door de willekeur ervan, en vluchtte in devotie. Lucas stond dan bij dat graf en probeerde uit alle macht de treurnis te voelen die hij om zich heen zag. Hij was bang dat de anderen hem doorhadden. Een uurtje later, had hij vaak gedacht, en hij was tenminste op de drieëntwintigste jarig geweest. Of ook dood.

Lucas Lels bergt de telefoon op, trekt zijn zwarte jasje uit, hangt het over de hendel van het rolkoffertje en kijkt de hal rond. Bij de balies praten en gebaren tientallen mensen tegelijk tegen medewerkers die er niet langer in slagen geen hulpeloze indruk te maken. Het ziet eruit als een film, en hoewel hier haast alleen Europeanen rondlopen doet de commotie erg Amerikaans aan. Iedereen wil naar huis, iedereen is ineens belangrijk en moet en zal op een vlucht komen. Bij geldautomaten en counters slaan de pragmatici contanten en voedsel in. In het wachtgedeelte drommen mensen in groepjes bijeen, met strategisch neergezette tassen en koffers worden provisorisch territoria afgebakend. Alle stoelen zijn bezet. Op de grond maken mensen het zich zo gerieflijk mogelijk. Vrouwen in rokjes weten nog niet hoe ze het best kunnen zitten.
Bij andere terminals taxiën toestellen met niet-Europese bestemmingen in de richting van hun startbaan. Alsof er niks aan de hand is. Even knijpt een klem in zijn buik. Dit is niet met een paar uur voorbij. Moet hij niet ook mondvoorraad inslaan? Het lichaam lijkt een beweging in te zetten, een stap naar voren, een neiging richting de balies, maar neemt die stap – onzeker geworden over het besluit – terug. Lucas voelt in zijn binnenzak waar de envelop met het restant van zijn gage zit; contanten heeft hij genoeg. Waarom je voor de balies verdringen, waarom zouden ze jou anders behandelen? Hij kan niet naar huis. Moet hij naar huis? Hij likt langs zijn lippen en perst ze op elkaar om het vocht te verdelen, spant ze en laat weer los. Hij zou terug kunnen gaan, de stad in, maar wat moet hij daar, zeker na vanochtend? Zijn handen voelen plakkerig. Hij ruikt eraan.
Uit de omroepinstallatie schalt een onverstaanbaar advies, het klinkt meer als een bevel. Hier en daar komen mensen weer in beweging. Lucas blijft naast het koffertje tegen de pijler leunen. Zijn blik dwaalt naar een rij televisies. Op elk scherm de fotogenieke rookkolom van de IJslandse vulkaan tegen een achtergrond van eindeloos blauw, beelden van luchthavens, vliegtuigen in rijen aan de grond, gedrang voor balies, wachtende passagiers.
‘No flights until further notice,’ fluistert Lucas Lels, laat zich door zijn knieën zakken en gaat zitten. Hij hoeft niet. Hij zucht met welbehagen, schuift nog wat verder onderuit en sluit zijn ogen. Alsof je onverwacht vrijaf hebt gekregen.
‘Permesso?’
Lucas trekt zijn benen in en mompelt een verontschuldiging tegen de glanzende kousen voor hem. Een vrouw met donkerblond haar rolt haar hardblauwe kunststof koffer naast zijn trolley tegen de pijler en gaat er met een halve bil op zitten. Ze snuift, draait een flesje water open, waaruit ze driftig slokjes neemt. Ze tilt haar arm op, beweegt haar gezicht even in de richting van haar oksel, kijkt naar Lucas, staat weer op en trekt terwijl ze zich omdraait met één hand haar opgekropen rokje naar beneden. Hij slaat zijn ogen neer, betrapt dat hij haar heeft betrapt. Het is alsof ze nog iets wil zeggen, maar zich bedenkt. Haar koffer rolt vanzelfsprekend aan haar hand mee. Ze beweegt prachtig, ziet hij.
In zijn binnenzak begint de telefoon te pingelingen. Weer dat nummer uit Maastricht.
‘Ja?’ Het klinkt barser dan bedoeld.
‘Lúc? Ben jij dat, Lúc?’
De vertrouwde mollige Vlaamse woordbuiging doet Lucas’ ogen opvlammen en hij wil een opmerking maken over een reddende engel, maar iets in de stem weerhoudt hem, ze klinkt niet zo kordaat als anders, eerder… smekend. ‘Patricia, wat verschaft mij… waar… waarvandaan bel jíj nou?’
Dan begint ze te ratelen. ‘Wel, ik was mijn telefoontje vergeten, dat is blijven liggen op het nachtkastje, maar van de zuster mocht ik met de telefoon van hier bellen, maar je was niet te…’ Ze stokt, dan hoort Lucas haar slikken en hijgend inademen. ‘Lúc? Lúhúc?’
‘Ja?’
‘Louis is dood?’ Het laatste woord spreekt ze haast een octaaf hoger uit, piepend. Nog voor Lucas’ brein heeft verwerkt wat ze zei, trekt zijn huid samen en begint te tintelen, terwijl uit zijn telefoon een scheurende snik klinkt. Patricia zegt niks meer, hij zegt niks, ze luisteren naar elkaars ademhaling. Dan weer zo’n snik.
‘Luc?’
Hij snuift alleen.
‘Kun je komen, Lúc? Waar ben je?’
Hij knikt, schudt dan zijn hoofd, de gedachten tuimelen door elkaar. Louis? Louis dood? Hoe? Wat? Annadal?
‘Ben je daar nog? Luc?’
Op dat moment klinkt er een mededeling uit de omroepinstallatie die veel harder lijkt te staan dan daarstraks. Meteen leeft het rumoer in de hal weer op. Lucas maakt een geërgerd gebaar, alsof hij de passagiers tot stilte wil manen, en drukt de hand tegen zijn vrije oor.
‘Waar ben je, Luc? Waar?’
‘Ik ben nog in… nog op het vliegveld… ik zit hier… Patricia? Hallo?’ Lucas kijkt op het schermpje en smijt zijn nieuwe aanwinst bijna door de hal als hij ziet dat de verbinding is weggevallen.

 

Copyright © 2015 Wil Boesten en Uitgeverij Augustus

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum