Leesfragment: Hans Faverey en de liefde

27 november 2015 , door Jan Oegema
| | | |

Onlangs verscheen het essay Hans Faverey en de liefde van Jan Oegema, bij ons een uitgebreid fragment. Ook de verzamelde gedichten van Faverey zijn nog verkrijgbaar [recensie]. 

'Anders dan Lucebert biedt Faverey nauwelijks mogelijkheden tot identificatie, hij reduceert de wereld tot taal en niets dan taal. Er is geen brokje werkelijkheid of Faverey onderwerpt het aan "selectieproeven" en leidt het met straffe hand langs "semantische dubbelfilters".'

De liefde: ze is er al in de eerste bundels van Hans Faverey Gedichten en Gedichten 2. Liefde komt er vaker in voor dan je op het eerste gezicht denkt, kunstig verstopt onder het woordoppervlak, alsof het haar tijd nog niet is. In latere bundels zal Faverey de liefde toelaten, benoemen en onderzoeken, allengs nieuwsgieriger en roekelozer, hoewel niet altijd even toeschietelijk, want ze kan vormen aannemen die deze vormbewuste dichter doen duizelen, eenvoudig omdat ze hem de controle ontnemen en hem een gebied binnentrekken waar hij het niet meer alleen voor het zeggen heeft. Liefde is een gevaar voor hem, en toch zal hij zich aan haar blootstellen, op een wijze die je als lezer met grote verwondering vervult.

Het verhaal over Hans Faverey en de liefde is nog nooit verteld, vermoedelijk om geen andere reden dan dat het zo ongewoon is. Misschien moet je als Favereylezer de gedachte toelaten dat iemand in de liefde nog altijd de eerste kan zijn, en dat na ruim vijfentwintig eeuwen geboekstaafde erotiek.

Hans Faverey en de liefde is bedoeld als eerste of hernieuwde kennismaking met een van de bijzondere dichters van de Nederlandstalige literatuur. Het is een beeldveranderend portret van een metafysicus en mysticus die langzaam op de grenzen van zijn virtuositeit stuit - en moet ontdekken hoezeer Hadewijch gelijk had toen ze eeuwen geleden schreef dat de handelwijze van Minne ongehoord is.

 

1 Ontregelaar wil ontregeld worden

Amsterdam, de tweede helft van de jaren zestig. De stad begint te gisten en te loeien, demonstranten ageren tegen Nasser en Johnson, provo’s verzamelen zich op het Spui, fotografen haasten zich naar de eerste sekssozen van de NVSH en niemand weet op dat moment nog dat buiten alle rumoer een kleine, ritselende revolutie in het dichten en denken over de liefde wordt voorbereid. Ook Hans Faverey kan amper bevroeden wat komende is, op een avond neemt hij plaats achter zijn typemachine en na enige probeersels verschijnt dit gedicht in de kegel van zijn bureaulamp:

De liefste

met een eiermasker op.
Als ik haar aan het lachen
maak, zegt ze,

‘breekt mijn huid.’ (36 / 44)

Een lief gedichtje. Een huiselijk tafereel, je ziet bij wijze van spreken het damesblad op de salontafel liggen, opengeslagen bij de rubriek dagelijkse verzorging. Je hoort ze praten, elkaar uitdagen, een man en een vrouw, de eerste heeft zojuist de tweede betrapt, zo kent hij zijn geliefde niet, ze is nog altijd onwaarschijnlijk mooi maar kennelijk toch bezorgd om haar voorkomen.
Het vertedert hem. De scène is komisch en dubbelzinnig: dit masker verbergt niet, het legt iets bloot, het maakt háár bloot. En dat maakt dat je haar wilt plagen.
Faverey heeft al eerder over liefde geschreven, op een wijze die een scherpe waarnemer verraadt. Dat is in 1962, wanneer hij voor de tweede keer binnen een half jaar een aantal gedichten in een tijdschrift publiceert. In een van die gedichten komt een regel voor die een leven lang mee kan als liefdesmantra: ‘Het verlies van één enkel vraagteken / maakt ons beiden dakloos.’ (225 / 233)
En misschien heeft Faverey nóg een keer over de liefde geschreven, meer verhuld ditmaal. Bovenstaand gedicht is het achtste van de bundel Gedichten, waarmee hij in 1968 debuteert. Liefde is in die bundel bepaald geen prominent thema, maar wie weet toch sluimerend aanwezig. Ik denk dat onder meer door het tweede gedicht van de bundel:

Geen metafoor

komt hier aan te pas.
De lucifer,

conform zijn opdracht,
communiceerde verbrandend. (30 / 38)

Dit gedicht doet me sterk denken aan een vroeg gedicht van Lucebert. Faverey is van meet af aan een ambitieuze dichter, hij kent zijn voorgangers, de Gorters en de Van Ostaijens, hij weet hoe het spel in de literatuur gespeeld wordt en zonder daarin luidruchtig zijn plek op te eisen, markeert hij met dit tweede gedicht zijn positie, soeverein, zelfverzekerd en opnieuw een beetje plagerig. Tenminste, dat is wat ik vermoed. Voor een dichter anno 1968 is lucifer geen neutraal woord, zeker niet in een programmatisch gedicht in een programmatisch bedoelde bundel. Lucebert is de onbetwiste voorman van de beweging der Vijftigers en zijn naam is ten dele bedoeld als een allusie op Lucifer. En deze Lucebert / Lucifer schreef in 1949 in zijn beroemde ‘lente-suite voor lilith’ – een lang liefdesgedicht voor en over de Joodse duivelin Lilith – deze strofe:

wie wil stralen die moet branden
blijven branden als hij liefde meent
om in licht haar duisternis op handen
te dragen voor de hele goegemeent1

De verschillen tussen de twee dichters zijn enorm. Hier staan twee opvattingen van poëzie diametraal tegenover elkaar: een romantisch-expressionistische tegenover een methodisch-intellectuele. Twee temperamenten ook: engagement en gemeenschapszin tegenover koele analyse en artistieke Alleingang. Anders dan Lucebert biedt Faverey nauwelijks mogelijkheden tot identificatie, hij reduceert de wereld tot taal en niets dan taal. Er is geen brokje werkelijkheid of Faverey onderwerpt het aan ‘selectieproeven’ en leidt het met straffe hand langs ‘semantische dubbelfilters’ (72 / 80). Met als gevolg dat de communicatie tussen poëziezender en poëzieontvanger een historisch dieptepunt bereikt en uiterst moeizaam lijkt te worden. Moeizaam, omdat in Favereys poëzielaboratorium de communicatie bloot staat aan permanent onderzoek, permanente destructie en deconstructie:

Communicatie is er nog wel,
maar een van die soort die in

zijn staart bijt en zijn staart-
angel recht door zijn kop slaat. (72 / 80)

Verschrikkelijke beelden! Communicatie vergeleken met een spreekwoordelijke slang én met een griezelig insect, een schorpioen bijvoorbeeld. Twee met gif te associëren diersoorten. En hier, blijkens de tekst, beide behept met een vorm van automutilatie die bij dieren op deze wijze niet voorkomt en voorbehouden is aan de menselijke soort.
Poëtische communicatie als zelfverwonding. Autotoxicatie. Kan iemand met dergelijke opvattingen over communicatie over liefde dichten? Over liefde die betovert, vervoert, stil maakt, nadenkend maakt?
Dat kan. Maar Faverey kon het niet hier, in zijn eerste bundels, Gedichten en Gedichten 2. Hij kon het niet en hij wilde het niet. Liefde komt erin voor, vaker dan je op het eerste gezicht denkt, maar listig en kunstig verstopt onder het woordoppervlak, alsof ze zich nog niet mag tonen, alsof het haar tijd nog niet is. In latere bundels zal Faverey de liefde toelaten, haar benoemen en onderzoeken, allengs nieuwsgieriger en roekelozer, hoewel niet altijd even toeschietelijk, want ze kan vormen aannemen die deze uiterst vormbewuste en gedisciplineerde dichter doen duizelen, eenvoudig omdat ze hem de controle ontnemen en hem een gebied binnentrekken waar hij het niet meer alleen voor het zeggen heeft. Liefde is een gevaar voor hem, en toch zal hij zich aan haar blootstellen, op een wijze die je als lezer met grote verwondering vervult. En je doet realiseren dat dit verhaal – het verhaal over Hans Faverey en de liefde – nog niet is verteld, ook al omdat hij er buiten zijn poëzie nooit iets over heeft gezegd. Niet in de vier interviews die hij toestond, niet in de spaarzame poëticale documenten die postuum publiek zijn gemaakt.
Daarin veel over dood, tijd, stilstand, leegte. Niets over liefde, op één min of meer poëzie-technische opmerking na.2
Maar gelukkig heeft Faverey het gevaar gezocht, altijd. Hij is altijd minder consequent en minder eenduidig geweest dan wij in ons enthousiasme hebben gezien. Ik doel met dat wij nu op ons, poëziekenners, over-poëzie-schrijvers. Wij zijn voornamelijk bezig geweest om Favereys systeem te begrijpen, met als vertrekpunt zijn eigen opmerkingen daarover in interviews en teruggevonden aantekeningen. Overdreven gezegd (maar niet eens zó overdreven): wij, fervente Faveristen, verliefde Faveristen, wij hebben hem tot nu toe alleen biografisch gelezen, inclusief de voorgeschreven weglating van biografische details. Favereys presentie was eenvoudig te sterk, zijn priemende blik zweefde ons steeds voor ogen… Wij hebben zijn poëzie primair gelezen op de manier waarop hij daar zelf publiekelijk over sprak, dus als permanente taalfilosofie-in-actie, dit in combinatie met een steeds herkenbaarder verwoorde obsessie met dood en tijd.
Intussen hebben we nauwelijks kunnen of willen zien hoe gefascineerd hij kan zijn door dat wat niet in zijn systeem past, hoe regelmatig hij de grenzen daarvan opzoekt. Er is beslist iets in hem dat wil ontsnappen aan zijn eigenhandig ontworpen labyrinthen – als was hij een koning die zijn paleis ontvlucht uit nieuwsgierigheid naar het land dat hij regeert. Faverey beheerst zijn systeem tot in de perfectie, als geen ander weet hij hoe hij het proces van betekenisgeving moet ontregelen – en tegelijk wil deze ontregelaar zélf ontregeld worden. Niet altijd van harte, geloof ik, eerder uit instinct, om dreigende verstikking te voorkomen.
En zo kan het gebeuren dat je ook in de eerste twee bundels op fenomenen stuit die niet stroken met Favereys leer. Zo duiken er op verschillende plekken metaforen op (vier maal, als ik het wel heb3) en verschijnen er als uit het niets regels waarin hij direct en expliciet ingaat op zijn persoonlijke situatie. In die regels schort hij voor even de professionele objectiviteit op en geeft hij informatie die beslist niet door een semantisch dubbelfilter is gegaan – hooguit door een monofilter. Opeens spreekt hier niet een dichter, maar precies deze dichter: een man met een geschiedenis, een adres, een paspoort. Dit zijn de regels waarop ik doel, uit Gedichten 2:

[…] Vreemdelingen zijn

welkom, tenzij zij zich

gedragen als vreemdelingen
die men niet kan plaatsen.
Soms, als de klok stil staat,

is het nergens thuis meer. (172 / 180)

Hans Faverey kwam uit Suriname, en dat zag je aan hem: hij had kroeshaar en een getinte huid. Interessant om te weten? Een onschuldig detail voor een flaptekst of een biografietje op internet? Nee, belangrijk om te weten; zeer belangrijk zelfs. Faverey verhuisde op vijfjarige leeftijd naar Amsterdam, en maakte daar van zijn zesde tot zijn elfde de oorlog mee. Met zo’n achtergrond weet je wat het betekent om vreemdeling te zijn – en zou ik deze informatie over Faverey nu moeten achterhouden, dan zou ik negeren wie hij was en hem het respect onthouden dat hij, als iedereen, om zijn identiteit verdient. Het zou bijna zijn alsof ik een medeplichtige word van de cultuur van etnische stigmatisatie die hij hier zonder omhaal aan de kaak stelt. Deze dichter mag zuinig zijn met mededelingen over zijn leven en liever zo anoniem mogelijk willen blijven, hier heb ik als essayist de voorname plicht te wijzen op een van de mogelijke motieven daarvoor. Als vreemdeling train je je in onzichtbaarheid, dat wordt een tweede natuur. Faverey was uitermate spaarzaam met het verstrekken van biografische informatie, en dat leek volmaakt overeen te stemmen met een literatuuropvatting waarbinnen alle aandacht komt te liggen bij tekst en taal.
Maar wil dat zeggen dat wij als lezers en literatuurkenners zijn gehouden Favereys werk volgens diezelfde autonomistische opvatting te lezen? Zijn we dan niet gewoonweg een beetje erg braaf, een beetje erg volgzaam? Volgzaam op een wijze waarvoor het fragment hierboven ons indringend waarschuwt?
Volgens mij zetten we op een griezelige manier de klok stil als we Favereys oeuvre en onszelf onderwerpen aan de theoretische discipline die zijn methode uitmaakte en zijn inspiratiebron vormde. Zeker, voor die discipline had Faverey zijn redenen, literaire redenen; als beschouwers dienen we die het volle pond te geven. Maar naar mijn indruk had hij naast inhoudelijke ook tactische redenen voor zijn terughoudendheid. En dan denk ik niet alleen aan zijn etnische afkomst. Ik denk ook dat hij ruimte nodig had, ruimte om te laten komen wat in hem lag te wachten. De ontwikkeling van zijn dichterschap vroeg om stilte, om relatieve afzondering, om een tot aan het einde volgehouden, door niets gehinderde monomanie. Daarbij was het reuze handig een theoretisch harnas te hebben dat hem hielp de benodigde stilte af te dwingen.
En dat heeft geholpen. Er lág namelijk iets klaar wat geboren moest worden, al wist Faverey zelf nog niet precies wat. Faverey zou zich ontpoppen tot een markant liefdesdichter, een substantieel deel van de gedichten van zijn latere bundels gáát over de liefde, niet als enige en exclusieve onderwerp, bepaald niet, maar wel als een van de opvallende daarin. In die latere bundels komen langzaam twee lijnen samen die tot dan toe gescheiden waren gebleven: Favereys fascinatie voor leegte en zijn intellectuele gevoeligheid voor het fenomeen liefde. Waar die twee lijnen samenvallen óf el kaar doorsnijden, zal Faverey op formuleringen en beelden stuiten die in hun originaliteit niet onderdoen voor die van Beatrijs van Nazareth en Hadewijch, Gerard Reve en Lucebert. Hans Faverey is een van onze grote, zeer grote liefdesdichters, en daarmee vertel ik weinig nieuws. Er is meer dan eens over Faverey en de liefde geschreven,4 met geestdrift en ontroering, hoewel het gek genoeg bij een aantal bekende gedichten niet is gedaan, terwijl je de liefde (of de verliefdheid) daarin nauwelijks kunt wegdenken.
Hoe dat kan? Ach, hoe dat kan. Laat ik eerlijk bekennen dat ook ik lange tijd niet heb gezien wat hier gaande was. Een dichter zó oorspronkelijk in zijn denken en voelen als Faverey heeft tijd nodig. Veel tijd, kennelijk.

 

1 Lucebert 2002, 45.

2 Geciteerd in hoofdstuk 10, blz. 200.

3 En wel in Gedichten 2, op de bladzijden 154 / 162, 159 / 167, 160 / 168 en 177 / 185 (de reeks ‘Ongebundeld’ heb ik niet meegeteld, die is van eerder datum). Verder bevatten nogal wat gedichten metafoor-achtige wendingen, met natuurlijk in de eerste plaats het tweede gedicht uit Gedichten (‘Geen metafoor // komt hier aan te pas.’). Want hoe vindt volgens dit gedicht communicatie in (Favereys) poëzie plaats? Door als een lucifer iets teweeg te brengen met de energie waarmee het zichzelf vernietigt. (Ik citeer Mulder 1997, 33.) Het gedicht berust dus op een onuitgeschreven metafoor, terwijl het altijd is begrepen als een compromisloos statement tégen metaforisch taalgebuik. Uit geen enkel commentaar tot dusver blijkt dat wij als Favereywatchers de ironie van het geval hebben opgemerkt.

4 Zie Schrijvers 1993, Groenewegen 2002, 288-290, Van Dijk 2006, 353-356, Gerbrandy 2010, Swart 2011.

 

© 2015 Jan Oegema, Amsterdam & Uitgeverij Vantilt, Nijmegen

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum