Leesfragment: Het bestand

27 november 2015 , door Arnon Grunberg
| |

Vandaag verschijnt dan eindelijk Het bestand van Arnon Grunberg, de roman waarover vooraf niets werd gepubliceerd. Het boek was namelijk onderzoeksmateriaal in het GrunbergLab, waar het Nederlands Herseninstituut en TNO onderzoek deden naar hersenactiviteit van lezers van Het bestand. Bij Athenaeum.nl leest u nu het eerste hoofdstuk. Zo begint het: 'Kauwen is mediteren. Al ruim twaalf uur heeft Lillian, een jonge vrouw met vijf tatoeages, waarvan vier discreet, niet gemediteerd.'

'In die betere wereld was je niet gedetermineerd, ook niet geslachtelijk, desgewenst kon je jezelf iedere dag opnieuw vormgeven en er verschillende, zelfs tegenstrijdige identiteiten op nahouden. Het gevaar bestond dat je sporen naliet, maar als je een beetje bedreven was kon je de sporenzoekers misleiden of het achterlaten van sporen voorkomen. Voor wie wilde was het verleden een illusie.'

Bestaat er een mooiere, volmaaktere werkelijkheid dan de fysieke werkelijkheid zoals wij die kennen? Voor Lillian, een 'oosterse prinses in een betrekkelijk doorsnee meisjeslichaam', is daar geen twijfel over mogelijk: het ware leven is online - daarbuiten bestaat slechts sociaal wenselijk gedrag.
De vernieuwing ofwel wedergeboorte van de mens zal in die betere werkelijkheid worden bewerkstelligd, maar eerst moet de oude mens verdwijnen. 
Onder het toeziend oog van haar mentor Banri Watanuki komt Lillian als receptioniste bij het cybersecuritybedrijf BClever stapje voor stapje dichter bij haar ideaal: leven zonder lichaam, niets meer zijn dan pure intelligentie; het dierenrijk verlaten.

Rules of the internet: #30
There are no girls on the internet

Kauwen is mediteren. Al ruim twaalf uur heeft Lillian, een jonge vrouw met vijf tatoeages, waarvan vier discreet, niet gemediteerd. Nu ze in de auto zit op weg naar het sollicitatiegesprek stopt ze de ene winegum na de andere in haar mond. Hoewel het lente is heeft een man op de radio het over een herfststorm. In haar straat was inderdaad een boom omgevallen, de brandweer had moeten uitrukken. Een Audi was verpletterd maar er zat niemand in. De boom was voor niets geveld. Lillian kan het nog niet opbrengen om alle mensen een lang leven, gezondheid en geluk toe te wensen. Nu en dan hoopt ze dat iemand verpletterd wordt, wat niet wil zeggen dat ze geen schaamte kent over dergelijke gedachten. De mens is werk in uitvoering. Lillian beseft hoeveel werk er nog te doen valt. Haar ouders hebben vaak gezegd: ‘Zo zijn wij mensen nu eenmaal, het is onze natuur.’ Als dat realisme is, dan kun je je net zo goed meteen van een hoog gebouw storten. Wat Lillian ook heeft overwogen, ze was op een hoog gebouw gaan staan, maar na een paar minuten dacht ze: nee, toch maar niet. Het waaide hard. En ze zag zichzelf daar al beneden liggen. De rotzooi, het vlees dat van het trottoir zou moeten worden geschraapt, een kind dat haar per ongeluk zou zien vallen en dat maandenlang, misschien wel voor altijd, getraumatiseerd zou zijn. Dit was niet de methode.
Vannacht had ze over Zlatan Ibrahimoviæ gedroomd. Hij sprak haar aan in een ruimte die vaag op een buurthuis leek. Ze had zich niet afgevraagd wat Zlatan Ibrahimoviæ in een buurthuis deed, mensen hebben recht op geheimen. ‘Kun je met me meegaan?’ had Zlatan gevraagd, waarna ze samen de trap op liepen. Daar eindigde de droom, die ze kort na het wakker worden met behulp van wat steekwoorden in haar dromenboekje noteerde.
De naam Zlatan beviel haar, daarom had ze een jaar geleden zijn boek besteld. Een paar maanden had ze veel met Zlatan gesproken, maar die gesprekken liggen achter haar.
Een kennis van Lillian – de kennis was ooit Lillians vriendin en werd toen geleidelijk aan meer een vriendin van de ouders van Lillian – die al een paar keer had gezegd dat het tijd werd dat ze ophield met die onzin en ging doen wat andere mensen ook deden, was bereid Lillian met de auto naar het kantorencomplex te brengen waar het sollicitatiegesprek zou plaatsvinden. Lillian heeft geen auto, wel een racefiets die ze nauwelijks gebruikt. Lang heeft ze geloofd dat ze een oosterse prinses was, oosterse prinsessen zitten niet op een racefiets. Helemaal losgelaten heeft ze dat geloof niet. Je laat een geloof ook niet los, hooguit laat het jou los, vaker moet je het uit je lichaam trekken als een teek. Mongolië, de steppen, daar zou ze heen willen. Met de Transmongolië Express zou ze willen reizen. Het woord ‘samowaar’ maakt ongeveer net zoveel verlangen in haar los als de foto van een verdwenen geliefde. Hoe groter het verlangen, hoe heviger de pijn. Mongolië is haar beloofde land, hoewel haar rossige haar vermoedelijk met Ierse voorouders te maken heeft en ze nog nooit ten oosten van Berlijn is geweest.
Verwoed kauwend beseft ze dat de kans groot is dat ze eindelijk productief gaat worden, misschien net zo productief als Zlatan. Ze is klaar om in loondienst te gaan. Dat moet ze ook zeggen tijdens het sollicitatiegesprek: ‘Neem mij in dienst.’ Of: ‘Ik ben zover. Ik ben gereed.’
‘Je smakt,’ zegt de kennis. ‘Lillian, je bent aan het smakken.’
Twee weken geleden heeft Lillian haar vader begraven. Een slopende ziekte, het was razendsnel gegaan. Een collega van hem had gesproken en Lillian had een gedicht voorgedragen en enkele herinneringen opgehaald. Eerst een herinnering aan een fietstocht, toen een herinnering aan de school waar haar vader had lesgegeven en tot slot een herinnering aan een moment van gedeelde intimiteit voor een tent ergens in Frankrijk gedurende een tropische nacht, waarin haar vader zoals gewoonlijk anderhalve fles rode wijn had gedronken en langdurig had gefilosofeerd over zijn in de knop gebroken wetenschappelijke carrière. Haar moeder wilde niets zeggen. De mensen vonden dat Lillian mooi had gesproken. Ze had hem goed getroffen, zeiden ze, al zei een enkeling dat ze bepaalde details ook wel achterwege had kunnen laten. Een oud-leerling had een lied gezongen.
Lillians vader was een bevlogen biologieleraar geweest die elk jaar nieuwe proefwerken maakte, terwijl collega’s de proefwerken van verleden jaar en het jaar daarvoor gewoon kopieerden. Na afloop hadden ze in besloten kring – de overblijfselen van het gezin, enkele familieleden, drie goede vrienden en twee oud-leerlingen – pannenkoeken gegeten. In het pannenkoekenhuis had ze besloten dat ze de naam van de vader ergens op haar lichaam zou laten tatoeëren, maar ze wist nog niet waar. Misschien op haar billen, daar was nog plaats. Ze had eens een wees ontmoet die de namen van haar ouders op haar billen had laten tatoeëren; links de vader, rechts de moeder. Toen ze vroeg: ‘Waarom?’, had de wees geantwoord: ‘Ik heb ze nooit gemogen en zij mij ook niet.’

De regen is opgehouden, maar het stormt nog steeds. Lillian kijkt naar de wolken: Nederlandse luchten, de steppe komt maar niet dichterbij. Ooit heeft ze drie weken in Brussel gewoond – ze was erheen gegaan om een workshop bij te wonen van een groepje beroemde anarchisten over consensus en hoe je tot consensus kon komen, maar na een paar dagen had ze genoeg van de workshop en toen heeft ze haar eerste tatoeage laten zetten. Op haar linkerpols. Eerst wilde ze daar in kleine letters het woord ‘geluk’ laten zetten om zichzelf eraan te herinneren dat ze gelukkig moest zijn – ze kon nogal vergeetachtig zijn en ze weet het daaraan dat ze betrekkelijk zelden gelukkig was, ze vergat het gewoon – maar toen bedacht ze dat dat woord een averechtse uitwerking op haar zou kunnen hebben en ze besloot er ‘pijn’ van te maken, om zichzelf eraan te herinneren dat de pijn overal op de loer ligt. Als een rat ligt de pijn op je te wachten, klaar om toe te happen, altijd gereed om stukjes vlees uit je lichaam te bijten. Je moet de rat ontwijken, maar soms zit er niets anders op, dan moet je met hem vechten. En zij heeft met de rat gevochten. Hij heeft gebeten, zij heeft teruggebeten, ze hebben elkaar verscheurd. Toen ze eenmaal in de tatoeageshop zat werd het niet het woordje ‘pijn’ maar een Chinees teken waarvan ze de betekenis is vergeten; ze was aangeschoten. De tatoeëerder had een bedwelmende stem. ‘Het woord “pijn” hoort niet op jouw lichaam thuis,’ zei hij en hij adviseerde haar het Chinese teken. Hij heeft ook voor haar gezongen terwijl hij met de naalden bezig was.
Nog drie winegums, dan is de zak leeg. Ze heeft weer eens ontbeten met winegums, die droom over Zlatan vroeg erom. Als je ’s nachts Zlatan in een buurthuis ontmoet ga je ’s ochtends geen fruit snijden om door je yoghurt te mengen.
Haar beste vrienden zijn virtuele vrienden, maar de vrouw die naast haar zit kent ze nog van de lagere school. Ze zijn kennissen gebleven in die onvolmaakte, teleurstellende en doorgaans behoorlijk lelijke wereld die door sommige mensen ‘werkelijkheid’ wordt genoemd.

Terwijl ze in een pannenkoek met appel en spek aan het snijden was had een tante gevraagd: ‘En, Lillian, weet je wat je nu gaat doen?’ Alsof ze al die jaren alleen maar iemand was geweest die dat niet wist. Ze had talloze chatrooms bevolkt als oosterse prinses, luisterend naar de naam Princess Saba, of PSaba en soms gewoon PS, voor intimi. Ook opereerde ze onder de naam P, want als je naam maar uit één letter bestond konden ze je niet googelen, en dat waren nog maar enkele van de aliassen die ze had gebruikt om haar bestaan mee vorm te geven. Een oosterse prinses op het internet was een zeldzaamheid. In die betere wereld was je niet gedetermineerd, ook niet geslachtelijk, desgewenst kon je jezelf iedere dag opnieuw vormgeven en er verschillende, zelfs tegenstrijdige identiteiten op nahouden. Het gevaar bestond dat je sporen naliet, maar als je een beetje bedreven was kon je de sporenzoekers misleiden of het achterlaten van sporen voorkomen. Voor wie wilde was het verleden een illusie.
Als kind had Lillian een tijd gedacht dat ze een jongen was, tot ze het licht zag en begreep dat ze een oosterse prinses was in een betrekkelijk doorsnee en belachelijk wit meisjeslichaam. Het gebeurde op haar dertiende, om precies te zijn op 19 juni 2003 op het Centraal Station in Den Haag. Meer wil ze er niet over kwijt. Hooguit dat ze echt het licht zag, dat ze duizelig was geworden en dat iemand had gevraagd: ‘Gaat het, meisje? Wil je even zitten?’
De oosterse prinses zit het liefst achter haar laptop.
Dit zijn de vijf studies die Lillian is begonnen: technische informatica, communicatiewetenschappen, diergeneeskunde, psychologie en lucht- en ruimtevaarttechniek. Ergens tussen communicatiewetenschappen en diergeneeskunde in begon ze voornamelijk online te leven, en lucht- en ruimtevaarttechniek was ze alleen gaan studeren omdat ze de eerste oosterse prinses wilde zijn die de ruimte in ging, maar na een paar weken studeren had ze ingezien dat dat niet de juiste studie was om die ambitie te verwezenlijken.

In het pannenkoekenhuis was een nerveuze stilte gevallen. Kennelijk vroegen meer aanwezigen zich af wat Lillian nu ging doen, kennelijk was dat de meest urgente vraag na de begrafenis van haar vader. Ze keek naar het Chinese teken op haar pols. De mensen verwarden haar; hun vragen, hun blikken, hun stiltes, hun lichamelijkheid. Vooral dat laatste. Konden er geen mensen worden uitgevonden zonder lichaam? Dat was voor iedereen het beste. Als je de totale wereldbevolking nam, welk percentage liep dan met een lichaam rond dat voldeed aan algemeen geaccepteerde maatstaven? En zelfs als de mensen enige tevredenheid over hun lichaam konden opbrengen en naar eer en geweten konden beweren: ‘het exemplaar dat mij is toegewezen voldoet eigenlijk prima,’ hoelang duurde die periode? Voor je goed en wel tevreden kon zijn begon het verval. De geschiedenis van de mens kon in één zin worden samengevat: een ontsnappingspoging aan het eigen lichaam. Werd het niet tijd de enige juiste conclusie te trekken en mensen te creëren aan wie geen lichaam meer vastzat? Wie de mens als ideaal serieus nam moest wel nee zeggen tegen het vlees.
Iedereen bleef maar naar haar kijken behalve haar moeder, die bestudeerde haar pannenkoek zoals een archeologe een stukje vaas bestudeert dat ze net heeft opgegraven. Ze waren de enige gasten in het pannenkoekenhuis. ‘Ik ga werken,’ had Lillian uiteindelijk gezegd, ‘ik heb een sollicitatiebrief geschreven.’ Ze had een opdracht gekregen, eindelijk wist ze wat haar taak was. Ze was een vrouw met een missie.
Uit sommige monden had opgelucht gesteun geklonken, alsof enkele van haar familieleden en vrienden van haar vader door deze mededeling een klein orgasme beleefden, en een oom had gezegd: ‘Jammer dat hij dit niet meer mag meemaken.’ Daarna was iedereen weer verdergegaan met zijn pannenkoek. In een hoek van het restaurant had ze de rat zien zitten, maar ze had hem behendig genegeerd.

 

© 2015 Arnon Grunberg 

Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum