Leesfragment: Het boek van wonderlijke nieuwe dingen

27 november 2015 , door Michel Faber
| |

Op 22 januari verschijnt Michel Fabers Het boek van wonderlijke nieuwe dingen (uit het Engels vertaald door Harm Damsma en Niek Miedema). Wij publiceren voor.
'De lichtjes van de richtingaanwijzer knipperden zacht en deden van tik, tik, tik toen hij de afslag naar het vliegveld op reed. Het woord "vrijen" zoemde rond in zijn hersenpan, in een poging dieper door te dringen, ook al was er binnenin geen ruimte. Bijna zei hij: "Grapje zeker?" Maar hoewel ze een prettig gevoel voor humor had en graag lachte, maakte ze nooit grapjes over dingen die ertoe deden.'

Deze virtuoze, grensverleggende roman gaat over datgene wat mensen verbindt, zelfs als ze lichtjaren van elkaar gescheiden zijn.

N.B. Zie ook onze bespreking van de roman.

I

Veertig minuten later zat hij in de lucht

‘Ik wilde iets zeggen,’ zei hij.
‘Vertel maar,’ zei zij.
Hij zweeg en hield zijn blik op de weg gericht. In het donker van de buitenwijken van de stad was niet meer te zien dan de achterlichten van andere auto’s in de verte, het zich eindeloos uitstrekkende asfalt en de reusachtige, functionele verlichtingsconstructies van de snelweg.
‘Het zal God wel tegenvallen dat het zelfs maar bij me is opgekomen,’ zei hij.
‘Och,’ zuchtte zij, ‘Hij weet het toch al, dus je kunt het mij net zo goed vertellen.’
Hij wierp een snelle blik op haar gezicht om te peilen in wat voor stemming ze dit laatste gezegd had, maar over de bovenste helft van haar hoofd, inclusief haar ogen, viel de schaduw van de rand van de voorruit. Op de onderste helft van haar gezicht glansde helder maanlicht. Bij de aanblik van haar wang, lippen en kin, waarmee hij zo diep vertrouwd was en die zozeer deel uitmaakten van het leven zoals hij het gekend had, schoot er een vlaag van verdriet door hem heen bij de gedachte dat hij haar kwijt zou raken.
‘De wereld ziet er leuker uit met al die lichtjes van menselijke makelij,’ zei hij.
Ze reden zwijgend verder. Ze konden geen van beiden tegen het gebabbel op de radio of het opdringerige geluid van ingeblikte muziek. Het was een van de vele dingen waardoor ze zo goed bij elkaar pasten.
‘Was dat het?’ vroeg ze.
‘Ja,’ zei hij. ‘Wat ik bedoel is… Ongerepte natuur wordt beschouwd als de ultieme perfectie, en alles wat de mens heeft gemaakt verpest het zogenaamd alleen maar, en zorgt er alleen maar voor dat het een bende wordt. Maar wij zouden niet half zoveel genieten van de wereld als we… als de mensheid… dat wil zeggen, de mensen…’
(Ze liet een geluidje horen dat zoveel betekende als kom nou maar ter zake.)
‘…als wij niet overal elektrische verlichting hadden aangelegd. Elektrische verlichting is gewoon heel mooi. Daardoor wordt een autorit bij donker zoals nu draaglijk. Prachtig zelfs. Stel je voor dat we dit hele stuk in het pikkedonker hadden moeten rijden. Want zo ligt de wereld er ’s nachts bij: in het pikkedonker. Stel je dat eens voor. Je zou in de stress zitten omdat je geen flauw idee had waar je heen ging, omdat je niet meer dan een paar meter voor je uit kon kijken. En als je naar een grote stad onderweg was – nou ja, in een niet-technologische wereld zouden er helemaal geen steden bestaan natuurlijk – maar als je naar een plaats ging waar andere mensen woonden, volgens een natuurlijke leefwijze, met hooguit een paar kampvuurtjes misschien… dan zou je ze pas zien wanneer je er vlakbij was. Je zou niet dat betoverende uitzicht hebben wanneer je nog een paar kilometer van een stad verwijderd bent en alle lichtjes in de verte twinkelen als sterren op een heuvelflank.’
‘Hm.’
‘En zelfs in deze auto, aangenomen dat er in de natuurlijke wereld überhaupt auto’s waren, of iets van voertuigen, door paarden getrokken of zo… dan zou het stikdonker zijn. En ook steenkoud, op winteravonden. En kijk nu dan eens.’ Hij nam een hand van het stuur (hij reed altijd met zijn beide handen symmetrisch op het stuur) en wees naar het dashboard. Daar glansden de gebruikelijke lampjes hun tegemoet. Temperatuur. Tijd. Waterpeil. Oliepeil. Snelheid. Benzineverbruik.
‘Peter…’
‘O, kijk eens!’ Een paar honderd meter voor hen stond een kleine, te zwaar bepakte gestalte stoïcijns in een poel snelweglicht.
‘Een lifter. Stoppen maar?’
‘Nee, niet doen.’
Vanwege haar stellige toon probeerde hij haar niet op andere gedachten te brengen, ook al lieten ze de gelegenheid om een vreemde te helpen doorgaans zelden onbenut.
De lifter keek hoopvol op. Toen hij in het licht van de koplampen werd gevangen, werd zijn lichaam even – een ogenblik maar – van een vage menselijke gestalte getransformeerd tot een herkenbaar individu. Hij had een stuk karton bij zich waarop heatrow stond.
‘Wat raar,’ zei Peter toen ze langszoefden. ‘Hij kan toch gewoon de metro nemen?’
‘Zijn laatste dag in Engeland,’ zei Beatrice. ‘De laatste kans om de bloemetjes buiten te zetten. Hij heeft waarschijnlijk al zijn Engelse geld opgemaakt in een kroeg, met het idee dat hij nog genoeg zou overhouden voor de trein. Zes biertjes later staat hij in de frisse buitenlucht nuchter te worden met alleen nog zijn vliegticket en £1,70 op zak.’
Het klonk aannemelijk. Maar als het waar was, waarom zouden ze dat verloren schaap dan laten stikken? Het was niks voor Bea om iemand aan zijn lot over te laten.
Hij draaide zich weer naar haar verduisterde gezicht en zag tot zijn schrik tranen blinken op haar wangen en in haar mondhoeken.
‘Peter…’ zei ze.
Opnieuw nam hij een hand van het stuur, dit keer om haar een kneepje in de schouder te geven. Verderop hing boven de snelweg een bord met het icoon van een vliegtuig erop.
‘Peter, dit is onze laatste kans.’
‘Laatste kans?’
‘Om te vrijen.’
De lichtjes van de richtingaanwijzer knipperden zacht en deden van tik, tik, tik toen hij de afslag naar het vliegveld op reed. Het woord ‘vrijen’ zoemde rond in zijn hersenpan, in een poging dieper door te dringen, ook al was er binnenin geen ruimte. Bijna zei hij: ‘Grapje zeker?’ Maar hoewel ze een prettig gevoel voor humor had en graag lachte, maakte ze nooit grapjes over dingen die ertoe deden.
Terwijl ze verder reden nam het unheimische gevoel dat ze niet op dezelfde golflengte zaten – dat ze op dit cruciale moment verschillende behoeftes hadden – bezit van de auto. Hij had gedacht – het gevoel gehad – dat hun echte afscheid gisterochtend was geweest en dat dit ritje naar het vliegveld niet meer was dan… een toegift bijna. Gisterochtend had alles perfect geklopt. Ze hadden eindelijk hun hele doe-lijstje afgehandeld. Zijn tas was al gepakt. Bea had een dag vrij van haar werk, ze hadden geslapen als ossen en waren wakker geworden bij stralend zonlicht dat hun dekbed verwarmde. Poes Joshua had in een komische houding op het voeteneind gelegen, ze hadden hem er voorzichtig af geduwd en vervolgens gevreeën, zonder iets te zeggen, langzaam en met een enorme tederheid. Na afloop was Joshua weer op het bed gesprongen en had voorzichtig een voorpoot op Peters blote scheenbeen gelegd, alsof hij wilde zeggen: Niet weggaan, ik zorg dat je hier blijft. Het was een hartverscheurend moment geweest, dat treffender uitdrukking gaf aan de situatie dan woorden zouden hebben gekund, of misschien was het gewoon dat de curieuze koddigheid van de kat een beschermend bontlaagje over de schrijnende menselijke pijn legde, waardoor die draaglijk werd. Hoe dan ook. Het was perfect geweest. Ze hadden in elkaars armen verstrengeld liggen luisteren naar Joshua’s hese spingeluiden, terwijl hun zweet verdampte in de zon en hun hartslag geleidelijk weer normaal werd.
‘Nog één keertje,’ zei ze nu, boven het geluid van de motor uit op een donkere snelweg onderweg naar het vliegtuig dat hem mee zou voeren naar Amerika en verder.
Hij raadpleegde de digitale klok op het dashboard. Over twee uur moest hij bij de incheckbalie zijn en ze zaten nu zo’n vijftien tot twintig minuten van het vliegveld.
‘Je bent geweldig,’ zei hij. Als hij de woorden precies op de goede manier zei, zou ze misschien snappen dat ze niet moesten proberen gisteren nog te overtreffen en dat ze het daar gewoon bij moesten laten.
‘Ik wil niet geweldig zijn,’ gaf ze terug. ‘Ik wil jou in me voelen.’ Hij reed een paar tellen zwijgend door, zich snel aanpassend aan de omstandigheden. Het vermogen zich snel aan te passen aan veranderde omstandigheden was nog iets wat ze gemeen hadden.
‘In de buurt van het vliegveld heb je een heleboel van die gruwelijke ketenhotels,’ zei hij. ‘We zouden daar voor een uurtje een kamer kunnen huren.’ Hij had meteen spijt van het woord ‘gruwelijk’. Dat klonk alsof hij haar van het idee af wilde brengen terwijl hij net deed of dat niet zo was. Hij had alleen maar willen zeggen dat zij dit soort hotels als het even kon altijd meden.
‘Zoek gewoon een stil plekje,’ zei ze. ‘We kunnen het in de auto doen.’
‘Jeetje, crisis!’ zei hij, waarop ze allebei in lachen uitbarstten. ‘Jeetje, crisis’ was wat hij, toen hij christen was geworden, zichzelf had aangeleerd te roepen in plaats van ‘Jezus Christus’. De woorden hadden genoeg klankverwantschap om hem in staat te stellen een vloek nog tijdig om te buigen wanneer die zijn mond al half verlaten had.
‘Ik meen het,’ zei ze. ‘Overal is goed. Zet de auto alleen niet ergens neer waar iemand ons van achteren kan aanrijden.’
De snelweg kwam hem, terwijl ze doorreden, nu anders voor. In theorie was het nog steeds dezelfde brede asfaltweg, met links en rechts dezelfde verkeersparafernalia en fragiele metalen vangrails, maar door hun eigen opzet was hij veranderd. Hij vormde niet langer een rechte lijn naar een vliegveld, maar was een geheimzinnig achterland geworden vol duistere omwegen en schuilplekken. Ofwel het zoveelste bewijs dat de werkelijkheid geen objectief gegeven is, maar telkens weer door je eigen kijk moet worden gevormd en gedefinieerd.
Natuurlijk had ieder mens op aarde het vermogen om de werkelijkheid opnieuw vorm te geven. Dat was een van de dingen waar Peter en Beatrice het samen vaak over hadden. De uitdaging om mensen te laten inzien dat het leven alleen maar zo hard en vol beperkingen was als je zelf verkoos te zien. De uitdaging om mensen te laten inzien dat de onwrikbare feiten van het bestaan uiteindelijk helemaal niet zo onwrikbaar waren. De uitdaging om een eenvoudiger woord voor ‘onwrikbaar’ te vinden dan ‘onwrikbaar’.
‘Wat dacht je van hier?’
Beatrice gaf geen antwoord, maar legde alleen maar een hand op zijn bovenbeen. Hij stuurde de auto soepeltjes een parkeerhaven voor vrachtwagens op. Ze moesten er maar op vertrouwen dat geplet worden door een truck van veertig ton niet was opgenomen in de goddelijke voorzienigheid.
‘Ik heb dit nog nooit eerder gedaan,’ zei hij nadat hij de motor had uitgezet.
‘Dacht je ik wel dan?’ zei ze. ‘We redden ons wel. Laten we sowieso de achterbank nemen.’
Ze zwaaiden hun respectieve portieren open en waren luttele seconden later herenigd op de achterbank. Ze gingen als passagiers zitten, schouder tegen schouder. De bekleding rook naar andere mensen: vrienden, buren, kerkgenoten, lifters. Het bracht Peter alleen maar meer aan het twijfelen of hij hier nu wel echt de liefde kon of moest bedrijven. Alhoewel... het had ook iets spannends. Ze strekten hun armen naar elkaar uit, met als doel een soepele omhelzing, maar hun handen tastten in het donker onhandig rond.
‘Hoe snel zou het binnenlampje de accu uitputten?’ vroeg ze.
‘Geen idee,’ zei hij. ‘Dat kunnen we beter niet riskeren. Het zou dan bovendien een openbare voorstelling worden voor al het langsrijdende verkeer.’
‘Dat betwijfel ik,’ zei ze, terwijl ze haar gezicht naar de langsflitsende koplampen keerde. ‘Ik heb ooit een artikel gelezen over een meisje dat werd ontvoerd. Ze slaagde erin uit de auto te springen toen die snelheid minderde op de grote weg. De ontvoerder greep haar, ze verzette zich hevig en schreeuwde om hulp. Er kwam een hele stroom auto’s langs. Niemand stopte. Later werd een van die automobilisten geïnterviewd en hij zei: “Ik reed zo snel dat ik mijn ogen gewoon niet geloofde.”’
Hij schoof ongemakkelijk heen en weer. ‘Wat een afschuwelijk verhaal. En misschien is dit ook niet zo’n gelukkig moment om het te vertellen.’
‘Weet ik, weet ik, het spijt me. Ik ben een tikkeltje… ontoerekeningsvatbaar op het moment.’ Ze lachte nerveus. ‘Het is gewoon heel moeilijk… dat ik jou straks kwijt ben.’
‘Je bent me niet kwijt. Ik ga alleen maar een poosje weg. Ik kom…’
‘Peter, alsjeblieft. Niet nu. Dat hebben we allemaal al doorgenomen. We hebben het zo goed doorgenomen als we konden.’
Ze leunde naar voren en hij dacht dat ze zou gaan huilen. Maar ze viste iets uit de ruimte tussen de twee stoelen voorin. Een kleine zaklantaarn. Ze knipte hem aan en legde hem voorzichtig op de hoofdsteun van de passagiersstoel. Hij viel eraf. Toen klemde ze hem in de spleet tussen de stoel en het portier, zo gericht dat de lichtbundel op de vloer van de auto scheen.
‘Lekker stemmig,’ zei ze. Ze had haar stem weer onder controle. ‘Precies genoeg licht om elkaar een beetje te kunnen zien.’
‘Ik weet niet of ik dit wel kan,’ zei hij.
‘We proberen het gewoon,’ zei ze, en ze begon haar blouse open te knopen, waardoor haar witte beha en de welving van haar boezem zichtbaar werden. Ze liet de blouse langs haar armen omlaag glijden, en schudde met haar schouders en ellebogen om de zijden stof van haar polsen af te krijgen. Ze haakte haar sterke duimen achter haar rok, slipje en panty en trok die allemaal in één keer uit, in een vloeiende beweging die er makkelijk en elegant uitzag.
‘En nou jij.’
Hij gespte zijn broek los en zij hielp hem die uit te trekken. Toen ging ze op haar rug liggen en wrong haar armen in allerlei bochten om haar beha af te doen, terwijl hij een andere houding probeerde te vinden zonder haar met zijn knieën te pletten. Hij stootte zijn hoofd tegen het dak.
‘We lijken wel een stel onhandige tieners,’ mopperde hij. ‘Dit is…’
Ze legde haar hand over zijn gezicht om hem de mond te snoeren.
‘Wij zijn jij en ik,’ zei ze. ‘Jij en ik. Man en vrouw. Alles is oké.’ Ze was nu naakt, op het horloge om haar slanke pols en de parelketting om haar hals na. Bij het licht van de zaklantaarn was de halsketting niet langer een stijlvol cadeau voor hun zoveelste huwelijksdag, maar een primitieve erotische versiering. De kracht van haar hartslag deed haar borsten trillen.
‘Vooruit,’ zei ze. ‘Doe het.’
En dus begonnen ze. Ze lagen zo stijf tegen elkaar aan gedrukt dat ze elkaar niet meer konden zien, zodat de zaklamp geen enkele zin meer had. Hun monden klonken zich aaneen, hun ogen waren stijf dicht geklemd, hun lichamen hadden elk willekeurig lichaam kunnen zijn sinds de wereld was geschapen.
‘Harder,’ hijgde Beatrice na een tijdje. Haar stem had een scherpe ondertoon, een ruige gretigheid die hij nooit eerder bij haar gehoord had. Hun liefdesspel was altijd hoffelijk geweest, vriendelijk, voorbeeldig attent. Soms was het sereen, soms energiek, soms zelfs gymnastisch, maar nooit wanhopig. ‘Harder!’
Hij had te weinig ruimte en lag er ongemakkelijk bij, want zijn tenen stootten tegen het raampje en zijn knieën schuurden over de harige bekleding van de achterbank. Hij deed zijn best, maar hun ritme en houding klopten niet, en hij vergiste zich in hoe lang zij nog nodig had en hoe lang hij het nog kon volhouden.
‘Niet ophouden! Ga door! Ga door!’
Maar het was voorbij.
‘Het is oké,’ zei ze uiteindelijk en wurmde zich, plakkerig van het zweet, onder hem vandaan. ‘Het is oké.’

[...]

 

 

© 2014 Michel Faber
© 2015 Nederlandse vertaling Harm Damsma, Niek Miedema en Uitgeverij Podium
Auteursportret © Eva Youren

Uitgeverij Podium

MINDBOOKSATH : athenaeum