Leesfragment: Het gat in de tijd

25 oktober 2015 , door Jeanette Winterson
|

27 oktober verschijnt Het gat in de tijd van Jeanette Winterson (The Gap of Time, vertaald door Lidwien Biekmann). Wij publiceren voor. 'Ik loop naar het luik, mijn lichaam beweegt in slowmotion. Het kind slaapt en zuigt op zijn duim. Er is nog niemand gekomen. Waarom is er nog niemand gekomen? Zonder het me te realiseren realiseer ik me dat ik de bandenlichter in mijn hand heb. Zonder te bewegen kom ik in beweging om het luik open te wrikken. Het gaat gemakkelijk. Ik til de baby eruit, ze is zo licht als een ster.'

New Bohemia. Amerika. Een storm. Een man vindt een baby, achtergelaten in de nacht. Hij pakt haar op – ze is licht als een ster – en besluit haar mee te nemen.

Londen. Engeland. Na de bankencrisis. Leo Kaiser weet hoe je geld moet verdienen maar hij weet niet hoe hij om moet gaan met de jaloezie die hij voelt jegens zijn beste vriend en zijn vrouw. Hebben ze een verhouding? Is hun pasgeboren baby wel van hem?

New Bohemia. Zeventien jaar later. Een jongen en een meisje worden verliefd op elkaar, maar er is veel dat zij niet weten over wie ze zijn en waar ze vandaan komen.

‘We hebben allemaal teksten die we als een talisman bij ons dragen, en die ons dragen. Ik werk al jaren met The Winter’s Tale, in vele vermommingen.’

Jeanette Wintersons coverversie van The Winter’s Tale zit vol echo’s van het origineel, maar vertelt tegelijkertijd een eigentijdse geschiedenis over verraad, paranoia, verlossing en hoop. De tijd is zelf een speler in dit verhaal, en de inzet is hoog, want het zal eindigen in een tragedie of in vergiffenis. Winterson laat zien dat wat verloren is geraakt, teruggevonden zal worden, hoe ver we ook van elkaar verwijderd raken.

 

Waterige ster

Vannacht zag ik toch zoiets vreemds.
Ik was onderweg naar huis. Het was warm en drukkend weer zoals zo vaak in deze tijd van het jaar, dan glimt je huid en is je shirt nooit droog. Ik had piano gespeeld in de bar waar ik werk en niemand wilde weg, dus ik was later dan me lief was. Mijn zoon had gezegd dat hij langs zou komen met de auto, maar dat had hij niet gedaan.
Ik was onderweg naar huis om een uur of twee in de ochtend, met een flesje koud bier dat warm werd in mijn hand. Je mag op straat niet drinken, dat weet ik, maar wat kan het schelen als je negen uur achter elkaar hebt gewerkt, borrels hebt geschonken achter de bar toen het rustig was en piano hebt gespeeld toen het drukker werd. De mensen drinken meer als er live muziek is, dat is een feit.
Ik was onderweg naar huis toen het weer omsloeg en de regen als ijs naar beneden kwam – het was ijs: hagelstenen zo groot als golfballen en zo hard als ballen elastiek. De straat had nog de hitte van de dag, van de week, van de maand, van de zomer. Toen de hagel tegen de grond sloeg, was het alsof er ijsblokjes in een frituurpan werden gegooid. Het was alsof het weer uit de straat omhoogkwam in plaats van uit de lucht naar beneden, alsof ik bestookt werd door een raadselachtig laag granaatvuur. Ik rende gebukt van portiek naar portiek, ik kon door de sissende stoom mijn voeten niet eens zien. Op de traptreden van de kerk bleef ik even boven het borrelende schuim staan. Ik was doorweekt. Het geld in mijn zak plakte aan elkaar en mijn haar plakte aan mijn hoofd. Ik veegde de regen uit mijn ogen. Tranen van regen. Mijn vrouw is al een jaar dood. Het was zinloos om te schuilen. Ik kon net zo goed naar huis gaan.
Daarom nam ik de kortere weg. Die kortere weg neem ik niet graag vanwege het Babyluik.
Het ziekenhuis heeft dat een jaar geleden laten maken. Ik heb de bouwvakkers er elke dag mee bezig gezien als ik op bezoek was bij mijn vrouw. Ik zag ze het beton in de bekisting storten, een stalen bak in het betonnen omhulsel plaatsen, het raam monteren, en verwarming, licht en een alarm installeren. Een van de bouwvakkers wilde er niet aan meewerken, hij vond het verkeerd, ik denk immoreel. Een teken des tijds. Maar de tijd heeft zo veel tekenen dat we van hartzeer zouden sterven als we ze allemaal zouden lezen.
Het luik is veilig en warm. Als de baby erin ligt en het luik wordt gesloten, rinkelt er in het ziekenhuis een bel en duurt het niet lang voordat er een verpleegster naar beneden komt, net lang genoeg om de moeder de kans te geven weg te gaan – het is bijna op de hoek van de straat. Dan is ze weg.
Ik heb het één keer zien gebeuren. Toen ben ik achter haar aan gerend. Ik riep: ‘Mevrouw!’ Ze draaide zich om. Ze keek me aan. Het duurde een seconde, zo’n seconde die een hele wereld omvat – en toen versprong de secondewijzer en was ze weg.
Ik ging terug. Het luik was leeg. Een paar dagen later overleed mijn vrouw. Dus ik loop daar niet meer langs naar huis.
Die Babyluiken hebben een geschiedenis. Hebben verhalen niet altijd een geschiedenis? Je denkt dat je in het heden leeft, maar het verleden volgt je als een schaduw. Ik heb me erin verdiept. Vroeger, in de middeleeuwen, wanneer dat ook was, hadden ze in Europa ook Babyluiken. Dat noemden ze een Vondelingenwiel: een rond raam in een klooster of abdij waar je een baby door naar binnen kon leggen in de hoop dat God ervoor zou zorgen. Je kon het ook ingepakt in het bos achterlaten om door de honden en de wolven te worden grootgebracht. Het achterlaten zonder naam maar met iets om het verhaal mee te beginnen.

Een auto rijdt te hard voorbij. Het water uit de goot spuit omhoog alsof ik nog niet kletsnat genoeg ben. Klootzak. De auto stopt, het is mijn zoon, Clo. Ik stap in. Hij geeft me een handdoek en ik droog mijn gezicht af, dankbaar en opeens doodmoe.
We rijden een eindje door met de radio aan. Berichten over het uitzonderlijke weer. Een supermaan. Gigantische golven op zee, de rivier treedt buiten zijn oevers. Ga niet op pad. Blijf binnen. Het is geen orkaan Katrina, maar het is ook geen avond om uit te gaan. De geparkeerde auto’s langs de weg staan tot halverwege hun wielen in het water.
Dan zien we het.
Verderop staat een zwarte bmw 6 serie frontaal tegen een muur geramd. De portieren aan beide kanten staan open. Een kleine roestbak van een auto is op de achterkant geklapt. Twee criminelen staan een vent in elkaar te slaan. Mijn zoon toetert, rijdt recht op ze af met het raampje omlaag en roept: ‘Hé! Klootzakken! Klootzakken!’ Zijn auto zwenkt opzij als een van de mannen op ons schiet en een voorband raakt. Mijn zoon geeft een ruk aan het stuur en de auto klapt tegen de stoeprand. De criminelen springen in de bmw en schrapen langs de muur waardoor de roestbak achter hen de straat op wordt geduwd. De man die in elkaar werd geslagen ligt op de grond. Hij heeft een mooi pak aan. Hij is een jaar of zestig. Hij bloedt. Het bloed stroomt met de regen over zijn gezicht. Hij zegt iets. Ik kniel naast hem. Zijn ogen zijn open. Hij is dood.
Mijn zoon kijkt me aan – ik ben zijn vader – wat moeten we doen? Dan horen we vanuit de verte, als vanaf een andere planeet, sirenes naderen.
‘Raak hem niet aan,’ zeg ik tegen mijn zoon. ‘Keer de auto.’
‘We moeten op de politie wachten.’
Ik schud mijn hoofd.
We hobbelen met de lekke band de hoek om en rijden langzaam de weg langs het ziekenhuis af. Er komt een ambulance uit de garage van de Eerste Hulp.
‘Ik moet dat wiel verwisselen.’
‘Rij de parkeerplaats van het ziekenhuis op.’
‘We moeten tegen de politie zeggen wat we hebben ge- zien.’
‘Hij is dood.’

Mijn zoon stopt en gaat de spullen pakken om het wiel te verwisselen. Ik blijf nog even drijfnat en doodstil op de doorweekte stoel zitten. Het licht van het ziekenhuis schijnt schel door de ruiten; ik haat dat ziekenhuis. Toen mijn vrouw was overleden zat ik ook zo in de auto. Door de voorruit te staren zonder iets te zien. De hele dag ging voorbij en toen werd het avond en was er niets veranderd omdat alles veranderd was.
Ik stap uit. Mijn zoon krikt de auto omhoog en samen tillen we het wiel eraf. Hij heeft het reservewiel al uit de kofferbak gehaald. Ik duw mijn vingers in het gescheurde rubber van de kapotte band en haal de kogel eruit. Dat ding hebben we al helemaal niet nodig. Ik loop ermee naar een diepe put in de goot.
En op dat moment zie ik het. Het licht.
In het Babyluik brandt licht.
Op een of andere manier krijg ik het gevoel dat alles met elkaar in verband staat – de bmw, de roestbak, de dode man, de baby.
Want er ligt een baby in.
Ik loop naar het luik, mijn lichaam beweegt in slowmotion. Het kind slaapt en zuigt op zijn duim. Er is nog niemand gekomen. Waarom is er nog niemand gekomen? Zonder het me te realiseren realiseer ik me dat ik de bandenlichter in mijn hand heb. Zonder te bewegen kom ik in beweging om het luik open te wrikken. Het gaat gemakkelijk. Ik til de baby eruit, ze is zo licht als een ster.

 

Copyright © Jeanette Winterson 2015
Copyright Nederlandse vertaling © Lidwien Biekmann / Nijgh & Van Ditmar 2015 

Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar

MINDBOOKSATH : athenaeum