Leesfragment: Het laatste testament van Frans Kellendonk

27 november 2015 , door Arie Storm
| | |

24 november verschijnt Het laatste testament van Frans Kellendonk van Arie Storm. Wij publiceren voor.
'Het leven is in hoog tempo veranderd. Ik ga een paar dingen noemen die er toen ik stierf nog niet waren en die nu de gewoonste zaak van de wereld zijn. Computers, ik maakte er al even gewag van, er staat er een op het bureau van mijn biograaf; op een bepaalde manier lijkt hij wel vastgekoppeld te zitten aan dat apparaat, zoveel tijd brengt hij ermee door. Ik herken dat gedrag wel.'

Het laatste testament van Frans Kellendonk is het verslag van de terugkeer op aarde van de schrijver in het jaar 2015, nadat hij in 1990 gestorven was. Wat is er in die vijfentwintig jaar veranderd? Wat is er geworden van zijn voormalige literaire vrienden en vijanden? Kellendonk vertelt zélf het verhaal dat hij tijdens zijn leven niet kon opschrijven. Hij vergelijkt het heden met het verleden, en vertelt over zijn jeugd, zijn tijd als redacteur van een literair tijdschrift, het schandaal dat ontstond toen zijn roman Mystiek lichaam verscheen, zijn band met zijn vader én zijn grootste liefde.

Arie Storm schetst een scherp en authentiek portret van de schrijver – en van diens biograaf. Het resultaat is een onthullend, verrassend, woedend en ontroerend boek.

N.B. Op 19 november vindt bij Spui25 de boekpresentatie van het verzameld werk van Frans Kellendonk plaats. U kunt hierbij aanwezig zijn.

3

 

Toen en nu

 

Het leven is in hoog tempo veranderd. Ik ga een paar dingen noemen die er toen ik stierf nog niet waren en die nu de gewoonste zaak van de wereld zijn. Computers, ik maakte er al even gewag van, er staat er een op het bureau van mijn biograaf; op een bepaalde manier lijkt hij wel vastgekoppeld te zitten aan dat apparaat, zoveel tijd brengt hij ermee door. Ik herken dat gedrag wel. Ook ik kon al vroeg achter mijn bureau gaan zitten, zeg om zeven uur ’s ochtends, in mijn ochtendjas, en voor je het wist was het vier uur in de middag, en dan zat ik daar nog, nog niet eens gewassen en geschoren. Een vieze oude man. Ik had mijn schrijfmachine voor het raam geplaatst – ik bedoel, daar stond hij altijd, ik sleepte dat ding niet constant heen en weer – en keek eroverheen naar buiten. Mijn rechterhand gebald tot een vuist onder mijn kin. Mijn altijd iets te lange haar. Het altijd typische Hollandse weer. Grijs. Somber.
Ik ontving zelden bezoek. In die tijd woonden we in zekere zin in grotten. Het machtige internet, waardoor er voortdurend contact bestaat met de buitenwereld, was er nog niet. Mijn biograaf luistert half en half tijdens het schrijven en luisteren naar Engelse radiozenders. Ik luisterde tijdens het eten van mijn middagboterham naar bijvoorbeeld Het voordeel van de twijfel, een radioprogramma van het Humanistisch Verbond. De verlichtingsideologie is de geloofsleer van het humanisme. Je moet toch iets hebben. Natuurlijk was ik geen humanist; ik geloofde niet in de verlichting. Wat het katholicisme, of wat er hier en daar van over is, in elk geval vóór heeft op de verlichtingsideologie is een levendig besef van het kwaad. De mens is over het algemeen alleen maar uit op rottigheid. Het is verstandig om dat altijd in je achterhoofd te houden, maar ik geloof dat het geen populaire opvatting meer is. Wat schreef Reve ook alweer? Dit: ‘Dat de mens geheel slecht is, en onbekwaam genoemd mag worden tot enig goed, is genoegzaam bekend en wordt gelukkig door niemand behalve door enige bezetenen en krankzinnigen nog bestreden.’ Was dat maar waar!
Was ik eenzaam? Soms belde Dirk Ayelt Kooiman aan. Hij woonde bij mij in de buurt. Hij vertelde me eens dat de aanblik van het lamplicht bij mij ’s avonds voor hem vaak een aansporing was om weer aan de slag te gaan. Ik woonde in de rosse buurt, in een achterafstraatje. In de buurt haalde ik mijn tabak bij een kiosk. Daar werkte Theo, een voetnoot in mijn bestaan, zoals er vele waren. Mannen, jongens, schimmen. Was ik een eenzaam mens? Ik denk het wel. Ik was een gesloten persoon. Afstandelijk. Op mezelf.
Laptops. Mobiele telefoons, en alle varianten daarvan. iPads. E-mails. Ík schreef nog brieven met de hand. De eerste versie van mijn romans schreef ik met een pen, en later tikte ik die uit op de schrijfmachine; dat werd de tweede versie. Ik volgde een nogal gecompliceerde procedure. Je hebt schrijvers die op bladzijde één beginnen en die op hun gemak naar de laatste bladzijde toe werken. Je hebt ook schrijvers die de laatste zin of de laatste alinea al kennen en die vervolgens het begin en de rest schrijven. Die al precies weten waarover hun boek zal gaan. Ik schreef scènes. Fragmenten. Ideeën. Ik was een onderzoeker. Een wetenschapper die onderzoek deed door zijn verbeelding te gebruiken. Maar in feite heeft ook een wetenschapper niets anders tot zijn beschikking dan zijn verbeelding. Niets van wat bestaat in de realiteit kan op orthodoxe wijze worden bewezen. Ik heb wel eens gelezen dat Stephen Hawking, een man die zijn hele leven heeft gewijd aan het proberen te begrijpen van de wetten van het heelal, slechts een paar keer door een telescoop heeft gekeken. Wetenschap heeft niet méér met de werkelijkheid van doen dan Ulysses met Dublin. Zwarte gaten kunnen niet worden bewezen; het vermoeden van het bestaan ervan komt voort uit een theorie. Ik leefde me eerst uit in heel veel losse stukken en stukjes. Die typte ik uit en legde ik op een stapel. Vervolgens bracht ik er een volgorde in aan en zo ontstond een roman. Mijn werk berustte voor een groot deel op improvisatie. Het schrijven van een roman is het voortdurend oplossen van problemen die je zelf hebt gecreëerd.
Ik heb niet veel romans geschreven, en dan heb ik het nu niet over de kwestie die ik eerder aanstipte, de kwestie van de indeling naar genres. Ik heb te weinig fictie geschreven. Natuurlijk, ik ben slechts negenendertig jaar oud geworden, maar ik kwam in zekere zin pas echt goed op dreef, of althans, zo beweren sommigen, met mijn laatste roman, Mystiek lichaam, verschenen in 1986. Het boek waarmee ik diep in mijn eigen vlees sneed, en dat ik opdroeg aan Thijs. Ik dacht in hem het gevonden te hebben, niet zomaar een levenspartner, maar de liefde die alles rechtvaardigt, dus ook de atoombom en de honger in Tsjaad. Ik weet nu dat hij twee jaar na mij is gestorven. Hij had dezelfde ziekte als ik. Ik merk dat ik de neiging heb om naar het einde toe te werken, maar laat ik nog even in het hier en nu blijven. Het hier en nu. Dat klinkt vreemd, in 2015. Het is trouwens geen keuze – ik heb niets anders dan dit. Ik heb slechts woorden. Ik heb mijn biograaf die opschrijft wat ik hem dicteer.
Mensen richten hun huizen anders in dan dertig jaar geleden. Televisies zijn plat. Papier verdwijnt. Boeken vindt men vies. Boekhandelaren zijn literaire recensenten geworden. Ik vertel niemand iets nieuws, maar ik vind het verbijsterend. Op tv is een programma waarin boekverkopers in panelvorm de boeken aanprijzen die ze de volgende dag in hun eigen winkel staan te verkopen. Binnen uitgeverijen vindt men dat een goede ontwikkeling. In elk geval is er nog aandacht voor boeken op tv, is het idee. Men vindt het een goede vervanging voor literaire kritiek, dat was iets wat zich in kranten afspeelde. Literatuurkritiek is iets geworden voor dinosauriërs. Ik denk aan Adriaan van Dis. Is met hem al die televisie- ellende begonnen? De verplatting van de literatuur? Tegenwoordig, terugblikkend, wordt dat programma van Van Dis als iets wat kwaliteit had beschouwd. Nee, het is nog gekker: tegenwoordig denkt men dat Adriaan van Dis een echte schrijver is! Hij heeft niet al te lang geleden een ‘roman’ geschreven over zijn overleden moeder. Het boek kreeg een literaire prijs. Van Dis is bekend geworden door dat programma van hem op tv. Toen werd er nog serieus over boeken gesproken, is de heersende opvatting nu. Vreemd. Het was showbusiness; Van Dis was show. Ik heb hem wel meegemaakt. Hij zat nota bene met zijn in parfumlucht badende en van plagiaat aan elkaar hangende boeken, die tóén nauwelijks iemand serieus nam, uiteindelijk bij dezelfde uitgever als ik, die net zo over hem sprak als ík over hem dacht. Van Dis was niet meer dan een ijdele presentator. Toen wij met de jonge generatie aan de deur van de literatuur klopten, behoorde hij al tot de oudere en richtte hij zich op een publiek van vrouwen van vijftig jaar en ouder, en dat is altijd zijn publiek gebleven. Cryptohomo. Ik sluit mijn ogen en ik zie hem voor me in al zijn glorie: knalrode sokken in Timberland-mocassins, een geruite, katoenen Bommeljasje op een linnen broek – vrijetijdskleding. Zijn haar is zilverblond gefriseerd, zijn mond vertrokken in een kiespijngrimas, en hij is, zoals altijd, in gezelschap van een nogal strenge, magere jongejuffrouw van ons deftige uitgevershuis. Zijn televisieprogramma was De Grote Adriaan van Dis Show. Ja, daar is het begonnen. Nu is het De Grote Boekhandelarenshow. Ik zit op de schouder van mijn biograaf en ik weet niet wat ik zie. Af en toe houd ik een denkbeeldige hand voor mijn en zijn ogen. Geen van de besproken boeken in dat programma, De Wereld Draait Door, heeft in de verste verte ook maar iets met literatuur te maken. De boekhandel zelf ligt vol thrillers; die noemen zíj literaire thrillers. Literatuur is altijd al een zaak geweest van een kleine groep mensen, een elite, maar inmiddels is helemaal niet meer duidelijk wat literatuur ís. Ik denk dat ik als ik in deze tijd had geschreven, in het tweede decennium van de eenentwintigste eeuw, mijn werk waarschijnlijk niet eens meer gepubliceerd zou krijgen. De massa kijkt televisie. Misschien is het nooit anders geweest. Ik bedoel, de complexe visie is altijd gedragen door een elite, in de vorm van een roman, of daarvóór in de vorm van poëzie, in elk geval waren dat kunstuitingen die over het algemeen niet bestemd waren voor de heffe des volks maar voor de kleine groep mensen die daar belangstelling voor had en die in staat was om die complexe visie te delen. Mijn collega’s van De Revisor, mijn collega’s van De Revisor... Ik herinner me... Waar was ik gebleven? Ik word duizelig.
Nog even dit. Bij het verschijnen van een boek van mij zou dat zogenaamde hypen van literatuur nota bene zijn begonnen. Het schijnt de reden te zijn geweest dat een literatuurcriticus van de oude stempel, te weten Kees Fens, gestopt is met het bespreken van in zijn tijd actuele Nederlandse literatuur. In een polemiek noemde hij mijn debuut Bouwval als voorbeeld van een boek dat al een succes was, door een ongezonde ‘voorverwarming’ door uitgeverij en boekhandel, nog voordat kritische meningsvorming erover had kunnen plaatsvinden. Wie vervolgens, zo stelde Fens, met kracht van argumenten een afwijkend oordeel velde, was op zijn best nog een dwarsligger, wiens dwarsliggen ook nog eens te laat kwam. Hij constateerde in het geval van Bouwval een gebrek aan kwaliteiten gecombineerd met een bijna volgens het boekje verlopende succesgeschiedenis. Het was ontvangen met een hem verbijsterend applaus. Ja, ja, Fens. Toen ik werd begraven, werd weggedragen uit de Sint-Nicolaaskerk aan de Prins Hendrikkade, was hij aanwezig. Leef je maar lang genoeg, dan komt alles goed.

 

Copyright © 2015 Arie Storm en Athenaeum—Polak & Van Gennep

Athenaeum - Polak & Van Gennep

MINDBOOKSATH : athenaeum