Leesfragment: Het meisje in de trein

27 november 2015 , door Paula Hawkins
| |

Paula Hawkins schreef Het meisje in de trein (vertaling Miebeth van Horn). Op Athenaeum.nl een leesfragment. 'Ik ken elke baksteen, de kleur van de gordijnen van de slaapkamer op de eerste verdieping (beige met een donkerblauw patroon), ik weet dat de verf van de sponning van het badkamerraam afbladdert en dat er aan de rechterkant van het dak vier dakpannen ontbreken. Ik weet dat de bewoners van dit huis, Jason en Jess, soms op een warme zomeravond naar buiten klauteren door het grote schuifraam om op het geïmprovi seerde terras op het dak van de keukenuitbouw te gaan zitten. Ze zijn een volmaakt, stralend stel.'

VN Thriller van het jaar 2015
Rachel neemt elke ochtend dezelfde trein. Elke dag hobbelt ze over het spoor, langs een rij charmante huizen in een buitenwijk van Londen, en stopt daar altijd voor hetzelfde rode sein. Zo kijkt ze elke ochtend naar een stel dat op hun terras ontbijt. Ze heeft inmiddels het gevoel dat ze hen persoonlijk kent en noemt hen 'Jess en Jason'. Hun leven - in Rachels ogen - is perfect. Een beetje zoals haar eigen leven dat ooit was.
Op een dag ziet ze iets vreemds in hun tuin. De trein rijdt gewoon weer door, maar voor Rachel verandert alles. Niet in staat om het voor zichzelf te houden, stapt ze naar de politie met haar verhaal, wanneer blijkt dat 'Jess' vermist wordt. Hiermee raakt ze niet alleen verwikkeld in de gebeurtenissen die volgen, maar ook in de levens van iedereen die erbij betrokken is. Maar wie is er te vertrouwen? Heeft ze meer kwaad dan goed gedaan door zich met deze zaak te bemoeien?
'Wat een personages, wat een setting, wat een boek! Het is Alfred Hitchcock voor een nieuwe generatie.' - Terry Hayes, auteur van Ik ben Pelgrim.

Rachel

 

Vrijdag 5 juli 2013
Ochtend

Er ligt een stapel kleren naast het spoor. Lichtblauwe stof – misschien een shirt – op een hoop gegooid met iets vuil wits. Waarschijnlijk afval, deel van een lading die stiekem in het miezerige bosje naast het spoor is gedumpt. Het kan zijn achtergelaten door de baanwerkers die aan dit deel van het spoor werken, die zijn hier vaak genoeg. Of het is iets anders. Mijn moeder zei vroeger altijd dat ik een veel te levendige fantasie had; Tom zei dat ook. Ik kan het niet helpen: zodra ik die weggegooide vodden zie, een smerig T-shirt of een eenzame schoen, kan ik aan niets anders denken dan aan die andere schoen, aan de voeten die in die schoenen pasten.
De trein komt schokkend, schrapend en piepend weer in beweging, het hoopje kleren verdwijnt uit zicht en met het vaartje van iemand die stevig hardloopt rollen we verder richting Londen. Iemand op de stoel achter me slaakt een zucht van onbeholpen irritatie; de stoptrein van 8.04 uur van Ashbury naar Euston kan het geduld van zelfs de meest ervaren forens behoorlijk op de proef stellen. De reis wordt geacht 54 minuten te duren, maar dat is zelden het geval: dit deel van de spoorbaan is oeroud, versleten, er zijn voortdurend problemen met de seinen en er wordt onophoudelijk aan de rails gewerkt.’
De trein kruipt verder; hij schommelt langs pakhuizen en watertorens, bruggen en loodsen, voorbij eenvoudige victoriaanse huizen, die het spoor nadrukkelijk hun rug toekeren. Met mijn hoofd tegen het raampje geleund kijk ik hoe deze huizen langs me heen schuiven als een tracking shot in een film. Ik zie ze zoals niemand anders ze ziet; zelfs hun eigenaars zien ze waarschijnlijk niet vanuit dit perspectief. Twee maal per dag krijg ik heel even een inkijkje aangeboden in andermans leven. Het heeft iets troostends om onbekenden veilig thuis te zien zitten.
Iemands telefoon gaat over, een uit de toon vallend vrolijk, opgewekt melodietje. Er wordt niet snel opgenomen en het blijft maar om me heen rinkelen. Ik voel hoe mijn medereizigers op hun plaats zitten te schuiven, met hun krant ritselen, op hun laptop tikken. De trein schokt en waggelt de bocht om, gaat langzamer rijden voor een rood sein. Ik probeer niet op te kijken, ik probeer door te lezen in de gratis krant die ik bij binnenkomst op het station uitgereikt heb gekregen, maar de woorden vervagen voor mijn ogen en niets kan mijn aandacht vasthouden. In gedachten zie ik nog steeds dat eenzame hoopje kleren naast de spoorbaan liggen.

Avond

Het mixdrankje gin tonic bruist omhoog over de opening van het blikje als ik het naar mijn mond breng voor een slok. Scherp en koud, de smaak van mijn allereerste vakantie met Tom, in een vissersdorpje aan de Baskische kust in 2005. ’s Ochtends zwommen we een kilometer naar het eilandje in de baai, we vreeën op een van de verborgen strandjes; ’s middags zaten we in een bar, sterke, bittere gin tonics drinkend, naar zwermen strandvoetballers te kijken die met 25 tegen 25 wedstrijden speelden op het zand dat bij laag tij droogviel.
Ik neem nog een slok, en nog een; het blikje is al halfleeg, maar dat geeft niet, ik heb er nog drie in de plastic tas bij mijn voeten. Het is vrijdag, dus ik hoef me niet schuldig te voelen dat ik in de trein zit te drinken. TGIF. Nou wordt het leuk.
Het wordt een mooi weekend, zeggen ze. Zonneschijn, wolkeloze luchten. Vroeger zouden we misschien naar Corly Wood zijn gereden met een picknickmand en de kranten, de hele middag op een deken in het vlekkerige zonlicht wijn drinken. Of anders barbecueën in de achtertuin met vrienden, of naar de Rose om in de tuin te gaan zitten, ons gezicht rood aangelopen van de zon en de alcohol naarmate de middag verstreek, en dan arm in arm naar huis zwalken en op de bank in slaap vallen.
Zonneschijn, wolkeloze luchten, niemand om mee te spelen, niets omhanden. De manier van leven zoals ik dat op dit moment doe, is lastiger in de zomer, met al dat daglicht, te weinig bescherming van de duisternis, iedereen is op pad en overduidelijk overdreven gelukkig. Heel vermoeiend, en je houdt er een rotgevoel aan over omdat je niet meedoet.
Het weekend strekt zich voor me uit, 48 lege uren om te vullen. Ik til het blikje op naar mijn mond, maar er zit geen druppel meer in.

Maandag 8 juli 2013
Ochtend

Het is een opluchting om weer in de trein van 8.04 uur te zit ten. Niet dat ik nu zo zit te trappelen om terug naar Londen te gaan om met mijn week te beginnen – ik wil helemaal niet vreselijk graag in Londen zijn. Het enige wat ik wil is achter overleunen op de zachte, doorzakkende, fluwelen bank, de warmte voelen van de zon die door het raam valt, de wagon die heen en weer, heen en weer schommelt, het geruststellende ritme van wielen over rails. Er is bijna geen plek waar ik liever zou zitten dan hier naar de huizen langs het spoor kijkend. Ongeveer halverwege mijn treinreis is er een kapot sein. Ik neem tenminste aan dat het kapot is, want het staat vrijwel altijd op rood; op de meeste dagen houden we er halt, soms een paar seconden, soms minutenlang. Als ik in coupé D zit, wat meestal het geval is, en de trein stopt bij het sein, wat vrijwel altijd gebeurt, heb ik een volmaakt uitzicht op mijn lievelingshuis langs het spoor: nummer 15.
Nummer 15 lijkt op de andere huizen langs dit deel van het spoor: een van de victoriaanse huizen van een twee onder een kap, met een bovenverdieping en een smalle, verzorgde tuin die zich zo’n zes meter uitstrekt tot aan een schutting, waarachter een paar meter niemandsland ligt voordat je bij de rails komt. Ik ken het hele huis uit mijn hoofd. Ik ken elke baksteen, de kleur van de gordijnen van de slaapkamer op de eerste verdieping (beige met een donkerblauw patroon), ik weet dat de verf van de sponning van het badkamerraam afbladdert en dat er aan de rechterkant van het dak vier dakpannen ontbreken. Ik weet dat de bewoners van dit huis, Jason en Jess, soms op een warme zomeravond naar buiten klauteren door het grote schuifraam om op het geïmproviseerde terras op het dak van de keukenuitbouw te gaan zitten. Ze zijn een volmaakt, stralend stel. Hij heeft donker haar, is goed gebouwd en sterk, beschermend en aardig. Hij heeft een fantastische lach. Zij is een van die piepkleine vrouwen met een spits gezicht als een vogel, een schoonheid met een bleke huid en kortgeknipt, blond haar. Ze heeft de botstructuur om zoiets er goed uit te laten zien, met scherpe jukbeenderen besprenkeld met sproeten en een mooie kaaklijn.
Terwijl we voor het rode sein staan, kijk ik naar hen uit. Jess zit, zeker in de zomer, vaak ’s ochtends buiten koffie te drinken. Als ik haar daar zie, heb ik soms het gevoel dat ze mij ook ziet, krijg ik het idee dat ze me recht in de ogen kijkt en ik voel de aanvechting om te zwaaien. Maar ik ben me te veel van mezelf bewust. Jason zie ik lang zo vaak niet, die is veel op pad voor zijn werk. Maar zelfs als ze er niet zijn, denk ik erover na wat ze aan het doen zijn. Misschien hebben ze vandaag allebei een dag vrij en ligt zij in bed terwijl hij een ontbijtje klaarmaakt, of misschien zijn ze samen gaan hardlopen, want dat zijn het soort dingen dat zij doen. (Tom en ik gingen altijd op zondag hardlopen, ik een klein beetje boven mijn normale tempo, hij ongeveer op de helft van het zijne, zodat we naast elkaar konden lopen.) Misschien is Jess in de logeerkamer aan het schilderen, of misschien staan ze samen onder de douche, zij met haar handen tegen de tegels gedrukt, en hij met zijn handen op haar heupen.

Avond

Ik draai me een stukje af naar het raam, met mijn rug naar de rest van de coupé en maak een van de kleine flesjes Chenin Blanc open die ik bij het winkeltje op het station van Euston heb gekocht. Hij is niet gekoeld, maar het kan ermee door. Ik schenk wat in een plastic beker, schroef de dop er weer op en laat het flesje in mijn tas glijden. Het is niet echt gepast om op maandag in de trein te drinken, tenzij je het in gezelschap doet, en dat doe ik niet.
Er zijn vertrouwde gezichten in deze treinen, mensen die ik wekelijks tegenkom op de heen en de terugreis. Ik herken hen en zij herkennen mij waarschijnlijk ook. Ik weet alleen niet of ze zien wie ik werkelijk ben.
Het is een schitterende avond, warm, maar niet te benauwd, de zon heeft zijn lome afdaling ingezet, schaduwen lengen en het licht begint net de bomen goud te kleuren. De trein ratelt voort, we vliegen voorbij het huis van Jason en Jess, in een vage vlek avondzonneschijn. Soms, maar niet vaak, zie ik ze van deze kant van het spoor zitten. Als er geen trein uit de andere richting passeert, en we langzaam genoeg rijden, vang ik soms een glimp van ze op als ze op hun terras zijn. Als dat niet het geval is – zoals vandaag – stel ik me hen voor. Jess zal met haar voeten op de tafel zitten, op het terras, met een glas wijn in haar hand, en Jason staat achter haar, zijn handen rus ten op haar schouders. Ik kan me het gevoel van zijn handen indenken, het gewicht ervan, bemoedigend, beschermend. Soms betrap ik mezelf erop dat ik me probeer te herinneren wanneer ik voor het laatst fysiek contact met een ander heb gehad dat wat voorstelde, een omhelzing of een stevige hand druk, en mijn hart knijpt samen.

Dinsdag 9 juli 2013
Ochtend

De stapel kleren van vorige week is er nog steeds, en hij ziet er stoffiger en eenzamer uit dan een paar dagen terug. Ik heb ergens gelezen dat een trein zomaar al je kleren kan afrukken, als hij je raakt. Zo ongewoon is dat niet, die dood ten gevolge van een trein. Twee tot driehonderd per jaar, zeggen ze, dus minstens om de paar dagen één. Geen idee hoeveel daarvan een ongeluk zijn. Ik probeer te ontdekken, terwijl de trein er langzaam voorbijrijdt, of er bloed op de kleren zit, maar dat zie ik niet.
Zoals altijd houdt de trein halt bij het sein. Ik zie Jess op de patio voor de schuifdeuren staan. Ze heeft een jurk met een felgekleurd patroontje aan, ze is op blote voeten. Ze kijkt over haar schouder het huis in; ze praat waarschijnlijk met Jason, die vast het ontbijt aan het klaarmaken is. Ik houd mijn ogen gericht op Jess, op haar huis, terwijl de trein stapvoets begint door te rijden. Ik wil de andere huizen niet zien; vooral niet het huis vier deuren verderop, dat van mij is geweest.
Ik heb vijf jaar op Blenheim Road nummer 23 gewoond, volmaakt gelukkig en diepongelukkig. Ik kan er niet naar kijken. Het was mijn eerste huis. Niet het huis van mijn ouders, geen flat die ik deelde met andere studenten, míjn eerste huis. Ik kan het niet opbrengen om ernaar te kijken. Nou ja, dat kan ik wel, dat wil ik wel, maar ik wil het niet, ik probeer het niet. Elke dag zeg ik weer tegen mezelf dat ik niet moet kijken, en elke dag kijk ik. Ik kan het niet laten, ook al is er niets wat ik wil zien, ook al doet alles wat ik er zie me pijn. Ook al weet ik nog maar al te goed wat voor gevoel het gaf toen ik die keer opkeek en zag dat het crèmekleurige, linnen rolgordijn was vervangen door iets van pastelroze; ook al weet ik nog maar al te goed wat een pijn het deed toen ik Anna de rozenstruiken bij de schutting water zag geven, met haar T-shirt dat over haar opbollende buik spande. Ik beet zo hard op mijn lip dat hij begon te bloeden.
Ik knijp mijn ogen stijf toe en tel tot tien, vijftien, twintig. Zo, dat is voorbij, niets meer te zien. We rijden het station van Witney in en weer uit, en de trein begint steeds meer vaart te maken terwijl de buitenwijken geleidelijk overgaan in smoezelig Noord Londen, en rijtjeshuizen plaatsmaken voor bruggen met graffiti en lege gebouwen met kapotte ramen. Hoe dichter we bij Euston komen, hoe angstiger ik word; de spanning stijgt, hoe zal het vandaag gaan? Een halve kilometer voordat we Euston binnenrijden staat aan de rechterkant van het spoor een smerig, laag gebouw van beton. Aan de zij kant heeft iemand geschreven: het leven is geen alinea . Ik moet denken aan de stapel kleren naast het spoor en ik voel mijn keel dichtknijpen. Het leven is geen alinea en de dood is geen haakje sluiten.

Avond

De trein die ik ’s avonds neem, die van 17.56 uur, is iets langzamer dan die van ’s ochtends – hij doet er één uur en één minuut over, zeven volle minuten langer, ondanks dat hij op geen enkel extra station stopt. Het maakt mij niet uit, want net zoals ik ’s ochtends geen haast heb om in Londen te komen, zo heb ik ’s avonds geen haast om weer naar Ashbury te gaan. Niet alleen omdat het Ashbury is – die plaats op zichzelf is al erg genoeg, een stad ontstaan in de jaren zestig die zich als een kankergezwel uitstrekt over het hart van Buckinghamshire. Het is er niet beter of slechter dan in tientallen andere plaatsen, met een centrum vol cafés, mobiele telefoonwinkels en filialen van een sportwinkelketen, omringd door een strook buitenwijk en daar voorbij het rijk van een megabioscoop en een Tesco supermarkt. Ik woon in een min of meer chic, min of meer nieuw huizenblok op de plek waar het winkelhart van de stad overloopt in de woonwijken, maar het is niet mijn huis. Mijn huis is de victoriaanse twee onder een kap langs het spoor, waar ik mede eigenaar van was. In Ashbury ben ik geen huiseigenaar, niet eens een huurder – ik ben een kamer bewoner, degene die in het logeerkamertje woont in Cathy’s saaie, onopvallende maisonnette, en die geheel afhankelijk is van haar goedgunstigheid en hulp.
Cathy en ik waren tijdens onze studie bevriend. Half bevriend, eigenlijk, want erg close zijn we nooit geweest. In mijn eerste jaar woonde ze aan de overkant van de gang en we volgden dezelfde studie, dus uiteraard waren we bondgenoten in die eerste paar schrikaanjagende weken voordat we mensen leerden kennen met wie we meer gemeen hadden. Na dat eerste jaar kwamen we elkaar niet veel meer tegen en na ons afstuderen al bijna helemaal niet meer, behalve af en toe op een bruiloft. Maar toen de nood hoog was, bleek ze toevallig een kamer over te hebben, en dat kwam mooi uit. Ik wist heel zeker dat het maar voor een paar maanden zou zijn, op zijn hoogst voor een halfjaar, en ik wist niet wat ik anders moest doen. Ik had nog nooit op mezelf gewoond, was van mijn ouders naar flatgenoten naar Tom gegaan, en ik vond dat nogal een overweldigende gedachte, dus ik zei ja. En dat is inmiddels twee jaar terug.
Het is niet vreselijk. Cathy is een aardig mens, op een nadrukkelijke manier. Ze laat merken dat ze aardig is. Die aardigheid van haar staat met grote letters geschreven, het is de eigenschap waar zij haar waarde aan ontleent, en ze heeft er behoefte aan dat die eigenschap erkend wordt, en dat graag regelmatig, bijna dagelijks, wat weleens vermoeiend kan worden. Maar zo vreselijk is het niet, ik kan wel ergere karakter trekken bedenken voor een flatgenoot. Nee, het ligt niet aan Cathy, en zelfs Ashbury is niet wat me het meest dwarszit aan mijn nieuwe situatie (ik beschouw het nog steeds als nieuw, terwijl het nu al twee jaar duurt). Het is het feit dat ik geen controle meer heb. In Cathy’s appartement voel ik me altijd een gast die binnen afzienbare tijd niet welkom meer is. Ik voel het in de keuken, waar we ons langs elkaar heen moeten wurmen als we ons avondeten klaarmaken. Ik voel het als ik naast haar op de bank zit, terwijl ze de afstandsbediening stevig in haar hand houdt. De enige plek die aanvoelt als iets wat van mij is, is mijn piepkleine slaapkamer, waar een tweepersoonsbed en een bureau in gepropt staan, met nauwelijks genoeg ruimte om ertussendoor te lopen. Het is best comfortabel, maar geen plek waar je lang wilt zijn, en dus blijf ik in de huiskamer of aan de keukentafel hangen, slecht op mijn gemak en machteloos. Ik heb over niets meer controle, zelfs niet over de plekken in mijn hoofd.

Afbeeldingsresultaat voor aw bruna uitgevers

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum