Leesfragment: Het verdriet van anderen

27 november 2015 , door Philip Huff
| |

22 oktober verschijnt Het verdriet van anderen, de essaybundel van Philip Huff. Wij publiceren voor. ‘Dit is een nuchtere verteller, voor wie de samenhang van dood en geboorte zo evident is dat het paradoxale vanzelfsprekend is geworden, daar hoeven geen woorden aan te worden vuilgemaakt. Bakkers schrijfstijl – de stem van zijn verteller – biedt zo minimaal mogelijk verwoord verdriet, zo direct mogelijk gedeelde wijsheid, en is daarmee oer-Nederlands, zoals een soort ingetogen en in zichzelf gekeerd protestantisme Hollands is. De woorden zijn evenwichtig en tegelijkertijd is deze verteller uit balans.’

In de herfst van 2012 lag Philip Huff een maand in het ziekenhuis. Enkele maanden na zijn ontslag vertrok hij voor een lange reis door Australië en Nieuw-Zeeland. Onderweg herlas hij de belangrijkste boeken uit zijn leven en dacht hij na over de vraag of literatuur lezen zin heeft. In dit boek betoogt Huff dat het lezen je net als reizen ontvankelijk maakt voor je omgeving, dat het net zoals een verblijf in het ziekenhuis inzicht geeft in het verdriet van vreemden, en dat het je empathische vermogens oefent – waardoor een begripvoller wereld ontstaat. Hiervoor is het cruciaal dat de schrijver een coherente visie op de werkelijkheid heeft, die hij in zijn proza ontvouwt. In negen hoofdstukken laat Huff zien hoe zo’n visie vorm krijgt in een roman. Aan de hand van het werk van bekende en minder bekende auteurs als John McGahern, Alejandro Zambra, Virginia Woolf en Gerbrand Bakker definieert hij literatuur als een schriftelijke cursus ‘Begrijpen hoe men zich tot de wereld verhoudt’.

Philip Huff (1984) studeerde filosofie en geschiedenis in Amsterdam. Zijn debuutroman Dagen van gras (2009) werd genomineerd voor de Academica Debutantenprijs, werd vertaald en verfilmd. Met zijn tweede roman, Niemand in de stad (2012), won hij de Dioraphte Jongerenliteratuurprijs. Hij bewerkte het boek tot een speelfilm, die in 2016 in de bioscoop te zien moet zijn, geregisseerd door Michiel van Erp. Huff schreef verder de verhalenbundel Goed om hier te zijn (2013) en de veelgeprezen generatieroman Boek van de doden (2014).

N.B. Eerder publiceerden we voor uit Boek van de doden. Lees een fragment op Athenaeum.nl. Én uit Niemand in de stad.

 

Boven is het niet zo stil

In De handen van... Gerbrand Bakker praat Gerbrand Bakker (1962) over zijn handen. De video werd gemaakt voor het literaire theaterprogramma van Rob Waumans en Ivo Victoria, Waumans en Victoria’s Groot Internationaal Literair Variété Spektakel, en is te vinden op internet. Hoe kort ook, het filmpje biedt een verrassende ingang tot het werk van Bakker.
‘Ik werk in de tuin,’ zegt Bakker meteen, ‘daarom zijn mijn handen heel belangrijk, maar ze zien er niet uit als tuinhanden, omdat ik net niet genoeg in de tuin werk om altijd zwarte randjes te hebben. En verder tik ik ermee natuurlijk, op een toetsenbord.’ – Ondertussen zijn Bakkers handen in beeld, die snoeien, tikken (met twee vingers! voor iemand die ondertitelingen schreef bij The Bold and the Beautiful lijken me dat er acht te weinig), en een briefje schrijven.
‘Nee,’ zegt Bakker vervolgens, waarschijnlijk als antwoord op de vraag of hij zijn boeken met de hand schrijft, ‘maar ik schrijf nog wel eens een briefje, of een kaart...’
Daarna zien we de schrijver met pen en papier in de weer. ‘Briefje aan mezelf,’ schrijft Bakker in kapitalen op een kaartje, ‘omdat de filmer dat vroeg!’
Dat uitroepteken zegt veel over Bakker. Over de gêne die hij blijkbaar voelt omdat hij in beeld is, aan het woord is, zelfs nadat mensen hem hebben gevraagd iets te zeggen of te schrijven. Hij verontschuldigt zich. Vraagt zich kennelijk af: wie ben ik, dat ik iets te zeggen heb? Dat mijn handen onderwerp zijn van een filmpje? Bakker ziet niet in waarom een verhaal over zijn handen de moeite waard zou kunnen zijn.
Als ik vrienden of bekenden in het buitenland een Nederlandse roman cadeau geef (zoals bijvoorbeeld de eigenares van de bed and breakfast in Paddington, Sydney, waar ik een tijdje verbleef ), is het niet The Black Lake (zoals Oeroeg van Hella Haasse werd vertaald), noch The Assault of The Darkroom of Damocles, maar The Twin, de prachtige Engelse vertaling van David Colmer uit 2009 van Boven is het stil, Bakkers romandebuut (nadien volgde nog Juni, 2009, en De omweg, 2010). Bakker won voor het boek vele prijzen, met als hoogtepunt de IMPAC Literatuurprijs, een van de hoogst geachte (en gedoteerde) literaire prijzen ter wereld, omdat alle boeken die in de Engelse taal zijn geschreven of vertaald ervoor in aanmerking komen. Dat is nog eens wat anders dan het Gouden Ezelsoor of de Debutantenprijs of de Boekdelenprijs of de Prix Millepages of de Prix Initiales of de Prix du Roman des Lecteurs Nanterriens of de Premi Llibreter – die Bakker ook allemaal kreeg voor zijn boek.
Boven is het stil is een typische being-of-age-roman. De verteller is Helmer van Wonderen, een vijfenvijftigjarige boer in Watergang, een dorpje in Noord-Holland, vlak boven Amsterdam. Helmer heeft niet van zijn leven kunnen maken wat hij ervan wilde maken. Aanvankelijk lijkt het alsof hij zich daarbij heeft neergelegd: de melkveehouder woont met zijn bejaarde vader in zijn ouderlijk huis en leeft in relatieve rust in het Noord-Hollandse landschap dat in de boeken van Bakker een hoofdrol speelt. Aan dat kalme leven komt een einde als Riet, een vriendin van vroeger, Helmer vraagt of haar zoon Henk niet bij hem op de boerderij kan komen wonen.
Veel herinneringen aan vroeger komen dan terug bij de verteller, herinneringen aan het leven dat hij heeft gehad, aan de aspiraties die hij koesterde, aan het pad dat hij bewandelde. Riet was de geliefde van Helmers tweelingbroer, die ook Henk heette en voorbestemd was om de boerderij van vader Van Wonderen over te nemen. Op twintigjarige leeftijd kwam Henk om het leven bij een auto-ongeluk; Riet was degene die achter het stuur zat. Na het ongeluk maakte Helmers vader Riet duidelijk dat ze niet langer welkom was in hun huis en riep zijn andere zoon terug uit Amsterdam, waar hij Nederlands studeerde. Helmers leven veranderde op slag ingrijpend en definitief, juist omdat er vanaf dat moment niets meer zou veranderen.

*

De eerste zin van Boven is het stil is een moderne klassieker onder de openingszinnen: ‘Ik heb vader naar boven gedaan.’
Het is geen aforisme, zoals beroemde openingszinnen van Austen, Tolstoj of Dickens dat waren, maar een korte, verklarende, bijna registrerende uitspraak in de traditie van Plath, Beckett en Hemingway. Het is landstaal, de stijl waarin de verteller spreekt. Hoewel stijl in deze context misschien niet helemaal het juiste woord is; het klinkt wat al te decoratief, ‘stem’ is wellicht beter, als we het toch over spreken hebben. Deze stem hoort bij Bakkers verteller, zijn wereldbeeld is ermee opgebouwd en erin terug te vinden.
De mededelingen van Helmer zijn zowel kalm en zakelijk als vol van onderdrukte woede:

Nadat ik hem in een stoel had gezet, heb ik het bed uit elkaar gehaald. Hij bleef in die stoel zitten als een kalf van een paar minuten oud, nog voor het schoongelikt is; met een ongestuurd wankelend hoofd en ogen die zich nergens aan hechten. Ik heb de dekens, lakens en de molton van het matras gerukt, het matras zelf en de beddenplanken tegen de wand gezet, en het hoofd- en voeteneinde losgeschroefd van de zijkanten. Ik probeerde zo veel mogelijk door mijn mond te ademen. De kamer boven – mijn kamer – had ik al leeggeruimd.

De verteller zegt niet dat het stinkt in de kamer, maar de lezer weet het wel. Net zoals hij weet dat Helmer boer is, of dierenarts – hoe weet Helmer anders hoe een pasgeboren kalf eruitziet –, en net zoals hij beseft dat het beeld van het pasgeboren kalf mooi contrasteert met de stervende vader. Dit is een nuchtere verteller, voor wie de samenhang van dood en geboorte zo evident is dat het paradoxale vanzelfsprekend is geworden, daar hoeven geen woorden aan te worden vuilgemaakt.
Bakkers schrijfstijl – de stem van zijn verteller – biedt zo minimaal mogelijk verwoord verdriet, zo direct mogelijk gedeelde wijsheid, en is daarmee oer-Nederlands, zoals een soort ingetogen en in zichzelf gekeerd protestantisme Hollands is. De woorden zijn evenwichtig en tegelijkertijd is deze verteller uit balans. De scène gaat zo verder: ‘“Wat doe je?” vroeg hij. – “Je gaat verhuizen,” zei ik. – “Ik wil hier blijven.” – “Nee.”’
Ook hier is veel verdriet voelbaar, net als woede, en erkenning van dat verdriet en van die woede: ‘Hij mocht zijn bed houden.’
Aan de andere kant van vaders bed, vertelt de verteller, ligt nog steeds een kussen, al is die kant al tien jaar onbeslapen. Oftewel: Helmers moeder, de vrouw van zijn vader, is al tien jaar dood. Al tien jaar en er is niets veranderd. Maar niet alleen in het leven van Helmers vader gebeurt weinig: Helmer zit aan het einde van het korte eerste hoofdstuk in de keuken te wachten tot de verf in vaders nieuwe kamer boven droog is.
Tweede hoofdstuk, enkele dagen later: ‘Het regent en de harde wind heeft de laatste bladeren uit de es geblazen. November is niet kraakfris en stil meer. De ouderlijke slaapkamer is nu mijn slaapkamer.’ Helmer heeft zijn kinderkamer eindelijk verlaten.
Helmer is een melkveehouder, met wat schapen, en twee ezels, die meer als huisdieren functioneren. Twee melkrijders komen er langs op de boerderij: een oudere, die stuurs is en vloekt, en over een paar jaar met pensioen gaat (en daar niet op kan wachten), en het leven áchter hem ziet liggen, en een jongere, tot wie Helmer zich aangetrokken voelt. In deze twee karakters wordt, in het kort, de worsteling van de hoofdpersoon gevangen.
Dit is de wereld van Helmer, waar onrustige koeien en melkrijders voor de enige opwinding zorgen in een landschap dat kaal en vlak is, gebukt gaat onder een grote hemel, in een Nederland dat sinds de jaren vijftig niet meer leek te bestaan. Maar bijna zestig jaar later vindt de lezer het, haast onveranderd en onaangedaan, dit prachtige, tijdloze, Noord-Hollandse akker-gras-en-wilgenlandschap.
De visie van Helmer op het leven wordt direct duidelijk: wat is het leven anders dan doorknauwen. Soms gebeurt dat door middel van wat Coetzee Bakkers ‘laconieke humor’ noemde: grappen, om erdoorheen te komen, of de wereld op afstand te houden, en soms door het verdriet te tonen door het niet te benoemen. Het verdriet én de humor: deze tegelijkertijd kalme en gegriefde blik op de wereld manifesteert zich in het boek door de stem van de verteller.
Bakker is in de eerste plaats stilist: ‘De schoonheid van Boven is het stil is vooral gelegen in de stijl,’ schreef Pieter Steinz over het boek in NRC Handelsblad. Maar stijl is een stem, en een stem heeft een blik, nee, een gezichtspunt, nee, een visie van waaruit de wereld wordt bezien. Een blik kan nog neutraal zijn, maar bij een visie is alle bagage die een specifieke blik kleurt inbegrepen. Bakker, of, beter gezegd, Helmer, heeft de autoriteit om dit verhaal te vertellen, omdat het zijn eigen leven is, hij heeft de bagage verzameld, híj is de expert van wat hij heeft gezien. En dat is ook precies Helmers probleem: hij meent in zijn leven veel te veel te hebben meegemaakt, maar alleen als passant, als observator. Hij heeft te weinig gedaan. Boven is het stil is zijn verhaal, zijn bekentenis, zijn brug naar de wereld. Die brug gaat uiteraard twee kanten uit: hoe Helmer de wereld begrijpt, is de wijze waarop de wereld hem kan begrijpen.
Bakker schrijft in geduldige, heldere zinnen. Ze brengen de beelden goed over, het leven van Helmer, de details die alles vormen. De schrijver zoekt telkens naar het juiste woord, de adequaatste wijze om iets te zeggen.
‘Of course not every word can be the perfect word, not every room overlooks the river,’ zei James Salter in 2014 als writer in residence voor een groep studenten van The University of Virginia. Er staan duizenden alledaagse woorden in een roman, honderden stilistisch onbeduidende zinnen. Maar gewone zinnen maken het gewone leven van de verteller of de hoofdpersonen kenbaar, hun blik begrijpelijk. Ze brengen het verhaal verder. En wat opvalt is dat er bij Bakker weinig verkéérde woorden staan. Helmers woorden dwingen je op een bepaalde manier naar de wereld te kijken, pakken je vast en laten daarna niet meer los. Doordat je door de ogen van de verteller kijkt, krijgt elk detail betekenis voor Helmers leven: ook een bonte kraai in een es, die maakt dat Helmer bijna geen hap meer door zijn keel kan krijgen, júist die kraai. Want de kraai is prachtig, niet-bekend, en kijkt Helmer aan zonder weg te kijken. Helmer ziet dat hij wordt gezien. Deze details worden op deze manier alles. Of: in de details is zo alles te zien.

*

In zijn Gids-lezing, gegeven eind 2014, getiteld Serious Noticing: Life, Death, Detail, gaat James Wood in op deze belangrijke vorm van kijken. Schrijven, zegt Wood halverwege, is in eerste instantie kijken. Het is beelden oproepen. Maar niet van bijvoorbeeld zomaar een boom, maar van een boom zoals de schrijver die ziet. Een beschrijving van een boom is altijd een verhaal over een boom, het zegt iets over hoe de schrijver de wereld aanschouwt, en wat hij vindt van hoe anderen bomen zien. ‘You could say,’ betoogde Wood, ‘that civilians merely see, while artists look.’ Schrijvers kijken naar de wereld én naar de manier waarop anderen – onder wie ook andere schrijvers – naar de wereld kijken.
Wood bespreekt onder meer Tolstoj, Sartre en Bellow. Maar hij begint met The Kiss van Anton Tsjechov (Nederlandse vertaling: De kus, te vinden in De kus, drie liefdesverhalen, 2013). Hij zegt dat dit korte verhaal — een klassieke vertelling over schaamte, teleurstelling en toeval – ‘een verhaal over een verhaal’ is. Tsjechov behandelt in De kus namelijk de waarde van verhalen, beschrijft hoe wij in verhalen leven. Elk verhaal is een verhaal over verhalen, over de verhalen waarin wij leven. Een fictieschrijver kijkt, zoals gezegd, naar de structuur van het leven, naar hoe mensen de wereld waarde geven, aan welke details die waarde wordt toegekend en aan welke juist niet.
Door zelf details te kiezen, specifieke en banale, probeert de fictieschrijver het volledige leven in zijn werk te krijgen, recht te doen aan wat Wood de ‘whatness of life’ en de ‘thisness of life’ noemt: aan de tastbare, specifieke dimensie van een leven. Schrijven is in eerste instantie kijken en daarna beelden oproepen. En dan niet alleen van een boom, maar ook van het verhaal dat mensen van een boom maken. De schrijver schrijft altijd verhalen over de verhalen waarin mensen leven, hij is altijd bezig met de traditie van verhalen en opvattingen waarin hij staat – literair of niet.
Hoofdpersoon van De kus is Rjabovitsj, een Russische officier en een niet al te aantrekkelijke en verlegen gesprekspartner, een onhandige danser, en niet-sociale drinker. Tsjechov beschrijft Rjabovitsjs verwoede strijd tegen een algemeen gevoel van falen in zijn leven, dat weer oplaait door, inderdaad, een zoen. De kus is een verhaal over een verhaal over een zoen, maar ook een verhaal over verzoening met het verhaal over die zoen.
Om dit verhaal goed te vertellen, tekent Tsjechov bepaalde details heel scherp. Wood noemt dit de ‘bits of life sticking out of the freeze’, het zijn de zinnen die een leven op papier tot leven wekken, die de lezer helder laten zien. Dit doet de schrijver door bepaalde details – de geur van een stal, de vorm van een lichaam, de tinteling na een zoen – te tonen. Zo ontrukt hij ze ook nog eens aan de vergetelheid: ‘Literature pushes against time’s fancy – makes us insomniacs in the halls of habit, offers to rescue the life of things from the dead,’ betoogt Wood terecht.

*

Een roman geschreven in de eerste persoon enkelvoud is in wezen een confessie – de verteller wil het verhaal vertellen dat hem kenmerkt, dat hem heeft gevormd. Hij moet daarbij, om iets te kunnen bewerkstelligen, hard en helder en eerlijk zijn. In Boven is het stil raakt Helmer in conflict met de wereld om hem heen, en met de pauzestand die zijn leven heeft aangenomen. Het gaat erom hoe Helmer kijkt, hoe hij de dingen waarde geeft, en heeft gegeven, met het verhaal dat hij vertelt. En Helmer kijkt gelaten naar de wereld, teleurgesteld in het leven; deels terecht, wellicht, door wat hem overkwam, deels onterecht, want hijzelf is ook verantwoordelijk voor zijn huidige situatie. Het boek is in feite een variatie op De kus.
Helmers grootste probleem is waarschijnlijk dat hij iemand was, een eigen iemand, of op zijn minst onderweg om dat te worden, om zichzelf te verwezenlijken, en dat hij zich de kans op die eigenheid heeft laten ontnemen – en nu probeert hij te reconstrueren hoe dat zo is gekomen. Er was in zijn jeugd nog een knecht op de boerderij, Jaap, die verbleef in het werkmanshuis en een jaar of vijfentwintig ouder was dan Helmer. Met hem kon de jonge Helmer aan het einde van zijn vroege jeugd gaan zwemmen, bij hem kon hij zichzelf zijn, door hem kon hij worden wie hij was (Jaap haalt Helmer letterlijk van het land, leert hem zwemmen). Het wordt nooit gezegd, en de lezer weet het ook niet zeker, maar waarschijnlijk is Jaap homoseksueel – hij is in elk geval ánders, maar juist daardoor ook zichzelf. Als Jaap enkele maanden na zijn ontslag als boerenknecht vertrekt, belooft de dan negentien- of twintigjarige Helmer hem te bezoeken:

Het is niet allemaal gekomen. Ik heb hem nooit meer gezien. In het najaar ben ik nog een paar keer het lege werkmanshuis binnengegaan. Hier was ik iemand geweest. Het bleef er nog lang naar shag ruiken. Zeven maanden later was Henk dood en een paar dagen daarna zat ik met mijn kop onder de koeien. – Ik ben er nooit meer onder vandaan gekomen.

Helmer is bezig waarde toe te kennen aan de wereld, aan zijn leven, en aan de plek van zijn leven in die wereld en komt tot de conclusie: het is niet allemaal gekomen. Die uitspraak is een reactie op wat Jaap enkele bladzijden eerder zei: ‘“Dat komt allemaal wel,” zei hij nog eens en duwde me zachtjes in de richting van de voordeur.’ – en daaraan denkt hij nog eens terug op de bladzijde daarna: ‘Dat komt allemaal wel, hoorde ik hem nog lang zeggen.’
Op diezelfde bladzijde probeert Jaap trouwens ook door de ogen van Helmer te kijken, hij doet zijn best om hem niet alleen te zien, maar ook te kijken zoals hij kijkt en hem zo te begrijpen – en meteen wordt duidelijk hoe moeilijk dat is: ‘Het verbaasde hem niet dat ik geen boer geworden was. “Jij kijkt niet naar die beesten zoals je broer dat doet,” zei hij. “Hoe is dat dan?” vroeg ik. Dat kon hij niet uitleggen. “Jij bent anders. Jij kijkt anders. Hij zal ook wel anders naar die griet gekeken hebben.”’
Dit is de eerste keer dat iemand de moeite neemt zich in te leven in Helmers blik en belevingswereld, waardoor zijn bestaan wordt erkend. Jaap vindt het kennelijk de inspanning waard om even als Helmer naar de wereld te kunnen kijken, om hem te begrijpen met de woorden ‘Jij bent anders’.

[...]

Copyright © 2015 Philip Huff

Uitgeverij De Bezige Bij

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum