Leesfragment: Huil maar, ik wens je uitstel toe

27 november 2015 , door Joubert Pignon
| |

Op 1 april om 20.00 uur wordt het nieuwe boek van Joubert Pignon, Huil maar, ik wens je uitstel toe, gepresenteerd bij Athenaeum Haarlem. Na zijn debuut Er gebeurde o.a. niets, schreef Pignon opnieuw een verhalenbundel. Wij publiceren de eerste zes verhalen voor. 'Soms zou ik willen dat ik pijnloos onthoofd zou worden. Hoofd en lichaam, beide nog in leven, maar gescheiden, zodat ik mijn lichaam eindelijk eens objectief kan bekijken met mijn hoofd. Om daarna met mijn lichaam mijn hoofd nonchalant een paar keer in de lucht te gooien.'

Met deze gedurfde en moorddadig geestige verhalen serveert Joubert Pignon de bekommernissen van onze tijd als het literaire equivalent van een voedzame maaltijd. Hij presenteert een prachtige salade van de moderne cultuur - fris en knapperig. Pignon brengt stedelijke omwentelingen herverteld als grensloze mythes; reisverhalen door landen mogelijk gemaakt door verbeelding; cryptische dialogen die naar beneden kronkelen langs het fundament van onze verlangens, dromen en angsten. Net als al Pignons werk zijn de in dit boek verzamelde verhalen triomfen van taal en perceptie, tegelijk verontrustend en onweerstaanbaar. Pignon is terug, met verhalen die nóg wranger, geestiger, formidabeler zijn.

N.B. We publiceerden eerder voor uit Er gebeurde o.a. niets. Lees het fragment op Athenaeum.nl.

 

Smakgeluiden

Mijn vriendin zegt dat ik snurk. Ik moet haar op haar woord geloven. Ik zeg dat ik waarschijnlijk snurk om de dood op afstand te houden. Mijn vriendin zegt dat ik haar nachtrust verpest en dat ik de komende tijd maar beneden, op de bank, moet slapen. Ze heeft mijn kussen en een deken op de bank gelegd. We zijn al meer dan acht jaar samen. Mijn vriendin zegt dat ik een oplossing voor mijn gesnurk moet vinden. Ze zegt dat ik tijdens het slapen ook vieze smakgeluiden met mijn mond maak. Die vieze smakgeluiden ken ik, daar schrik ik soms wakker van. Ik dacht altijd dat mijn vriendin de vieze smakgeluiden maakte.
Natuurlijk ben ik beledigd. Ik pak mijn kussen van de bank en smijt het terug op de bank. Ik loop met harde stappen naar de buitendeur. Voor de deur staan mensen te praten. Buurtbewoners. Ik hoor ze net op tijd praten. De deur is nog dicht. Ik durf niet naar buiten. Ik wil alle mensen op afstand houden. Ik wil geen hallo hoeven zeggen. Ik wil de mensen in alle oprechtheid kunnen negeren.
Door de brievenbus kijk ik naar de mensen. Ik wacht tot ze weggaan. Ik zit op mijn knieën voor de brievenbus en kijk naar buiten. Mijn vriendin staat boven aan de trap en maakt met haar mond provocerende smakgeluiden naar me.

Vertelde mensen

Vandaag verneemt ze voor het eerst dat ze niet bestaat. Ze vermoedde het al een tijdje. Nadat de postbode is geweest zit er tussen de gebruikelijke reclamefolders een aan haar geadresseerde brief. Ze leest wat erin staat:

Het aantal inwoners van uw woonplaats is lager dan statistici tot nu toe aannamen. Dat is gebleken bij de volkstelling van twee jaar geleden waarvan de cijfers vrijdag zijn gepresenteerd. Daaruit blijkt dat er toen 1564 mensen in uw woonplaats woonden. Dat zijn er drie minder dan het Bureau voor de Statistiek tot nu toe schatte.
De inwoners van uw woonplaats waren in 1987 voor het laatst geteld. 5,7 procent van de 1564 inwoners is buitenlander. Vrouwen zijn oververtegenwoordigd. Tegenover de 897 vrouwen staan 667 mannen. In 2021 wordt een nieuwe volkstelling gehouden. In tegenstelling tot de klassieke volkstelling, waarbij alle inwoners van een land worden benaderd, is in 2011 slechts een derde van de bevolking ondervraagd. Dat gebeurde persoonlijk of schriftelijk. Er is ook gebruikgemaakt van gegevens van de gemeentelijke bevolkingsadministraties, het register van het arbeidsbureau en andere bronnen.
Het spijt ons u te moeten mededelen dat u een van de drie mensen bent in wie we ons verteld hebben. U heeft vierentwintig uur om uw gezin in te lichten, uw werk op te zeggen en weg te gaan. Voor verdere vragen kunt u terecht op nummer xxx-xxxxxxx.

Ze laat haar arm langs haar lichaam zakken, de brief valt op de grond. Volgens haar arbeidscontract heeft ze een maand opzegtermijn. Ze draait zich om en loopt de gang door, naar de woonkamer. Haar man bladert in een tijdschrift. Hun twee dochtertjes spelen op het kleed. Ze dragen identieke paarse jurkjes. Haar moeder heeft de jurkjes uitgezocht. Ze vertelt haar man dat ze niet bestaat. Ze zegt tegen haar dochtertjes dat mama niet bestaat. Haar man zegt dat hij het altijd al vreesde, maar dat hij toch van haar houdt. Haar man wijst op twee groene koffers die bij de achterdeur staan. Ze heeft de koffers niet eerder gezien, op het eerste gezicht lijken ze nieuw.

Actiepoppetjes

Met mijn hoofd achterover in de tandartsstoel houd ik mijn mond zo ver mogelijk open. De tandarts zegt dat ik mijn mond niet zo ver open hoef te houden, ik mag hem best iets verder dichtdoen. Ze kijkt in mijn mond. Ik durf niet te ademen uit angst dat ze ruikt dat ik uit mijn mond ruik. De tandarts zegt dat ze trots op me is, ze kan zien dat ik goed poets en flos. Ze zegt dat ik nauwelijks tandplak heb.
Ik poets en flos bijna nooit, ik drink wel veel bier. Ik denk dat het koolzuur in het bier tandplak oplost. De tandarts zegt dat ik bruine vlekken op mijn tanden heb, ze vraagt of ik misschien eventueel eens zou willen overwegen te stoppen met roken. Ik adem snel in, kom een beetje omhoog met mijn hoofd en zeg dat ik pas net heb gehoord dat roken slecht voor je is, en dat ik van plan ben er morgen mee te stoppen. Ik zeg dat ik net sigaretten gekocht heb en dat ik net boven de armoedegrens leef.
Ik houd mijn hoofd weer achterover, adem in en open mijn mond weer. De tandarts zegt dat roken ook voordelen heeft. Ze prikt met een scherp voorwerp in mijn tandvlees. ‘Door het roken vernauwen je bloedvaten zich,’ zegt ze, ‘als je niet had gerookt, was je nu gaan bloeden. Rokers bloeden minder snel.’ De tandarts zegt dat ze de bruine aanslag van mijn tanden zal verwijderen. Ik doe mijn ogen dicht.

De assistente van de tandarts zegt, ergens boven mijn hoofd, dat ze laatst via internet een leuke jongen heeft ontmoet. Hij vroeg haar mee op date en stelde voor een happie te eten of een filmpie te pakken. Dat zag ze niet zitten. De assistente zei dat je elkaar dan niet echt leert kennen, omdat ze zich beiden beter voordoen dan ze eigenlijk zijn. De assistente stelde voor dat hij bij haar kwam wonen, wat hij deed. Hij zegde zijn huur op, verkocht de spullen die ze dubbel hadden, vond een nieuw baasje voor zijn katten – zij had al katten, katten samen, dat gaat vaak niet – en trok bij haar in.
In de eerste week dat ze samenwoonden noemde hij haar steeds Maartje, terwijl ze Manon heet. Ze hadden afgesproken iedere avond voor de televisie te hangen en dan te klagen dat er niets op de televisie was. Ze droegen allebei een trainingspak. Hij een grijs, zij een lila. Op zijn buik had hij een bak met chips staan. Zij at drop rechtstreeks uit de zak. Als ze samen waren, hielden ze hun buik niet in. Scheten lieten ze gewoon, in de woonkamer, in elkaars bijzijn. Sommige scheten waren zo hard dat de katten er even van opkeken. Hoewel ze in hetzelfde bed sliepen, gingen ze niet met elkaar naar bed. Soms werd ze midden in de nacht wakker en hoorde ze dat hij zich stiekem aftrok. Dan kwam hij klaar in een arme, nietsvermoedende sok die hij diezelfde dag nog had gedragen.
Na een maand kwamen ze erachter dat ze toch niet bij elkaar pasten, dat ze meer als broer en zus leefden dan als geliefden. Toen is hij het huis uit gegaan. ‘Nu woont hij bij zijn ouders,’ zegt de assistente, ‘als ik het goed begrepen heb.’

De tandarts is druk bezig met het verwijderen van de bruine aanslag. Sinds mijn laatste tandartsbezoek is de rook van minstens 4562 sigaretten langs mijn tanden gegaan.
Soms zou ik willen dat ik pijnloos onthoofd zou worden. Hoofd en lichaam, beide nog in leven, maar gescheiden, zodat ik mijn lichaam eindelijk eens objectief kan bekijken met mijn hoofd. Om daarna met mijn lichaam mijn hoofd nonchalant een paar keer in de lucht te gooien. Vangen is dan natuurlijk op de gok.
Als ik vroeger met actiepoppetjes speelde, speelde ik met allerlei soorten actiepoppetjes door elkaar: Transformers, G.I. Joe, Star Wars, mask, He-Man – ik had voor hen allemaal een plekje in de gestoorde genocideoorlog waarin ze verzeild waren geraakt. Ik deelde de actiefiguren willekeurig in twee legers in. De legers slachtten elkaar vervolgens af. De twee leiders bleven als laatsten over. Zij schoten elkaar gelijktijdig door het hoofd en waren dan allebei dood. Na een lang gevecht was iedereen dus dood. Al die moeite voor niks. Zo eindigde ieder gevecht onbeslist, maar was aan iedereen recht gedaan. Geen klachten, geen losgeld, geen urenlange onderhandelingen. Een democratische massaslachting. Daarna ruimde ik al mijn dode actiepoppetjes op in een doorzichtige plastic bak.
De tandarts zegt dat ik mijn mond iets te ver openhoud. Die mag best iets verder dicht. Voor de grap prikt ze nog een keer met een scherp voorwerp in mijn tandvlees. ‘Als je bent gestopt met roken, kan ik dit niet meer doen,’ zegt ze, ‘dan bloed je dood.’

De contouren van de oerknal

Het lukt hem niet met zijn hoofd op deze planeet te leven. Hij zit op de bank, er wordt aangebeld. De gordijnen zijn open, de televisie staat uit. Hij kijkt naar waar zijn handen moeten zijn, hij kan zijn handen niet vinden. In zijn hoofd schiet hij langs sterren en planeten, door sterrenstelsels, alle kanten op, alles tegelijk. Hij volgt de contouren van de oerknal. Schepen sneller dan het licht proberen hem bij te houden, hij bekijkt ze en is in ze geïnteresseerd. Hij ziet nieuwe kleuren en vormen en woorden. Met zijn hoofd komt hij verder en verder en alles is eindeloos. Ondertussen ploffen de rekeningen op de mat.

Vloer

Ik heb een werkruimte in een ateliercomplex. In het gebouw werken allemaal kunstenaars, en ik. Er is ook een expositieruimte in het ateliercomplex. In de expositieruimte hebben de kunstenaars de afgelopen weken aan een gezamenlijk kunstwerk gewerkt: vele meters vol geschilderd hout. De kunstenaars gaan het kunstwerk in een andere expositieruimte, verderop in de stad, exposeren.
Er wordt op mijn deur geklopt, ik zeg: ‘Binnen.’ De deur gaat open, het zijn de kunstenaars. Met z’n allen komen ze mijn werkruimte binnen. Ze gaan voor mijn schrijftafel staan en zeggen dat het kunstwerk af is. Ze zeggen dat het heel mooi is geworden. Ik loop met de kunstenaars mee naar de expositieruimte. Tegen de muren staan platen vol beschilderd hout. ‘Mooi,’ zeg ik. De kunstenaars zeggen dat de vloer erg vies geworden is. Ik kijk naar de vloer, die inderdaad erg vies is geworden. Er zit meer verf op de vloer dan op de houten platen. De kunstenaars zeggen dat ik de vloer opnieuw moet verven. Ik moet ook mijn steentje bijdragen, zeggen ze. Het kan natuurlijk niet allemaal van één kant komen.
De volgende dag loop ik van mijn huis naar het ateliercomplex. Terwijl een politiewagen voorbijrijdt, negeer ik het rode stoplicht. Als de politiewagen daar niet had gereden, was ik ook door rood gelopen. Ik wil de politie laten zien dat de burgers die ze beschermen niet hypocriet zijn.
Voor de deur van mijn werkruimte staan twee potten grijze verf, een kwast, een verfroller en een blauwe plastic bak. Erbovenop ligt een briefje. Ik lees:

Joubert,
Gebruik de kwast voor de randen en eventueel voor de naden
Zorg dat je de wanden niet vies maakt
De verf hoeft niet verdund te worden
Veeg eerst even de vloer
Begin met de randen
Eindig bij de deur
Zodat je er uit kan

Aangespoelde Vrouw

Een vrouw spoelt aan op een bewoond eiland. Overal staan huizen en flats. Het eiland heeft de zaakjes prima op orde: nergens liggen aardappelschillen en de straatverlichting werkt. Er zijn autowegen en joggers op het bewoonde eiland. De meeste joggers hebben tatoeages. De vrouw mag de mobiele telefoon van een jogger lenen. Ze belt haar beste vriendin, de vriendin vraagt waar ze zit, de vrouw vraagt het aan de jogger, de jogger zegt het tegen haar, de vrouw zegt het tegen haar vriendin, de vriendin zegt dat het eerst een uurtje rijden is, dat zij daarna nog een halfuur met de boot moet, maar dat zij haar zeker komt ophalen, geen probleem. Wel wil de vriendin van de aangespoelde vrouw eerst nog even douchen.

 

© 2015 Joubert Pignon

Uitgeverij Atlas Contact

MINDBOOKSATH : athenaeum