Leesfragment: Hyena's en de meisjes van maneschijn

27 november 2015 , door Amir Chitzan
| |

In februari en maart debuteren Andreas Oosthoek, Michiel Lieuwma, San Bos, Amir Chitzan, Sarah Meuleman en Lucas de Waard. In samenwerking met Recensieweb brengen wij uitgebreide fragmenten en zij signalementen van de boeken.

Hyena's en de meisjes van maneschijn is het debuut van Amir Chitzan. Wij brengen een fragment uit dit boek over leven in Iran.

Als Siawash zijn ogen dicht doet, kan hij de geuren van zijn jeugd nog ruiken. De bloemen in de tuin van zijn grootouders, waar hij met het weesmeisje Sari-Gol speelde. De kruiden die zijn moeder gebruikte als ze kookte. Maar ook de geur van de angst, die alles overheerste toen ayatollah Khomeini aan de macht kwam. Naast een pregnant ooggetuigenverslag van de radicale islamisering van Iran is Hyena s en demeisjes van maneschijn een prachtige maar tragische liefdesgeschiedenis. Amir Chitzan schreef,in het Nederlands, een formidabele roman die gebaseerd is op zijn eigen leven en waarin écht iets op het spel staat. Aanbevolen voor liefhebbers van het werk van Kader Abdolah en Khaled Hosseini

 

Die nacht leek Teheran onder een onaangekondigde staat van beleg te liggen. Na een reeks controleposten ontweken te hebben, parkeerde ik mijn auto bij het kerkhof van de Sint Sarkis-kerk, wendde me tot Sari-Gol en mompelde haar naam. We wisselden een onzekere blik en openden de portieren. Buiten deed Sari-Gol haar chador af, bond hem om haar middel en we sprongen over een stenen omheining. Op het erf nam ik in een flits alles om me heen op: het grote kruis, de schaduw van twee spitse torens op het glimmende asfalt, het glas-in-loodraam in de gevel, de smalle lange ramen blinkend in de maneschijn, de treurwilg trillend door een bries. Sari-Gol zocht mijn hand en we baanden ons een weg tussen de grafzerken door. Ergens waar we uitzicht op de binnenhof hadden maakte ze haar chador los, gooide hem op een steen en ging zitten. Ze draaide haar hoofd om en tuurde naar een gedempt licht in de hoek van het kerkhof.
‘Koster Edwards is nog wakker,’ zei ze en ze depte haar voorhoofd. ‘Zal hij ons bescherming bieden?’
‘Wat mij betreft zijn we hier veiliger dan bij die bijbelman,’ antwoordde ik. ‘Los van het feit dat ik zijn overtuiging niet deel,’ voegde ik eraan toe en ik had meteen spijt van de toon van mijn woorden.
‘We hebben de situatie niet in de hand,’ zei ze.
Ik vroeg me af waarom we bij de koster zouden moeten aankloppen als we alleen nog maar op het ochtendlicht hoefden te wachten.
‘We brengen een vreemde in verlegenheid. Niet?’
‘Volkomen waar,’ antwoordde ze met een uitdrukkingsloos gezicht. Ze kromp ineen, trok haar knieën tegen haar borst en wiegde haar bovenlichaam ongedurig heen en weer. Ik pakte haar handen vast en kroop dichter tegen haar aan.
‘Je bent gloeiend heet, Sari-Gol. Je zult wel dorst hebben.’
Ze trok haar handen terug, alsof mijn aanraking haar te veel was.
‘Vergeef me mijn toestand, Siawash,’ zei ze en ze rommelde in haar tas, op zoek naar haar sigaretten.
‘Je hebt koorts,’ zei ik vermanend. ‘Je lichaam heeft eerder vocht nodig.’
‘Ik heb nog maar één sigaret.’
‘Roken kan straks wel,’ stelde ik voor en meteen ging mijn aandacht naar een lichtstraal achter haar.
Sari-Gol volgde mijn blik en we keken naar een auto die op de weg stopte. Twee koplampen schenen in het duister door de struiken langs ons heen. De gedachte dat iemand ons op de hielen zat hield ons scherp. De portieren van de auto gingen open.
‘Er stappen mensen uit,’ fluisterde ik.
Sari-Gol deed een poging om overeind te komen. Ze draaide zich om en raapte haar chador op.
‘Misschien kunnen we beter het kerkhof verlaten.’
‘Durf je een graf in?’ vroeg ik alsof ik haar niet had gehoord. Er was geen tijd om iets anders te bedenken. Ze keek me met holle ogen aan en maakte een onbestemde armbeweging. Ik trok haar mee en leidde haar verder over de begraafplaats. Bij een opening bukte ik en liet mijn benen naar beneden glijden. Sari-Gol aarzelde, ze zat gehurkt naast een hoop aarde. Ze was te zwak om zich te verzetten of op eigen kracht rechtop te staan. ‘Ik heb het benauwd,’ fluisterde ze zo zacht mogelijk. ‘Desnoods blijf ik hier zitten.’
‘Geef me je chador,’ zei ik en ik besteedde niet veel aandacht aan wat ze zei.
Ze gooide haar chador naar mij toe. Ik legde hem op de grond en kwam half overeind om haar op te vangen. Sari-Gol sloeg prevelend een kruis en liet zich in mijn armen glijden. Ik schoof wat op, leunend tegen de vochtige wand. Ze drukte zich tegen me aan en legde haar hoofd op mijn schouder. Een paar minuten later hoorden we dat er een gaspedaal werd ingedrukt. ‘Ze rijden weg.’
‘Ja, ze rijden weg.’
Onze aandacht werd getrokken door overvliegende vogels. Hun gekwetter wiste het geruis van de uitlaatpijp uit. Ik keek omhoog en onderdrukte de neiging om te schreeuwen. Als reactie op mijn ingehouden stem haalde Sari-Gol een ketting tevoorschijn waarvan het kruisje onder haar blouse verborgen zat. Ze klemde het in haar vuist en legde het op haar borst. Kort daarna stak ze haar enige sigaret op. Pas bij het licht van de aansteker kon ik de grafwanden zien. Ze liet een snuivend geluid horen.
‘Verzet, hm,’ zei ze en ze blies de rook uit. ‘Dit verzet is ten dode opgeschreven.’
Ik knikte. ‘We hadden niet op onze papieren moeten wachten.’
‘Laat die verdomde papieren zitten,’ reageerde ze met een ernstig gezicht. ‘Wat moeten we nu?’ vroeg ze direct daarop.
‘We overnachten hier. Morgen zien we wel.’
Ze rookte haar sigaret op en sloot haar ogen. Ik had het gevoel dat de stilte haar te veel werd.
‘Zeg iets dorstlessends,’ zei ze.
Ik zuchtte om de stilte te doorbreken. Sari-Gol zei: ‘Praat tegen me.’ Ik wilde haar afleiden en zocht naar woorden die een beroep deden op haar verbeelding. Ik liet haar een ander beeld van de wereld om ons heen zien. De maan als een zilveren munt, de sterren als een handvol parels, de hemel als een blauwe deken. Ik fluisterde een liedje dat we ooit samen zongen, lang geleden, hand in hand, toen we huppelend door de buitenwijken van Ahwaz liepen. ‘Wind, wind, wind... dool, dool, dool...’ Sari-Gol zakte dieper weg in mijn armen. Ik vermoedde dat ze in slaapwas gevallen door het web van woorden dat ik om haar heen had gesponnen. De minuten verstreken. De spanning gleed niet van mij af. Ik kon niets anders dan naar de hemel kijken. Ik dacht terug aan de middag. Aan de bonzende geluiden als paukenslagen tegen de deur en aan de schrik waarmee we uit bed sprongen en de straat op gingen. Aan het gesprek in de auto over de vraag waar we heen moesten, de twijfel en aan de angstige momenten die daarop volgden.
Ik had het te warm, die zwoele augustusnacht met een koortsige Sari-Gol in mijn armen. Het graf leek wel een zoutmijn. De lucht die ik inademde leek gevuld te zijn met zoutkorrels. Mijn nek werd heet door Sari-Gols adem. Ik legde mijn hand op haar bezwete voorhoofd, voelde haar pols en wekte haar. Ze hield haar hoofd rechtop en keek mij met half dichtgeknepen ogen aan. Ik zei dat haar polsslag hoog was en voegde eraan toe dat er ergens op het kerkhof een kraan te vinden moest zijn, misschien bij het kostershuis of achter de schuur. Ze mompelde dat haar sigaretten op waren. Ik bood haar mijn pakje aan.
‘Je tabak prikt in mijn keel,’ zei ze met toonloze stem.
‘Als ik me niet vergis, hebben we water in de auto.’
‘Ik wil niet dat je naar de auto gaat,’ onderbrak ze me dwingend. ‘Dat verbied ik je.’ Ze omstrengelde mijn vingers en probeerde mijn aandacht op iets anders te vestigen. ‘Blijf bij me,’ zei ze met een zachte hese stem. ‘Morgen gaan we samen weg.’
‘Je moet wat drinken. Je koorts stijgt, Sari-Gol. Er moet ergens een kraan zijn.’
Ik trachtte overeind te komen. Ze trok aan mijn arm.
‘Wat ben je van plan? Je laat me hier toch niet alleen achter.’
Ik sloeg mijn armen om haar heen.
‘Ik laat je niet in de steek. Ik ga water halen.’
‘De dorst kan me niet schelen, Siawash. Laat mij niet achter in dit zwarte gat.’
‘Steek een sigaret op. Ik ben zo terug.’
Haar blik verstarde toen ik haar schouders losliet.
‘Voordat mijn sigaret opgerookt is moet je terug zijn.’
Ik glipte het graf uit en laveerde gebukt tussen de zerken door. Bij de ingang van de kerk draaide ik mij om en zag dat Sari-Gol haar sigaret aanstak. Ik kon nog net het lichtje zien dat van de aansteker moest zijn, een oranje schijnsel dat de rand van het graf bescheen. Er kroop een sliert sigarettenrook omhoog. Het lichtje doofde en mijn wereld werd zwart. Een flinke hoestbui golfde over het kerkhof en vermengde zich met het klikken van de ontgrendeling van een geweer.
‘Daar! Daar!’ riep iemand.
‘Waar?’
Schaduwen verschenen vanuit de straat waar onze Fiat geparkeerd was. Een lichtstraal schoot door het duister en richtte zich naar het open graf. Een ander licht volgde. Ik deed een paar stappen naar Sari-Gol maar de zaklantaarns waren sneller. Ik verstopte me achter de struiken, luisterend naar andere kalasjnikovs die ontgrendeld werden. De gestalten spraken met elkaar en haastten zich naar het geluid. Sari-Gol hoestte zich de longen uit haar lijf. Ik kromp ineen. Twee lichtstralen gingen uit elkaar en kruisten elkaar weer tot ze het graf vonden. Bij de omsingeling kwamen de lichten tot stilstand. De opening werd zo helder als de dag. Sari-Gol hoestte nog steeds. Ik liep gebukt naar het kostershuis en leunde tegen de muur.
‘Sta op!’
‘Laat je handen zien!’
Sari-Gol stond op met haar armen omhooggestoken. Ze zei iets over haar inhalator en draaide met haar bovenlichaam alsof ze mij zocht. Toen werden haar armen vastgegrepen. Een lichtbundel bescheen haar. Ik kon haar dijen door haar doorschijnende jurk zien.
‘Tippel je hier?’ vroeg een stem.
Een bewegend licht verblindde haar.
‘Ik ben niet wat u denkt,’ kon ze nauwelijks uitbrengen en een eerste klap werd uitgedeeld.
‘Je bent eerloos!’ gromde iemand en de kolf van een kalasjnikov trof haar rug. ‘Hoe heet je?’
Sari-Gol zei haar naam.
‘Hoe heet je echt?’ klonk het bits en bij de tweede klap zakte ze in elkaar.
De lichten doofden. Op een steenworp afstand zag ik een silhouet dat door het trappen van de mannen heen en weer schoot. ‘Je weet dat ik je zie. Je weet dat ik je hoor.’ Ze zei met een zwakke stem dat ze niet kon ademen. ‘Ik weet dat je aan me denkt. Ik voel wat jij voelt.’ Ze had niet de kracht om overeind te komen, was zelfs niet in staat zich met haar hand af te weren. Ik balde mijn handen tot vuisten.
‘Wat ben je met haar van plan?’
‘Neem haar mee.’
Een hand greep haar bij het haar. In het vage licht kon ik zien dat haar kaken waren opengesperd en haar nek was gedraaid. Ze strompelde over het pad en werd genadeloos meegesleurd. Ik hoorde de kreet die ze uitstootte. Haar stem brak en doofde in een verstikt geluid. Ze werd opgetild en op de achterbank van het voertuig gesmeten. Door de struiken heen deed ik een paar stappen in haar richting. De auto startte en ze verdween. Ik had mijn trillen niet onder controle. Ik rook haar geur, sleepte me voort en volgde het spoor. Ik liet me zakken in het gat en pakte haar inhalator, het kruisje en haar chador, die de warmte van haar lichaam nog droeg. De kerk draaide.

 

© Amir Chitzan

Uitgeverij  Querido

MINDBOOKSATH : athenaeum