Leesfragment: In het licht van wat wij weten

27 november 2015 , door Zia Haider Rahman
|

Zia Haider Rahman schreef In het licht van wat wij weten (In the Light of What We Know, vertaald door Anne Jongeling en Carla Hazewindus). Op Athenaeum.nl staat een leesfragment.
'Als vriendschap een prijs heeft, dan is het misschien dat er in de kern daarvan altijd sprake is van een schuldgevoel. Ik wil niet ontkennen dat ik tekortgeschoten ben in bepaalde opzichten, zoals steun bieden op momenten dat het nodig was of er zijn als vriend. Dat ik gefaald heb als vriend.'

Londen, september 2008, een zonnige ochtend, een fraai huis in South Kensington. De bewoner ervan is investeringsbankier. Hij nadert de veertig, zijn carrière staat op springen, zijn huwelijk is in het slop geraakt. Aan de deur van zijn huis meldt zich een onverwachte bezoeker, een man van een jaar of vijftig, afkomstig uit Zuidoost-Azië, zo lijkt het, morsig gekleed.
Het duurt even voor de bankier in hem zijn verloren vriend Zafar herkent, in zijn studietijd al een briljant wiskundige, die jaren geleden onder vreemde omstandigheden van de aardbodem verdween. Eenmaal binnen begint Zafar aan het verhaal dat duidelijk maakt waarom hij is teruggekeerd: om een bekentenis af te leggen van verbijsterende proporties.
Wat volgt is de geschiedenis van twee gezworen kameraden, die onafscheidelijk zijn totdat de een de ander verraadt. Hun gesprek dat in de intimiteit van de huiskamer begint, vertakt zich over de hele wereld. In het licht van wat wij weten gaat over bijna alles wat onze tijd definieert. Het gaat over wiskunde, filosofie, ballingschap, oorlog, geld, speculatie, hebzucht, geopolitiek, islamitisch terrorisme, westers paternalisme, financiële crisis.

De geschiedenis van Zafar en zijn vriend voert ons naar New York, Kabul, Londen, Islamabad, Bangladesh, Wall Street, Oxford. Het is een wervelend, schokkend en soms ontluisterend epos over de grote thema's van het leven: liefde, afkomst, bezit, klasse, oorlog, geloof, dood - en met het eeuwenoude verhaal van de band tussen vrienden en geliefden en het verraad van de een tegenover de ander.
In het licht van wat wij weten is in de literaire pers jubelend onthaald en vergeleken met grote boeken uit de wereldliteratuur.

Zia Haider Rahman is in Bangladesh geboren en is opgeleid aan Balliol College, Oxford en aan de universiteiten van Cambridge, München en Yale. Hij heeft als investeringsbankier op Wall Street gewerkt en is nu als jurist internationaal actief op het gebied van de mensenrechten. In het licht van wat wij weten is zijn literaire debuut.

 

1

[...]

Mijn eigen vader heeft mij sympathie bijgebracht voor de spiritualiteit van het geloof, zonder concessies te doen aan de autoriteit van de wetenschap. Mijn vader is moslim, maar niet fanatiek. Zijn deelname aan het vrijdaggebed heeft voor hem vooral een sociale functie, een ritueel waarmee hij de band met zijn afkomst onderhoudt. Sommige van zijn contacten zijn door de afstand en in de loop der jaren verwaterd, andere heeft hij met opzet verbroken omdat hij wilde dat zijn zoon in het Westen zou aarden. Afgezien van het vrijdagritueel, bidt mijn vader niet, zelfs niet één keer per dag, en hij heeft zich nooit schuldig gevoeld omdat hij alcohol drinkt. Al bewaart hij alcohol alleen voor speciale gelegenheden: Als iemand gedoopt wordt en bij bar mitswa’s, zegt hij dan. Of hij pakt een fles vijftien jaar oude single malt whisky uit de kast en zegt: Deze whisky heeft nu precies de juiste leeftijd. Laten we hem maar dopen in de naam van de vader en de zoon.

Ondanks deze kleine zondetjes, die in Pakistan eerlijk gezegd een grote traditie kennen, welke teruggaat tot de grondlegger van het land, Jinnah, die erom bekendstond dat hij ook niet vies was van een glas whisky, beschouwt mijn vader zichzelf als een gelovige. Toen ik hem een keer vroeg hoe een fysicus in God kon geloven, zei hij dat de fysica niet alles kon verklaren en ook geen antwoord gaf op de vraag: waarom precies deze wetten en geen andere? Voor hem was het voldoende om de wereld te zien zoals hij is. En hij zei ook dat ik zelf maar moest uitmaken of het geloof in de wetenschap voldoende was voor mij.
Mijn moeder had echter alleen maar minachting voor religies. Volgens haar zeggen onderdrukte de islam vrouwen en zette mensen ertoe aan hun ellendige bestaan op deze aarde te aanvaarden, in het vooruitzicht op een heerlijk leven na de dood. Aan haar was dit soort opium niet besteed.
Zafars moeder vond ik interessanter dan zijn vader. Nu ik dit opschrijf moet ik denken aan een artikel dat ik ooit tegenkwam in een tijdschrift bij mijn ouders thuis en dat inmiddels op internet staat. Het artikel was van de hand van de primatoloog Frans de Waal en gaat over zijn onderzoek naar herkenning van verwanten. De Waal en zijn collega Lisa Parr gaven chimpansees de opdracht digitale portretten van onbekende vrouwelijke chimpansees te combineren met hun jongen. Verbazingwekkend genoeg bleken de chimpansees in staat verwantschap te zien, zonder dat ze de andere chimpansees kenden.
Ik weet zeker dat als ze mij dezelfde opdracht hadden gegeven, ik Zafar nooit met zijn moeder in verband had gebracht, ik zag geen enkele gelijkenis tussen hen. Wel leek hij op zijn vader: dezelfde zachte ogen, het ronde gezicht en de typisch schuine houding van het hoofd. Maar zijn moeder was een ander geval, met haar priemende blik, lange, smalle gezicht en strakke mond.
We zien een gezicht als een geheel, doordat de afzonderlijke delen worden samengevoegd, een proces dat zich volgens sommige wetenschappers en medici afspeelt in de oogzenuwen voordat het signaal de hersens bereikt. De duizelingwekkende hoeveelheid informatie waarmee de retina wordt gebombardeerd, wordt in de vezels achter het oog in hapklare brokken verdeeld zodat ons brein het kan verwerken. Als we een serie letters zien, zoals op een reclamebord, lezen we het woord in zijn geheel en niet de afzonderlijke letters. We herkennen onmiddellijk het woordbeeld, en de betekenis. Toen ik daar stond op die juni-ochtend in Oxford zag ik geen gelijkenis tussen mijn vriend en zijn moeder. Alsof hun gezichten allebei in een verschillende taal waren geschreven.
Ik heb er nog steeds spijt van dat ik niet met ze in Headington ben gaan ontbijten. Op dat moment, en ook nog kort daarna, hield ik mezelf voor dat mijn vriend eigenlijk niet wilde dat ik meeging. Maar de waarheid is dat ik me schaamde voor mijn vriend. En verontrustender was nog dat ik in die korte tijd het gevoel kreeg dat er een verwijdering tussen mijn vriend en mij was ontstaan, hoewel ik niet precies wist waarom. Na die dag had Zafar het nooit meer over zijn ouders. Als vriendschap een prijs heeft, dan is het misschien dat er in de kern daarvan altijd sprake is van een schuldgevoel. Ik wil niet ontkennen dat ik tekortgeschoten ben in bepaalde opzichten, zoals steun bieden op momenten dat het nodig was of er zijn als vriend. Dat ik gefaald heb als vriend. Maar mijn spijt over de dingen die ik niet heb gedaan, vallen in het niet bij het schuldgevoel vanwege een door mij begane schanddaad die grote gevolgen heeft gehad.
Maar goed, het is niet alleen uit schuldgevoel dat ik nu aan mijn bureau zit om met pen en papier rekenschap te geven van Zafars verhaal, mijn rol daarin en onze vriendschap. Eigenlijk is dit allemaal niet in woorden samen te vatten, maar ik hoop dat het gaandeweg vorm zal krijgen. Alles valt op zijn plaats – hoe het zou moeten zijn – als ik denk aan de oude obsessie van mijn vriend. Het gaat om een stelling die wel wordt omschreven als de grootste wiskundige ontdekking van de vorige eeuw. De inhoud is echter eenvoudig samen te vatten: hoe ver onze kennis ook zal reiken, dat wat waar is, is oneindig veel groter, en dat gaat zelfs op voor de wiskunde. In bepaald opzicht ben ik dus bezig iets te willen ontdekken, zonder de zekerheid of het wel ontdekt kan worden.

Toen mijn sjofele vriend bij ons voor de deur stond en de naam van Gödel duidelijk en correct uitsprak, moest ik onmiddellijk denken aan die mooie zondagmiddag in New York toen ik tegen Zafar zei dat ik hem op het gebied van de wiskunde had ingehaald. Ik ging ervan uit dat zijn kennis van de wiskunde wat was weggezakt, want nadat hij de hoogste graad had gehaald in Oxford, was hij helemaal van de wiskunde afgestapt om tot ieders verbazing aan Harvard rechten te gaan studeren. Ikzelf was nadat ik mijn derde jaar had afgerond en vervolgens een jaar vrij had genomen, verdergegaan met economie en toegepaste wiskunde.
Toen we op die zondag, al die jaren geleden, door die lommerrijke straat in Greenwich Village liepen en ik die opmerking maakte, reageerde hij op een nogal cryptische manier door te zeggen dat de wiskunde zoveel schoonheid bevatte. Ik kon het niet laten om te vragen wat het mooiste was dat hij op het gebied van de wiskunde was tegengekomen. Misschien was het wel zijn bedoeling dat ik dit zou vragen, ik weet het niet. Zonder aarzelen noemde hij de Onvolledigheidsstelling van Gödel, en hoewel ik de stelling goed genoeg kende, begreep ik niet waarom hij nu uitgerekend deze zo mooi vond. De stelling luidt: binnen elk systeem zijn er beweringen die waar zijn, maar waar niet van bewezen kan worden dat ze waar zijn. Heel eenvoudig. Maar de consequenties van deze stelling zijn onthutsend. Enige tijd later, dat wil zeggen in de weken na zijn plotselinge verschijning voor onze deur, jaren na die julidag in New York, legde Zafar me in eenvoudige bewoordingen uit waarom Gödels Onvolledigheidsstelling zoveel voor hem betekende en waarom, als ik even mijn eigen visie erop mag loslaten, de wereld zo dom was om die in een tijdperk van dogma’s te negeren.
Tijdens die wandeling in New York had ik het gevoel dat de schoonheid die hij hierin zag misschien eerder te maken had met het bewijs van de stelling dan met de stelling zelf. Ik kon me het bewijs van Gödels stelling niet meer herinneren – ik weet niet eens zeker of ik die eigenlijk ooit gekend heb – en ik ging ervan uit dat Zafar die kennis ook niet meer paraat had omdat hij al jaren daarvoor met wiskunde was opgehouden. Natuurlijk had ik het mis, want toen ik hem vroeg hoe het ook alweer zat, begon hij als een opgewonden kind het bewijs uit te leggen, waarbij hij alsof het een puzzel was de ogenschijnlijk irrelevante stukjes in de hoeken legde. Hij had nog maar een paar van die stukjes neergelegd toen ik plotseling een fragmentarisch beeld van het bewijs zag oprijzen. Op dat moment ervoer ik iets van schoonheid, maar helaas in zo’n prematuur stadium dat ik nog steeds niet weet of ik het nou begreep of dat ik me gewoon liet meeslepen door de euforie van mijn vriend. Daarna werd zijn bezielde uiteenzetting onderbroken omdat we een collega tegenkwamen en we ons gesprek niet konden voortzetten.
We hebben heel veel wandelingen door New York gemaakt omdat ik daar vrijwel elke maand voor zaken kwam, en later maakten we ook voettochten door Londen. Veel van die wandelingen herinner ik me nog steeds, maar behalve deze zijn er nog twee andere die er echt uit springen.
De eerste was in de buurt van Wall Street, en hoewel die wandeling niet van heel veel belang is voor het verhaal over Zafar, denk ik daar nog altijd met veel genegenheid aan terug, ondanks de huidige omstandigheden. Het grootste gedeelte van de wandeling hielp mijn vriend me met een gedicht van E.E. Cummings, ‘Somewhere I have never travelled’, uit het hoofd te leren. Hij sprak over het ritme en de cadans en analyseerde de opgeroepen beelden. Hij kon geweldig goed gedichten onthouden en toen ik hem had gevraagd om een gedicht waarmee ik het meisje dat mijn vrouw zou worden, het hof kon maken, kwam hij met dit gedicht op de proppen.
De tweede wandeling verliep heel anders, verwarrend, omdat ik toen een kant van Zafar te zien kreeg waar ik tot dan toe geen flauw idee van had gehad, terwijl ik hem toch al bijna tien jaar kende. Het was in 1996 en mijn vrouw en ik hadden zojuist ons nieuwe huis in South Kensington betrokken. Zafar was net terug uit New York en woonde in Londen. Aan het einde van de werkdag, met de stropdassen losjes om onze nek, gingen we iets drinken in een pub in Notting Hill. We zagen elkaar inmiddels niet meer zo vaak. Ik dronk een paar biertjes en Zafar bestelde zoals gewoonlijk één glas champagne. Dat lijkt misschien aanstellerig, maar het kwam alleen maar omdat Zafar niet tegen drank kon, en niet van alcohol hield. Hij legde me uit dat champagne hem wel beviel omdat het leek op priklimonade, maar zonder dat hij last kreeg van zijn maag. Op de universiteit werd hij hierom natuurlijk weleens uitgelachen, maar achteraf gezien denk ik dat iedereen deze gewoonte als een aandoenlijk trekje van hem beschouwde.
Na een uurtje verlieten we de pub en liepen over Portobello Road naar het kruispunt waar we afscheid zouden nemen. Ik was van plan met een taxi naar huis te gaan en hij ging naar Emily. Later kwam ik erachter dat hij toen al hevige problemen met Emily had, en ik snap nog steeds niet dat we het daar tijdens ons gesprek in de pub niet over hebben gehad.
Opeens riep iemand: Hé, gast!
Zafar en ik draaiden ons om en zagen twee mannen tegen een heining staan, die onze kant op keken. Ze hadden allebei een kaalgeschoren hoofd, spijkerbroek en sportschoolspieren. De man die naar ons had geroepen, was een stuk langer dan zijn kompaan en hij droeg geen jas, alleen een wit t-shirt. De tweede man had een leren jack aan dat het zwembandje om zijn taille nauwelijks kon verhullen. De lange man in het witte t-shirt, duidelijk het alfamannetje van het stel, staarde naar mijn vriend met een ongelovige uitdrukking op zijn gezicht.
Spreek je Engels? vroeg hij aan Zafar.
Zafar keek hem aan, draaide zijn hoofd naar de kleinere man en toen weer naar de bullebak, en zei toen met een perfect bekakt accent: ‘Het spijt me vreselijk. Geen lettergreep. Goedendag.’
Zafar pakte me bij de arm en we liepen door. Met gedempte stem vroeg ik: Wat was dat nou verdomme? Zafar zei dat ik vanaf de plek waar ik stond niet kon zien wat hij had gezien.
En wat was dat dan? vroeg ik.
De schouder van de man met het witte t-shirt, zei hij.
Hoezo? Had hij zijn mouw dan opgestroopt?
Ja, en hij had een tatoeage met een hakenkuis, en daaronder C18.
Ik wist waar een hakenkruis voor stond, maar C18 zei me niets.
Zafar legde me uit dat C18 stond voor Combat 18. De 1 correspondeerde met de eerste letter van het alfabet en de 8 met de achtste.
Dus?
AH zijn de initialen van Adolf Hitler en Combat 18 is een beruchte en gewelddadige neonazibeweging.
O, zei ik sullig.
Na nog een eindje lopen sloeg Zafar plotseling een zijstraatje van Portobello Road in, met de opmerking dat hij een omweggetje wilde maken. Ik vond dat wel een beetje vreemd; hij zou bij Emily gaan eten en hij was al aan de late kant.
Halverwege het doodstille straatje hoorde ik voetstappen achter ons en toen ik mijn hoofd omdraaide zag ik dat de skinheads achter ons aan kwamen. Zafar zei dat ik niks moest zeggen en hij bleef staan. De twee mannen liepen naar ons toe.
Ben je soms de leukste thuis? zei de man in het witte t-shirt tegen Zafar. Een echt bijdehandje, hè? Vuile vieze Paki.
Bent u een racist? vroeg Zafar.
Grote bek?
Zafar reageerde niet, keek mij aan en zei: Zie je de schouder van deze meneer?
Ik keek naar de schouder en de man zelf ook.
In een oogwenk lag de t-shirtman hoestend en half stikkend op de grond. Hij greep naar zijn keel en bracht een afschuwelijk rochelend geluid voort.
De man in het leren jack wist niet hoe hij het had. Zafar keek hem aan.
Ik heb uw vriend een klap op zijn strot gegeven, zei Zafar. U kunt ook met mij gaan vechten, maar ik zou u aanraden hulp te zoeken en uw vriend te redden.
De man verroerde geen vin.
Hebt u een mobieltje? vroeg Zafar.
De man knikte.
Zafar pakte me bij de arm en we liepen verder door het straatje. Achter ons hoorde ik de gierende ademhaling van de man op de grond en het brabbelen van zijn vriend in het mobieltje. Ik was verbijsterd.
Toen we weer op Portobello Road waren, vroeg ik Zafar of hij dacht dat ze naar de politie zouden gaan.
Als ze dit aangeven mag de politie kiezen tussen het woord van twee mannen in een net pak, twee dociele Zuid-Aziaten, en het woord van twee skinheads, eentje met een hakenkruis en een tatoeage met Combat 18. Denk je nou echt dat ze zouden denken dat wij een gevecht hebben uitgelokt?
We namen afscheid van elkaar. Pas later, toen ik me dit voorval herinnerde, vroeg ik me bepaalde dingen af. Was Zafar dat stille straatje in gegaan om de skinheads te ontlopen, of juist om de confrontatie met hen aan te gaan?
Op die avond in 1996 zag ik een kant van Zafar die ik niet kende en ik wist niet wat ik ermee aan moest. Het leek een volkomen krankzinnig voorval, maar toch was het echt gebeurd. Als ik dit verhaal van iemand anders had gehoord, had ik het niet geloofd.

 

© Zia Haider Rahman, 2014
© Vertaling uit het Engels: Anne Jongeling en Carla Hazewindus, 2015
© Nederlandse uitgave: Hollands Diep, Amsterdam 2015

Hollands Diep Uitgevers

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum