Leesfragment: In moerassen en donkere wouden

15 februari 2015 , door Tacitus
| | | |

Het is Week van de Klassieken, en een van de belangrijkste nieuwe titels is Vincent Huninks vertaling van Tacitus' Nederlandse passages: In moerassen en donkere wouden. De Romeinen in Germanië, met toelichtingen van Jona Lendering. Fragment! ‘Op de eerste dag van onze samenkomst maakte ik aanstalten een zwaard in mijn borst te steken, maar mijn vrienden gristen het me uit handen. Waarom eigenlijk? Hoe kortzichtig van jullie! Die man die het me dat zwaard voorhield handelde beter. Toonde meer genegenheid.’

 

Tacitus beschrijft in zijn grote geschiedwerken meestal de politieke realiteit. Daarnaast richt hij zijn aandacht op onherbergzaam gebied aan de randen van het rijk, waar een beschaafde Romein eigenlijk niets te zoeken had. Lezen we Tacitus' teksten in één bundel bij elkaar, dan ontstaat een uniek beeld van het barre, noordelijke deel van Europa in de Romeinse tijd.

Dit boek, dat vertalingen bevat van delen uit Annalen, Historiën, Germanen en Agricola biedt een gedetailleerde beschrijving van de Germanen en het gebied waar ze wonen. En van Romeinse militaire avonturen in dat deel van het rijk. In moerassen en donkere wouden laat zien dat de Germanen primitieve, bierdrinkende dobbelaars zijn. Maar ook onvervaarde krijgers, voor wie de Romeinen maar beter kunnen oppassen. Tacitus vertelt over muiterijen en opstanden, ook binnen de Romeinse legioenen, over wrede moordpartijen en complotten in de woeste landen voor en achter de Rijn. Geen wonder dat Rome daarop nooit volledig greep kreeg... 

N.B. In moerassen en donkere wouden heeft, vanaf de Week van de Klassieken tot en met 18 april, een introductieprijs van € 15,-. Plus: bij verschijning van zijn vertaling van Tacitus' Historiën, interviewden we Vincent Hunink. Lees het terug op Athenaeum.nl.

3. Opstand van legioenen aan de Rijn [Annalen 1,31-49] [14 n.Chr.]

Geschreven tijdens de regering van keizer Trajanus en gepubliceerd rond 120 n.Chr., zijn de Annalen Tacitus’ laatste werk. Afgezien van Brittannië, waar keizer Hadrianus in deze tijd het bevel zou geven een muur te bouwen om beschaving en barbarij te scheiden, was de noordelijke limes overal voltooid. Met de stammen aan de overzijde van de Rijn waren verdragen gesloten, terwijl de Galliërs en Germanen binnen het wereldrijk golden als geromaniseerd en betrouwbaar. De rust in de provincies, die in Hadrianus’ propaganda werd benadrukt, was reëel.
Het barbaarse karakter van Romes noorderburen, dat in het
Dossier Germanië zo’n voornaam motief is, is daarom niet zo belangrijk in de Annalen. Hierin is het thema vooral hoe een eervol man zich gedraagt onder moeilijke omstandigheden. Tacitus’ held is Germanicus, die te maken heeft met – ongeveer in deze volgorde – muitende soldaten, de door Tacitus als tiranniek getypeerde keizer Tiberius en een lastige vijand in het Overrijnse. Zeker de soldaten komen er slecht vanaf, zoals vooral in het volgende hoofdstuk zal blijken.
De Annalen beginnen met de dood van keizer Augustus in het najaar van 14 n.Chr. en de troonbestijging van Tiberius. Op verschillende plaatsen zijn de soldaten onrustig: eerst in Pannonië (het huidige Oostenrijk/Hongarije), dan in Opper-Germanië (in Mainz) en in Neder-Germanië (vooral bij ‘het Altaar van de Ubiërs’ ofwel Keulen) en tot slot bij de Chauci. Germanicus weet, door wat concessies te doen, de rust te herstellen.
Deze Germanicus, een zoon van Drusus, was geadopteerd door Tiberius. Meer dan bij ons bepaalde in de Oudheid iemands afkomst wie hij was, en dat gold zeker in voorname kringen. Vandaar dat Tacitus in het onderstaande verschillende keren wijst op de voorname afstamming van Germanicus en zijn echtgenote Agrippina.
Een ander aspect in Tacitus’ presentatie dat de moderne lezer als vreemd kan ervaren is de toespraak die hij Germanicus in de mond legt. In de Oudheid speelden toespraken een belangrijke rol bij zowel beraadslagingen als het presenteren van besluiten – veel alternatieven waren er immers niet. Vrijwel zonder uitzondering leggen antieke auteurs, als ze de afwegingen van hun personages moeten beschrijven of als ze mensen presenteren die anderen moeten overtuigen, hun redevoeringen in de mond. Dat de zo gepresenteerde sprekers ook werkelijk in het openbaar hebben gesproken, is aannemelijk; dat de woorden van de redevoering authentiek zijn, is daarentegen twijfelachtig. Tacitus’
Annalen hebben zo bezien iets van een toneelstuk, met op de achtergrond een dreigend decor: het woeste Germanië.

[...]

(40) Alom klinken verwijten, in die benarde situatie, aan het adres van Germanicus. Waarom ging hij niet door naar het Opper-leger? Daar waren ze gehoorzaam, daar was hulp tegen de oproerkraaiers! Die ontslagrondes en gratificaties en halfzachte maatregelen: verkeerd beleid, de maat was vol. Goed, misschien hechtte hij zelf niet aan zijn leven. Maar waarom hield hij dan zijn zoontje, zijn zwangere vrouw bij die razende meute, die schenders van alle menselijke recht? Minstens zij moesten terug naar grootvader en staat.

Hij aarzelde lang, zijn vrouw weigerde. Een nakomeling van Augustus was ze, verklaarde zij luid, geen familie die wegdook voor gevaar. Onder tranen kuste hij haar buik, hun beider zoontje, en wist haar zo ten slotte te bewegen tot vertrek.

Daar gingen ze, een bedroevende damesstoet: een vluchtende generaalsvrouw, kleintje op de arm, omringd door jammerklagende eega’s van zijn vrienden, want zij moesten meteen mee. En bij de achterblijvers al evenveel treurnis.

(41) Het bood niet bepaald de aanblik van een Caesar op zijn hoogtepunt en in eigen kamp, meer die van een ingenomen stad. Het geween en gesteun trok zelfs de volle aandacht van soldaten. Die komen de tenten uit. Huilgeluiden? Zo’n droeve uittocht, hoezo? Dames van stand, zonder centurio of soldaat ter beveiliging, met niets generaalsvrouw-achtigs, niet het normale gevolg. En dan zo richting Treveren, naar buitenlandse hoede?

Schaamte. Gevoel van mededogen. Gedachten die teruggaan naar haar vader Agrippa en grootvader Augustus. Haar schoonvader Drusus. Zijzelf gezegend moeder, toonbeeld van fatsoen. En haar kindje, geboren in het legerkamp, was grootgebracht bij de legioenstenten: ‘Laarsjes’ [Caligula] noemden ze hem, een soldatenwoord, omdat hij die meestal aan zijn voeten kreeg om de manschappen voor hem in te nemen.

Maar niets deed hen zoveel als afgunst jegens de Treveren. Ze smeken haar, houden haar tegen. Terug moest ze, ze moest blijven! Een deel loopt Agrippina tegemoet, het merendeel keert terug naar Germanicus. En die steekt, vol verse bitterheid en woede te midden van de omstanders als volgt van wal:

(42) ‘Nee, vrouw en zoon zijn mij niet dierbaarder dan mijn vader en mijn land. Maar hij heeft zijn majesteit die hem beschermt, het Romeinse Rijk de andere legers. Mijn echtgenote en kinderen, die ik terwille van jullie roem volgaarne ten dode zou opgeven, haal ik nu weg bij jullie razende meute. Zo hoeft wat hier aan misdaad dreigt alleen verzoend te worden door míjn bloed. Zo zal geen moord op Augustus’ kleinzoon, geen executie van Tiberius’ schoondochter jullie schuld nog verzwaren.

‘Want werkelijk, wat hebben jullie dezer dagen ongedaan, onaangetast gelaten? Hoe moet ik jullie hier samen noemen? Soldaten? Terwijl jullie de zoon van de generaal gewapenderhand binnen de wal houden? Burgers? Terwijl het gezag van de Senaat zozeer met voeten is getreden? Zelfs rechten van vijanden en diplomatieke onschendbaarheid en universele normen zijn door jullie verbroken.

‘De vergoddelijkte Julius Caesar wist een opstand van het leger ooit te bedwingen met één woord: “Burgers!” noemde hij de mannen die hun eed aan hem omlaag haalden. En de vergoddelijkte Augustus kon de legioenen bij Actium met een blik, door zijn oogopslag verschrikken. Ik ben natuurlijk geen Caesar of Augustus, maar ik stam wel van hen af!

‘Wanneer soldaten uit Spanje of Syrië mij geen respect betuigden zou dat altijd nog verbazend, onbestaanbaar zijn. Maar Eerste en Twintigste legioen, die de veldtekens hebben ontvangen van Tiberius? Ja jullie, het legioen dat aan zoveel slagen deelnam, dat met zoveel premies is verrijkt! Een fraaie dank die jullie nu betuigen aan je generaal...

‘Is dit nu het nieuws dat ik moet overbrengen aan mijn vader, die uit andere provincies louter goede berichten hoort? Dat zijn eigen rekruten, zijn eigen oudgedienden, met geen ontslagronde en geen uitkering tevreden zijn te stellen? Dat hier, enkel hier, centurions worden gedood, krijgstribunen verdreven, gezanten vastgehouden? Dat kamp en rivier doordrenkt zijn van bloed, en ikzelf hier, te midden van vijandig volk, blij mag zijn dat ik in leven ben?

(43)  ‘Op de eerste dag van onze samenkomst maakte ik aanstalten een zwaard in mijn borst te steken, maar mijn vrienden gristen het me uit handen. Waarom eigenlijk? Hoe kortzichtig van jullie! Die man die het me dat zwaard voorhield handelde beter. Toonde meer genegenheid. Want ja, dan was ik althans gevallen voordat ik die lange reeks wandaden van mijn leger op mijn geweten had. En hadden jullie een generaal uitgekozen die mijn dood onbestraft liet, maar wel die van Varus en drie legioenen had gewroken.

‘De hemel verhoede dat de Belgen, ondanks hun aanbod, dit als roem en eer ten deel valt: geslaagde interventie ten gunste van Rome, onderdrukking van Germaanse stammen.

‘Moge uw in de hemel opgenomen geest, vergoddelijke Augustus, moge uw beeltenis, Drusus, mijn vader, en uw nagedachtenis bij deze zelfde soldaten, bij wie intussen schaamte en trots opkomen, deze schandvlek uitwissen en deze interne woede naar buiten richten, op de ondergang van vijanden.

‘En ook jullie hier! Sommigen zie ik alweer veranderen van gezicht, anderen van hart... Als jullie nu alles herstellen: gezanten naar de Senaat, gehoorzaamheid aan de keizer, mijn vrouw en zoon terug naar mij, en alle contact met de oproerige elementen verbreken, ja, dat is de basis voor inkeer, de band van loyaliteit.’

(44) Deze woorden braken het verzet, hij had gelijk, het was allemaal waar. Wilde hij nu alstublieft de schuldigen bestraffen? En dan vergiffenis schenken aan wie mis had gezeten en hen richting vijand leiden? En dan zijn echtgenote terugroepen. En de mascotte van de legioenen moest terug, niet als gijzelaar naar de Galliërs.

Terugkeer van Agrippina was niet aan de orde, zei hij, met haar bevalling en de winter. Zijn zoon zou komen, de rest was hun eigen zaak.

Ze stuiven uiteen, veranderd ineens. Slepen de meest oproerige elementen, geboeid en wel, naar de legaat van het Eerste legioen, Gaius Caetronius, die vonnis en bestraffing van elk afzonderlijk als volgt voltrok.

De legioenen stonden met wapens in de aanslag, als in een formele bijeenkomst. Aangeklaagde werd door tribuun op de verhoging getoond. Klonk het ‘schuldig’, dan werd de man omlaag geduwd en afgemaakt. En de soldaten vonden dat gemoord ook verheugend, het was of ze zichzelf vrijpleitten. Germanicus hield ze intussen niet tegen: hij had geen bevel uitgevaardigd en zo zou de weerzin over dit wrede optreden zich richten op henzelf.

De oudgedienden volgen het voorbeeld en worden kort daarop naar Raetië gestuurd. ‘Om de provincie te beschermen tegen dreiging van de Suebi’ heette het, feitelijk om ze weg te krijgen uit het kamp met al die dreigende agressie, minstens zozeer door het drastische optreden als door de herinnering aan het geschiede kwaad.

Daarna centurio-revisie. Elk verscheen afzonderlijk voor de generaal, noemde naam, rang, vaderland, aantal dienstjaren, bijzondere wapenfeiten, eventuele decoraties. Als de tribunen, als het legioen ’s mans inzet en integriteit bevestigden, behield hij zijn rang. Klonken er alom verwijten van corruptie of wreedheid, dan volgde ontslag uit dienst.

(45) Zo was de orde vooralsnog hersteld. Een minstens even zware taak bleef over, vanwege het weerspannige Vijfde en Eenentwintigste legioen, zestig mijl verderop in winterkamp (het heet daar Xanten). Die van het Eerste waren de muiterij begonnen. De allervreselijkste wreedheden hadden zij begaan. Bestraffing van medesoldaten? Joeg hun geen schrik aan. Openlijke spijtbetuigingen? Deden hun niets, hun woede bleef.

Daarom treft Germanicus voorbereidingen om met wapens, een vloot en bondgenoten de Rijn af te zakken. Krijgt zijn gezag niet volmondig erkenning, dan wordt het oorlog, hij zal ervoor strijden.

(48) Germanicus had zijn leger bijeengebracht en was klaar voor wraak op de afvalligen. Toch meende hij nog wat tijd te moeten geven zodat men misschien, naar het recente voorbeeld, eieren voor zijn geld zou kiezen. Hij stuurt een brief vooruit naar Caecina dat hij eraan komt met een sterke troepenmacht: als ze zelf de kwade figuren niet executeren zal hij overgaan tot blinde slachting.

Die brief leest Caecina in het geheim voor aan de adelaars. en vaandeldragers en het meest onbedorven deel van het kamp. Met daarbij de dringende raad iedereen te bevrijden van de schande en zichzelf van de dood. Ja, in vredestijd wordt goed gekeken naar motieven en verdiensten, maar zodra oorlog uitbreekt vallen onschuldigen en schuldigen naast elkaar.

Als de betrokkenen iedereen polsen die hun geschikt lijkt en constateren dat een meerderheid van de legioenen normaal zijn plicht wil doen, stellen ze op aangeven van de legaat een tijdstip vast voor gewapende aanval op de meest verfoeilijke en tot muiterij geneigde elementen.

Dan is het zover. Op het teken vallen ze tenten binnen en zetten het op een moorden, de mannen waren nergens op bedacht. Niemand behalve de ingewijden wist waar de slachting begon of ophield.

(49) Een totaal andere aanblik, nu, dan in alle ooit eerder vertoonde burgerstrijd. Zonder slagveld, niet vanuit verschillende kampen maar vanuit dezelfde barakken waar ze overdag samen hadden gegeten en ’s nachts gerust, vormen zich twee partijen die wapens gooien. Geschreeuw, verwondingen, bloed: allemaal evident. Maar de oorzaak? Onduidelijk, de rest wordt bepaald door toeval.

Ook een paar slachtoffers onder de goeden. Want zodra duidelijk was tegen wie de woeste actie was gericht hadden de slechten eveneens naar de wapens gegrepen. En geen commandant of tribuun was erbij om de gemoederen te kalmeren, de massa kreeg alle vrijheid en wraak en volle verzadiging.

Kort daarna betreedt Germanicus het kamp. Met tranen in zijn ogen: nee, dit was toch geen remedie? Meer een catastrofe. Lijken verbranden, beveelt hij.

Zelfs toen hield de sfeer van agressie aan, ineens willen ze richting vijand, ter compensatie van hun razernij. Alleen zo kunnen ze de dodengeesten van hun medesoldaten bezweren: door op hun schuldige bovenlijven kloeke wonden op te lopen.

Germanicus volgt het vuur van zijn soldaten. Slaat een brug. En zet twaalfduizend man over uit de legioenen, met zesentwintig cohorten bondgenoten en acht afdelingen cavalerie van onbesproken gedrag gedurende heel de muiterij.

[Voor een aansluitend fragment, zie VincentHunink.nl.]

 

Copyright vertaling © 2015 Vincent Hunink / Athenaeum—Polak & Van Gennep
Copyright toelichtingen © 2015 Jona Lendering/Livius Onderwijs

Athenaeum - Polak & Van Gennep

MINDBOOKSATH : athenaeum