Leesfragment: Laat de honden niet

27 november 2015 , door Mariska Mourik
| | | |

Vanavond, 5 februari wordt de nieuwe roman van Mariska Mourik, Laat de honden niet, gepresenteerd bij Athenaeum Boekhandel. Wij publiceren voor. ‘Ah. “Ghawadja wil het wel doen, maar ghawadja wil iemand die Engels spreekt. Nee, ghawadja wil eerst dat geweer uit d’r smoel. Weg, weg ermee.” Claire liet onvervaard het raam verder zakken — hoe kon een glaspaneel hen nou beschermen tegen mitrailleurvuur? Ze stak haar arm naar buiten en wapperde met haar hand in de richting van de geweerloop, als joeg ze een irritant insect weg.’

Een Franse ex-militair zoekt naar een rampgebied om levens te redden. Een Nederlandse journalist reist af naar Darfur. Een hulpverleenster moet na een traumatische ervaring Sudan verlaten. Rond deze drie personen kneedt Mariska Mourik vernuftig een roman waarin de frustraties van de humanitaire hulpverlening en geheime internationale politieke agenda's een explosief mengsel vormen.

In Frankrijk zijn presidentsverkiezingen. Een raadsman in het Elysée waakt over de reputatie van het nieuwe staatshoofd. Een Afrikaanse dictator ziet kans om de oude koloniale machthebber onder druk te zetten. In Tsjaad verdwijnt een groep hulpverleners, waarna de journalist op onderzoek uitgaat. In het spel tussen grotere machten is een mensenleven bijzaak. Laat de honden niet het vlees bewaken, zo luidt een Afrikaans spreekwoord.

 

[...]

Claire schrok toen ze plotseling vaart minderden. Was ze weggedoezeld? Langs haar wang liep nog steeds het uitgetrokken snoer naar achteren.
‘Vergrendeling! Vergrendeling!’ baste Jean-Christophe, niet in de microfoon, maar tegen hen.
Wat was er aan de hand? De autoportieren waren als veiligheidsmaatregel al lang centraal vergrendeld, tegelijk met het invallen van de duisternis.
Toen zag ook Claire het. Sterretjes. Witte stippen. Het schijnsel van zaklantarens. Midden op de weg.
‘Yaqub. Roadblock. Blijf bij ons,’ klonk Jean-Christophes ijzige stem in de microfoon. ‘Geen abrupte beweging. Handen zichtbaar,’ riep hij de inzittenden in herinnering terwijl Musa de wagen tot stilstand bracht. In hun parkeerlicht glommen rijen metalen punten die vlak boven het wegdek uitstaken, keurig in het gelid.
Spertijd was ingegaan. Ze hadden hier niets te zoeken, buiten de stad. Claire wist niet met welk tuig ze, gezien hun onwettige situatie, het best te maken konden krijgen. Rebellen. Bandieten. Of de dienaars van de ‘wet’. Iemand hield op dit moment een automatisch geweer op hen gericht. In het duister kon ze hem niet ontwaren, maar ze voelde het, ze wist het heel zeker. En hier zaten ze, in lijdzame afwachting in hun heldere kooi, zichtbaar, o ja, dat wel, geheel volgens de voorschriften, kwetsbaar als verstard wild, op de weg, in de nacht, gevangen in groot licht.
Zaklantarenstralen onderzochten hun voertuig en schenen — geheel overbodig — door de ramen naar binnen. Ondertussen bleven de mannen die hen tot stoppen hadden gedwongen achter hun lichtbundels onzichtbaar. Claire meende in een zwiepende straal een glimp camouflagestof op te vangen, maar dat zei nog niks. ’s Nachts vermomden bandieten zich in buitgemaakte uniformen als militairen en wierpen als fuik valse wegversperringen op. Regeringstroepen misbruikten officiële controleposten om zich uit te leven in praktijken die het daglicht niet konden verdragen.
Een scherpe tik tegen haar raam. Een stem beval iets in het Arabisch, gevolgd door een tweede ongeduldige dreun tegen het glas. ‘Openen,’ vertaalde Musa bedeesd.
‘Alleen het raam, Claire,’ klonk het dwingend pal achter haar, op een lage hypnosetoon. ‘Een kier.’
In slow motion bracht Claire haar rechterhand omlaag naar het portier en drukte even op de knop. Het raam schokte een fractie open.
Weer een venijnige tik aan de buitenzijde, met de loop van een geweer. Claire hoefde geen vertaling om te begrijpen wat er verlangd werd. Gehoorzaam zoemde ze het raam nog een vingerbreedte verder open, en toen voor de zekerheid nog een stukje.
‘Hello,’ riep ze luchtig het donker in, alsof ze een stelletje verdwaalde toeristen waren. Alsof ze geheel uit eigen beweging gestopt waren om bij deze heren hun licht op te steken over hoe ze het beste de stad weer konden bereiken. ‘As-salaam aleikum,’ voegde ze er vriendelijk aan toe. Vrede zij met u.
En zowaar klonk daar de wederhelft van de groet: En ook met u zij vrede.
Het begin van een dialoog.
Door de gleuf in het raam kon Claire nu de vage trekken van een gezicht ontwaren, vooral het oogwit dat daarin oplichtte, en de contouren van iets op het hoofd. Een tulband? Een pet? Een baret? Van degene achter hem was alleen de glinsterend gepoetste loop van een machinegeweer zichtbaar. ‘We are expats,’ meldde ze, ten overvloede. ‘International aidworkers. From France.’ Van de achterbank steeg een lachhikje op dat snel werd gesmoord. ‘Who are you?’ probeerde Claire nader kennis te maken.
In antwoord daarop, of misschien ook wel geheel niet, volgde een hees geblaf in het Arabisch.
‘Papieren,’ verduidelijkte Musa.
Opnieuw werkte dit op Delphines lachspieren. Ze bracht een driesyllabische giechel ten gehore. ‘Wie zijn jullie? Papieren,’ meende ze de reden van haar stuipje te moeten toelichten.
Achter haar hoorde Claire Jean-Christophes gedempt sussende stem. Ondertussen lichtte Musa gehoorzaam de map met hun documenten uit het vak in zijn portier.
‘Musa, wacht even,’ twijfelde Claire.
‘Papieren,’ antwoordde hij, alsof de hele situatie door dat ene woord was opgehelderd. De benauwdheid was uit zijn stem verdwenen.
‘Wat doen we?’ overlegde Claire met Jean-Christophe, zonder zich om te draaien. Het vorderen van hun documenten was nog geen bewijs dat ze met vertegenwoordigers van het regime te maken hadden.
Door de gleuf in het raam werd iets gecommandeerd. In de gutturale woordenstroom meende Claire een kreet te herkennen: ghawadja, blanke vreemdeling. Musa deponeerde de map in Claires schoot. Een verklaring bleef uit.
‘Wat zegt hij?’ wilde Claire weten.
‘Hij zegt... jij bent niet hun slaaf,’ mompelde Musa.
Dit klonk allerminst als militaire praat, eerder als rebellenutopie.
‘Er was iets met ghawadja,’ drong Claire aan. De vijand kennen, begrijpen met welk kamp ze hier van doen hadden, was al een begin. Om tijd te winnen lichtte ze ondertussen traag de bindelastieken over de hoeken van de map.
‘Laat de blanke het doen,’ completeerde Musa met zichtbaar ongemak.
Ah. ‘Ghawadja wil het wel doen, maar ghawadja wil iemand die Engels spreekt. Nee, ghawadja wil eerst dat geweer uit d’r smoel. Weg, weg ermee.’ Claire liet onvervaard het raam verder zakken — hoe kon een glaspaneel hen nou beschermen tegen mitrailleurvuur? Ze stak haar arm naar buiten en wapperde met haar hand in de richting van de geweerloop, als joeg ze een irritant insect weg.
‘Ingliezie? Spreek Engels jij?’ richtte ze zich tot de vent die Musa beschimpt had. ‘Nee, dacht ik al. Waar is je chef?’
In haar linkerschouder kneep Jean-Christophes manende hand, maar Claire was nog niet klaar met deze brutale marodeurs die in al hun gewichtigdoenerij nog geen woord over de grens konden spreken. Ghawadja was hier namelijk om hun volk te helpen, hun landgenoten, de onschuldigen, de opgejaagden en ontheemden, en als ghawadja tijdens de eindeloze onderhandelingen die haar werkzaamheden hier vergden één ding had opgestoken, dan was het dat ze de chefs te spreken moest krijgen; elk samenraapsel van gewapend geboefte, of het nu in de categorie politie, militairen, rebellen of bandieten viel, had zijn hoofdman. ‘Raïes. Raïsuk. Chef jouw. Waar? Ayna? Ga maar halen. Huna. Hier,’ wees ze gebiedend met haar wijsvinger, waarmee ze vervolgens op de elektrische raambediening drukte. Loket tot nader order gesloten. Zij was klaar met het voetvolk. Ter onderstreping daarvan wipte ze vastberaden de elastieken weer om de hoeken van de map op haar schoot.
Toen begonnen haar knieën hevig te trillen. Zoals na een ternauwernood ontsnappen aan een botsing op de weg. Jean-Christophes hand verdween van haar schouder. Net toen ze behoefte voelde aan een bemoedigend klopje.
Hun belagers smolten weg in het donker. Er klonken stemmen, geroep, geroffel tegen ijzerplaat. Een recht omrande gloed sprong aan in de duisternis, uit de nacht geknipt. Een deuropening, waarin op zijn beurt een menselijk silhouet werd uitgesneden, vol rondingen. De gedaante waggelde naar buiten. Het licht reduceerde zich tot een kier, en loste op. Opnieuw stemmen. Een knuist met een goudomringde vinger tikte tegen Claires portierraam. De chef.
Gedienstig liet ze haar raam zakken. Als eerste werden in het donker de ogen zichtbaar. Onmiskenbaar. Vaalgele, uitpuilende knikkers in een bolle toet.
‘Militairen,’ souffleerde Claire haar metgezellen, in een ademstoot die als door een vuistslag uit haar ribbenkast werd gedreven.

[...]

 

© 2015 Mariska Mourik

Uitgeverij Atlas Contact

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum