Leesfragment: Langzaam afbouwen op deze planeet

27 november 2015 , door Nico Dros
| |

Vandaag verschijnt Langzaam afbouwen op deze planeet, nieuwe verhalen van Nico Dros. Wij brengen een uitgebreid fragment. ‘“Zulke ontsporingen verbleken niettemin,” hernam de zwartgerokte voorganger nu verbeten, “bij de gruizige praktijken rond het vrijen!” Hij voer uit tegen het queesten. Bij nacht en ontij togen jongkerels naar de huizen van hun vrijsters. De ramen van de slaapkamers stonden op een kier en de nachtbrakers hoefden slechts naar binnen te klauteren. Liggend in bed ontving een maagd haar bezoek.
“Kan men de kat nog steviger op het spek binden?”’

Langzaam afbouwen op deze planeet bevat acht spannende, warmbloedige verhalen, geschreven in de robuuste en karaktervolle stijl van Nico Dros. In de werelden die hij oproept is steeds iets grondig mis. Het kwaad is nooit ver weg. Maar ook voor de liefde is er in deze verhalenbundel plaats, zoals in 'Twee dooilingen', een even zinnelijk als bitter liefdesdrama dat is gesitueerd op Texel in de zeventiende eeuw. Het is de geschiedenis van Nanie, jasmijn tussen de distels, prooi van vele vrijers. Het is uiteindelijk een verhaal waarin macht en perversie zich bruut laten gelden.

N.B. Eerder publiceerden we voor uit Dros' Oorlogsparadijs. Lees het fragment op Athenaeum.nl.

 

Twee dooilingen

Vader en zoon stonden midden in het veld en tuurden naar de schapen die nog over waren.
‘En als we nu eens een stuk van het weiland omploegen?’ zei Josef. ‘We huren een span ossen. Dit is de tijd om haver of rogge te zaaien. Op een kleiner stuk planten we warmoes en peulen voor de markt. Dat levert geld op. Zo kunnen we het uitzingen.’
‘Wat dacht je zonder mest te beginnen?’ reageerde de oude Peet, terwijl hij vanonder zijn voddige hoed stuurs naar zijn zoon opkeek.
‘Maar de schapen hebben er toch al die jaren rondgelopen,’ zei Josef. ‘Die hebben het land immers bemest.’
‘Het zijn maar pielsteerten,’ bromde de oude, ‘veroordeeld tot schamele kost.’ Hij boog naar voren en raapte een verse keutel op. ‘Moet je dit nou eens zien. Dit kun je toch geen stront meer noemen? Alleen onkruid gedijt erop.’
Josef zocht naar een weerwoord.
‘Sinds Lichtmis,’ ging de oude verder, ‘heeft het hier niet fatsoenlijk geregend. De meeste buien zijn langs gedreven. En boven zee heeft het geplensd. Nog een maand en het land is zo droog dat zelfs de luizen op de jonge aanplant eraan gaan.’
Josef dacht het te begrijpen: zijn vader ging misschien wel eens op de knieën in de schuilkerk, maar knielen in het land wilde hij niet.
‘Wat zullen we dan doen, vader?’
De oude Peet bleef het antwoord schuldig. Hij nam zijn hoed af, kneep de ogen toe en bekruiste zich traag met zijn besmeurde hand.

Een paar maanden eerder had een duistere pestilentie de schaapskudden op het eiland getroffen. Veel dieren bewogen zich ineens zwoegend door het veld of lagen afgepeigerd in het gras. Rond hun neusgaten kleefde bloederig slijm.
Boeren stuurden knechten en zonen het land in om kadavers bijeen te slepen. Overal op het eiland wierpen de mannen dooie beesten op stapels. Met drijfhout dat na elke storm van het strand was gesjouwd, aangevuld met droog riet, liet men de vuren oplaaien. Dagenlang hing er een walm van verkoold vlees en geschroeide wol over de velden. Niemand had het lef gehad de gecrepeerde schapen van vacht en huid te ontdoen.
Midden in het voorjaar leek de plaag over zijn hoogtepunt heen, al bleef de sterfte van ooien en lammeren aanhouden. Er was inmiddels te weinig hout voorhanden om nieuwe brandstapels op te richten. Lammergieren zweefden boven het land. Gewoonlijk joeg men op ze met snaphanen en kruisbogen, maar nu mochten de aaseters hun gang gaan. Volgeladen boerenwagens trokken stapvoets in de richting van de zee. Voerlieden bonden natte lappen voor hun mond en neus om de geur van ontbinding te mijden. Nadat de wagens met veel moeite het strand hadden bereikt loste men de dooie vracht in het afgaand getij.
In de weken daarna raakten de netten van kagen beschadigd door opgeviste krengen. Vissers haalden hun gram in de dorpskroegen en gingen op de vuist met willekeurige landlieden. De wijze waarop in die dagen werd gevochten ging tegen de plaatselijke mores in. De meester-chirurgijn die erbij werd geroepen sperde verbaasd zijn ogen toen hij de rauwe wonden zag.

II

Ioannes Slaterus wist als geen ander waar de misère van deze tijd aan te danken was. Jaren her had hij zich – als boetedoening, na een vingerwijzing van hogerhand – in het kustdorp Coogh gevestigd. Daar werd hij de allereerste eigen herder & leraar van de Nederduits gereformeerde kerk. Hij was een man met weinig vlees en spieren op de botten. Sinds zijn jeugd hinderde hem een tremor, en hoezeer hij zich ook in gebeden had uitgeput, de kwaal was gebleven.
Het dorp bestond uit kromme huisjes die door zandverstuivingen werden belaagd. Boom noch groente wilden groeien in de winderige uithoek. Wel tierden brandnetels en distels op de dorre bodem. De inborst van de dorpelingen was trouwens niet minder stekelig. Bij de minste wrevel lieten zij zich vloeken ontvallen die een zwerm stormvogels konden doen opvliegen.
Slaterus verschafte in een zondagse preek een verklaring voor de gesel van de schapensterfte. In het kleine kerkje met z’n houten torentje trok hij van leer tegen de wulpsheden die de jeugd van het eiland zich permitteerde. Tijdens het zogenaamde krieken leefden jongkerels en maagden zich tot het ochtendgloren uit in een tomeloze danswoede. In aanloop naar zulke samenrottingen wierpen de deelnemers hun koperen penningen op een hoop om er drank van te kunnen kopen. ’s Winterdaags deed een kruidig bitter de lijven gloeien en in de warme maanden zorgde Portugese slobberwijn voor een bedwelming der zinnen.
‘Het zijn heidense liederlijkheden,’ hield Slaterus zijn gemeente voor. ‘En hoe zal een christin de Zaligmaker onder ogen komen mocht zij daar in dat tumult plots sterven?’
De vrouwen, hun haren bedekt met een frisse harseslap, bevolkten met hun kinderen de voorste banken in de kerk. Ze sloten de ogen bedeesd en trokken hun lippen samen tot een verwelkte bloem. Maar hun wangen gloeiden.
‘Zulke ontsporingen verbleken niettemin,’ hernam de zwartgerokte voorganger nu verbeten, ‘bij de gruizige praktijken rond het vrijen!’ Hij voer uit tegen het queesten. Bij nacht en ontij togen jongkerels naar de huizen van hun vrijsters. De ramen van de slaapkamers stonden op een kier en de nachtbrakers hoefden slechts naar binnen te klauteren. Liggend in bed ontving een maagd haar bezoek.
‘Kan men de kat nog steviger op het spek binden?’
De beschrijving van het voorechtelijk slaapkamertafereel deed de predikant naar adem snakken. ‘In elkaars nabijheid ontstaat een warmte die de lichaamssappen doet zwalpen. De jonge lijven worden kronkelig, het verstand raakt vertroebeld. Een enkele duivelse aanhitsing volstaat om zich in den vleze te verliezen.’
De mannen zaten op de achterste banken in de kerk. Ze luisterden met onderdrukt gesnuif naar de tirade tegen lokale zeden die reeds vele eeuwen hadden getrotseerd. Nu hun dominee in zulke zinnelijke bewoordingen over het queesten sprak, werd ieder door zijn eigen herinneringen overvallen. Het manvolk dorst niet te gniffelen, al was de aandrang groot, maar er verscheen een twinkeling in aller ogen. Wie kon er nu in hemelsnaam spijt voelen over de zoetzilte zonden uit hun jeugdjaren?
Slaterus was onderhand aangekomen bij het klapstuk van zijn herderlijke vermaning: ‘Het gebeurt zelfs in dit dorp dat jongkerels uit christelijke families bij roomse meiden liggen!’
De rumoerige ademhaling achter in het kerkje deed onbegrip vermoeden over deze uithaal in de preek. Er was immers geen man die aan roomsheid dacht wanneer een ritsig meike zich liet liplezen.
Om zijn conclusie er bij de leden van zijn gemeente dieper in te wrijven begon de dominee, naar retorisch voorschrift, in de taal van vergeestelijkte hartstochten te galmen: ‘De woeke- ringen van onkuisheid zijn de Heere een gruwel, en ze zullen dan ook niet ongestraft blijven. Ziet om u heen: op de meent- gronden van het dorp liggen de kadavers van het vee in het op- gestoven zand te vergaan. Nieuwe plagen en beproevingen zul- len volgen, wanneer wij ons niet onmiddellijk bekeren...’
De verwijzing naar het leed van de kudden werkte op de ge- moederen in. Het besef van alledaagse zorgen deed de rijen ver- somberen, en velen bogen zelfs het moede hoofd. Slaterus, uit- hijgend, bezag dit met tevredenheid en vergat zijn tremor voor enkele ogenblikken. Toen viel zijn oog op een frisse meid in de derde rij, dochter van de robbenjager Gerrit Stroe, een man die onder verdenking stond dat de leer hem te weinig op het hart drukte. Onder een wit pelsjakje droeg ze een jurk die zonder meer te zomers oogde. Er was zicht op haar vormen; een keurslijf had ze zich niet aangemeten. Een paar jaar eerder had de predikant het reeds voorzien, en nu zij tot jonge vrouw was ontloken had haar verschijning inderdaad een ongewone luister gekregen. Nanie was haar naam en zij droeg de haren onbedekt, de wilde lokken helemaal vrij. Zij luisterde onbevreesd, ja zelfs welgemoed naar haar herder & leraar die onder haar blikken weer ging beven.

[...]

 

© Nico Dros

Uitgeverij Van Oorschot

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum