Leesfragment: Late roem

27 november 2015 , door Arthur Schnitzler
|

29 september verschijnt Arthur Schnitzlers novelle Late roem (Später Ruhm, vertaling Elly Schippers). Wij publiceren voor: ‘“Op een dag keek ik wat rond bij een antiquaar en kreeg toen naast andere boeken ook uw bundeltje in handen. De eerste gedichten die ik las, maakten meteen een onbeschrijfelijk diepe indruk op me. Ik heb het boek mee naar huis genomen en in één ruk uitgelezen, wat je bij een dichtbundel niet zo gauw overkomt. Toen ik weer naar de titelpagina keek en het jaartal 1853 zag staan, zei ik bij mezelf: wat zou je die man graag gekend hebben.”’

Het is wel erg late roem die de oude Eduard Saxberger krijgt voor de dichtbundel die hij vroeger heeft gepubliceerd. Maar de jonge man die bij hem aanbelt is zo enthousiast en vleiend dat Saxberger wel met hem mee móét gaan naar diens wekelijkse schrijverskring. Daar slepen de stellige aanbidding en de grote bevlogenheid van de nieuwe generatie hem mee. De vlam wakkert op, hij voelt zich jong en gewaardeerd, totdat hem op een voordrachtavond iets pijnlijk duidelijk wordt. Heeft hij zich in het ootje laten nemen?

Arthur Schnitzler (Wenen, 1862 - 1931) geldt als een van de grote Duitstalige schrijvers. De novelle Late roem is pas in 2014 in zijn nalatenschap ontdekt.

 

De heer Eduard Saxberger kwam thuis van zijn wandeling en liep langzaam de trap op naar zijn woning. Het was een mooie winterdag geweest en meteen na kantoortijd had de oude heer, zoals hij graag placht te doen, zich opgemaakt voor een wandeling in de frisse lucht, tot bij de laatste huizen ver buiten de voorsteden. Hij was moe geworden en verheugde zich op zijn aangename, warme kamer.
De huishoudster ontving hem met de mededeling dat er al een halfuur een jongeman op hem zat te wachten die ze nog nooit had gezien. De oude heer, die zelden bezoek kreeg, liep enigszins nieuwsgierig naar de woonkamer. Bij zijn binnenkomst stond de jongeman van zijn stoel op en maakte een buiging.
Saxberger beantwoordde de buiging en zei: ‘Ik hoor dat u al enige tijd op mij wacht – waarmee kan ik u van dienst zijn?’
De jongeman bleef staan en antwoordde: ‘Staat u mij toe, hooggeachte heer, dat ik me voorstel, mijn naam is Wolfgang Meier, schrijver.’
‘Aangenaam, aangenaam, neemt u toch plaats.’
‘Meneer Saxberger,’ begon de jongeman nadat hij weer was gaan zitten, ‘ik moet me vooral verontschuldigen voor de onbescheidenheid waarmee ik het heb gewaagd als ongenode en onbekende gast uw woning te betreden. Maar ik heb tevergeefs naar een andere manier gezocht om u te leren kennen.’
‘Zeer vleiend.’
‘En u leren kennen, meneer Saxberger, is al geruime tijd een van mijn, ik mag wel zeggen, van onze innigste wensen, want ik spreek hier niet alleen namens mezelf.’
Bij die woorden glimlachte de heer Meier beleefd. Saxberger bekeek hem. Hij zag bleek, had sluik, blond haar en was keurig gekleed. Terwijl hij sprak, speelde hij met een lorgnet, dat aan een zwart koordje om zijn nek hing. ‘Ik ben heel benieuwd,’ zei Saxberger, ‘vanwaar die innige wens... wanneer die innige wens...’ Hij onderbrak zichzelf ietwat verlegen.
‘Al geruime tijd,’ vervolgde Meier, ‘en als ik die woorden mag toelichten, zou ik willen zeggen: sinds de dag dat het mij, of ons’ – hier glimlachte hij weer beleefd – ‘vergund was kennis te maken met uw boek Omzwervingen.’
‘Wat?’ riep Saxberger verbaasd. ‘U hebt Omzwervingen gelezen? Men leest Omzwervingen nog?’ Hij schudde zijn hoofd.
Men leest het misschien niet meer,’ antwoordde de jongeman. ‘Maar wij lezen het, wij bewonderen het, en ik denk dat ook men het mettertijd weer zal lezen en bewonderen.’ Terwijl Meier dat zei, verscheen er een lichte blos op zijn wangen en klonk zijn stem levendiger dan eerst.
‘U doet mij versteld staan, meneer... Meier,’ zei Saxberger, ‘en ik begin heel nieuwsgierig te worden wie u bent, ik bedoel, namens wie u spreekt. Ik had geen idee dat er tegenwoordig nog iemand was die Omzwervingen kende.’ De oude heer keek voor zich uit. ‘Eerlijk gezegd denk ik er zelf nooit meer aan, al heel lang niet. Al die dingen staan al jaren zo ver, zo ontzaglijk ver van me af.’
Wolfgang Meier glimlachte fijntjes. ‘Het is mij, of liever gezegd ons, niet onbekend, geachte heer, dat er gedurende lange tijd niets van u is verschenen, wij waren er verbaasd en bedroefd over. En het was ook maar toeval dat wij – en nu mag ik wel ik zeggen – uw prachtige boek in zekere zin opnieuw hebben ontdekt.’
Saxberger voelde zich door de woorden die hij hoorde merkwaardig geroerd. Had deze jongeman het echt over hem? Was het mogelijk dat deze jonge, hem totaal onbekende persoon hem en dat vergeten boek kende? ‘Hoe bent u met het boek in aanraking gekomen?’ vroeg hij.
‘Dat was heel eenvoudig,’ antwoordde Wolfgang Meier. ‘Op een dag keek ik wat rond bij een antiquaar en kreeg toen naast andere boeken ook uw bundeltje in handen. De eerste gedichten die ik las, maakten meteen een onbeschrijfelijk diepe indruk op me. Ik heb het boek mee naar huis genomen en in één ruk uitgelezen, wat je bij een dichtbundel niet zo gauw overkomt. Toen ik weer naar de titelpagina keek en het jaartal 1853 zag staan, zei ik bij mezelf: wat zou je die man graag gekend hebben – ik heb het boek nog dezelfde avond meegenomen naar onze kleine kring.’
‘Wat is dat voor kring?’
‘Het is een kring van jonge schrijvers die zich verre houden van de heersende stroming. U zou er niet veel aan hebben als ik hun namen noemde. Men kent die namen nog niet. We zijn gewoon kunstenaars, niets anders dan dat, en onze tijd komt nog.’ Meier zei het heel rustig, maar vol overtuiging.
De oude heer luisterde aandachtig en knikte. Het was hem vreemd te moede. Kunstenaars, kunstenaars – hoe dat klonk! En dan die verwarde beelden die voor hem opdoemden van lang vervlogen dagen en vergeten mensen. Er schoten hem namen en wederwaardigheden te binnen – en ten slotte zag hij zichzelf zoals je jezelf in een droom ziet, als jongeman die zat te lachen en te praten, als een van de besten en trotsten in een kring van jongelieden die zich verre hielden van de heersende stroming en niets anders wilden zijn dan kunstenaar – en hij zei hardop, alsof hij de jongeman tegenover hem had meegetrokken in zijn snelle gedachtegang: ‘Dat is lang geleden, wat is dat lang geleden!’
Wolfgang Meier nam de oude heer zwijgend op, alleen de ogen in het rimpelige, baardeloze gezicht leken jong gebleven te zijn en keken nu langs de kleine lamp op de tafel door het raam naar de donkerblauwe nacht.

‘1853,’ zei Meier na een korte stilte, ‘dat is zeker een lange tijd.’ En levendiger vervolgde hij: ‘U zult niet geloven, geachte heer, hoe verheugd wij waren toen we ontdekten dat de dichter van Omzwervingen in onze stad woonde; het was alsof we een schuld aan u af te lossen hadden.’ Bij die woorden stond Meier op en terwijl hij een lichte buiging maakte, zei hij op plechtige toon: ‘Het jonge Wenen verzoekt u via mij zijn respectvolle groeten en zijn dank te aanvaarden.’
Saxberger wilde opstaan, maar de jongeman duwde hem vriendelijk terug op zijn stoel. Met een enigszins bewogen stem antwoordde Saxberger: ‘Ik dank u, ik weet niet, nee, ik weet echt niet...’ Hij zweeg even, terwijl de jongeman hem rustig en met een bemoedigende glimlach aankeek; toen vervolgde hij: ‘Het is zo lang geleden, ik... ik... ik weet er niets meer van, het boekje heeft destijds helemaal geen opzien gebaard. Ik heb al zo lang niets geschreven. Er is ook niemand die er belang in stelt en gaandeweg heb ik de lust verloren, samen met mijn jeugd. Er kwamen zorgen, het dagelijks werk, er is vanzelf een eind aan gekomen, ik heb het niet eens gemerkt.’
De jongeman luisterde en schudde zijn hoofd, spijtig, ernstig.
‘Ik heb ook nog andere dingen geschreven, o ja... niet alleen gedichten. Ik heb zelfs een keer een toneelstuk geschreven.’
‘Wat,’ riep Meier, ‘een toneelstuk! Waar is het, waar is het?’
‘Ik weet het niet, ik weet het echt niet, mijn god, ik heb het indertijd naar alle theaters gestuurd – drie jaar heeft het rondgezworven, of vier, en toen heb ik het erbij laten zitten. Dat is ook al meer dan dertig jaar...’
Na een korte stilte stond Meier op en terwijl hij met één hand op de stoelleuning steunde, riep hij: ‘Het is het oude liedje. In het begin hebben we genoeg aan ons eigen plezier in het werk en aan de belangstelling van de enkeling die ons begrijpt. Maar uiteindelijk, als je ziet wie er allemaal naast je opkomt, naam maakt en zelfs beroemd wordt – dan wil je ook gehoord en gewaardeerd worden. En dan komen de teleurstellingen! De afgunst van de talentlozen, de lichtvaardigheid en kwaadwilligheid van de recensenten en bovendien de enorme onverschilligheid van de massa. En je wordt moe, moe, moe. Je zou nog veel te zeggen hebben, maar er is niemand die wil luisteren, en ten slotte vergeet je zelf dat je een van degenen was die iets groots wilden, misschien zelfs iets groots hebben geschapen.’
Saxberger knikte bij die woorden langzaam en instemmend. Ja, zo en niet anders was het gegaan. Die jongeman hoefde hem er maar aan te herinneren en hij wist het weer.
‘Maar nu,’ vervolgde Meier, ‘zal ik uw kostbare tijd niet langer in beslag nemen.’
‘O, mijn tijd is niet kostbaar,’ antwoordde Saxberger met een droefgeestig lachje. ‘Als mijn kantooruren erop zitten, heb ik niets meer te doen.’
‘Meneer werkt op kantoor?’ vroeg Meier met beleefde belangstelling. ‘Dat is zeker niet zo bevredigend?’
‘Ach, mijn waarde heer, het went, wat zou ik de hele dag moeten doen als ik geen werk had?’
‘Dus u bent... tevreden?’
‘Ik mag niet klagen. Ik kan me mijn leven eigenlijk helemaal niet anders voorstellen – wat wilt u, als je bijna vijfendertig jaar in dienst bent. Ja, ja,’ bevestigde hij toen Meier verbaasd zijn hoofd schudde, ‘ik zou allang mijn jubileum kunnen vieren!’
‘Maar in het begin, in de tijd dat u nog... dichtte, toen moet u dat eentonige werk toch heel onaangenaam hebben gevonden.’
‘Ieder mens moet een beroep hebben. Zo erg is het niet. Alleen de bevorderingskansen waren niet optimaal, dat is waar. Maar nu heb ik het best goed, ik mag niet klagen.’ De oude heer knikte goedmoedig. ‘Vroeger,’ vervolgde hij, ‘ja, toen was het anders. Door u kom ik er pas op. Het is waar, er was een tijd’ – hij glimlachte – ‘dat ik niet graag naar kantoor ging.’
‘Ziet u wel,’ riep de jongeman aangenaam getroffen.
‘Vroeger, toen ik “dichter” was, natuurlijk, natuurlijk, toen bleef ik soms zelfs zonder excuus weg.’
‘O, dat begrijp ik heel goed!’ zei Wolfgang Meier. ‘U had Omzwervingen nooit kunnen schrijven als u dag in dag uit op kantoor had gezeten. Aan die trotse verzen is te horen dat ze zijn gemaakt door iemand die de ketenen van het alledaagse had afgeschud.’
‘Een mooie tijd, een mooie tijd,’ zei de oude heer en hij verzonk weer in gepeins.
‘Wat mag ik tegen mijn vrienden zeggen?’ vroeg Meier opgewekt.
‘Brengt u mijn dank over, mijn hartelijke dank. Zeg maar dat het me zeer heeft verheugd, het kwam zo onverwachts. Het heeft me ontroerd. Zeg maar dat ik echt niet had gedacht dat er nog iemand op de wereld was die mijn naam kende – behalve mijn collega’s op kantoor. En doet u hun allemaal de groeten van me, misschien hebben zij meer geluk dan ik.’
‘Meneer Saxberger, mag ik vragen of u bij gelegenheid eens een van uw vrije middagen aan ons wilt besteden?’
‘Het zal me een genoegen zijn uw vrienden te leren kennen en hen persoonlijk te bedanken,’ antwoordde Saxberger.
‘Goed, dan zal ik een van de komende avonden opnieuw mijn geluk bij u beproeven.’
Meier nam afscheid van de oude heer, die hem uitgeleide deed tot aan de deur. ‘Nogmaals hartelijk dank voor de vriendelijke ontvangst,’ zei de jongeman toen hij al in het trappenhuis stond.
‘Doet u al uw vrienden de groeten, de hartelijke groeten,’ riep Saxberger hem na.
Daarna liep hij terug naar zijn kamer. Hij schudde glimlachend zijn hoofd. Hij vond het vreemd te bedenken dat hij over een uur aan de stamtafel in de Blaue Birne zou zitten alsof er niets was gebeurd.

De volgende dag ontving Saxberger per post een dun boekje waar op de titelpagina te lezen stond: Gedichten van Wolfgang Meier. Op de eerste binnenpagina was met inkt geschreven: ‘Voor de dichter van Omzwervingen, in diepe dankbaarheid, de auteur.’ Dat is een aardige attentie, dacht de oude heer en hij legde het boekje op zijn bureau met het voornemen het ’s avonds te lezen. Gedichten! Als iemand hem dat had voorspeld! Al jaren had hij niets anders gelezen dan de krant en voor het slapengaan een of andere ‘onderhoudende’ roman.
Toen hij die dag na het middageten thuiskwam en op de divan ging liggen, begon hij zich in de gedichten van Wolfgang Meier te verdiepen. Ah! Dat ging niet zoals bij een ‘onderhoudende’ roman. Al na de eerste verzen zag hij dat in. Saxberger las met grote nauwgezetheid; hoe moeilijker hij het vond om zich een helder oordeel te vormen, des te zorgvuldiger en aandachtiger las hij. Hij werd heel angstig. Eén ding leek vast te staan: het waren mooie verzen – maar als hij zich afvroeg wat hij er verder over zou kunnen zeggen, wist hij zich geen raad. Hij kwam bij een gedicht dat een landschap trachtte te beschrijven. (Hij had het gevoel dat beter te kunnen doorgronden.) Het raakte hem meer dan de eerdere, waarin mooie meisjes werden bezongen. Er trilde iets in hem mee. Hij hield van de natuur. Hoe ouder hij werd, des te meer was hij ervan gaan houden. Hij had er een relatie mee gekregen die hij vroeger niet had. Ach natuurlijk, liefde, jeugd – dat was voorbij. Daarom zeiden die verzen hem ook zo weinig. Wat gingen hem de vrolijkheid en de triomfen van de jongeren aan? Hoeveel jaar had hij zich daar al niet meer voor geïnteresseerd, er nauwelijks meer iets van vernomen? Hij stond alleen op de wereld. Hij was nooit getrouwd geweest, had nooit kinderen gehad – terwijl hij langzaam ouder werd, had hij elk contact met de jeugd verloren. Hij ging uitsluitend om met vrienden die samen met hem oud werden.
En toen hij verder bladerde en er weer verzen kwamen die over wondermooie blauwe ogen en intieme avonduren vertelden, bekroop hem zelfs een zekere bitterheid. Hij liet het boek zakken en staarde voor zich uit.
Hij stelde zich voor waarover hij bij Meiers volgende bezoek met hem moest praten. Hij kon toch niet tegen hem zeggen dat hij de gedichten niet – ja, wat eigenlijk – niet begreep? Niet begreep!
Saxberger schrok bijna. Hij, de dichter van Omzwervingen, begreep de gedichten van Wolfgang Meier niet!

 

[...]

Copyright © 2014 Paul Zsolnay Verlag, Wenen
Copyright vertaling © 2015 Elly Schippers/Em. Querido’s Uitgeverij bv, Spui 10, 1012 wz Amsterdam

Uitgeverij Querido

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum