Leesfragment: Maans stilte

27 november 2015 , door Arie Storm
|

De nieuwe roman van Arie Storm, Maans stilte, werd goed ontvangen en is genomineerd voor de Libris Literatuurprijs. Wij brengen een fragment. ‘Het werd opeens erg stil. August ving vanuit zijn positie een tiental meters van de lift vandaan een glimp op van wat er binnen te zien was: de reden van ieders aarzeling om naar binnen te stappen. Hij moest moeite doen om er in zijn brein een compleet plaatje van te maken, maar hij twijfelde niet aan wat hij zag, hoewel het iets ongelooflijks en verbijsterends had. Eddie Maan, dacht hij.’

Als de liftdeuren in de hal van een groot universiteitsgebouw zich openen, is August Voois, docent Creative Writing, er getuige van dat hoogleraar Eddie Maan dood in de lift ligt. Het merkwaardige is dat het lichaam even later, als de deuren opnieuw opengaan, is verdwenen en zelfs geheel spoorloos blijkt te zijn. Eddie Maan was gehaat aan de universiteit, maar had iemand genoeg redenen om hem te vermoorden? Maans stilte heeft de spanning van een thriller, maar is tevens een intrigerende roman waarin sterven, trouw en eenzaamheid een belangrijke rol spelen. Wat betekent het om te leven en wat om te sterven? En wat betekent het om gehaat of geliefd te zijn? Arie Storm schreef eerder onder andere de romans Afgunst, Gevoel en Luisteren hoe huizen ademen.

'Maans stilte heb ik ontzet, schaterend, gapend, stil (nooit onberoerd wil ik maar zeggen) tot me genomen [...]. "Je zag de overgang [tussen werkelijkheid en fictie - red.] vaak niet." In Maans stilte, in die hele abnormale mengeling van venijn, verbazing, helderheid en mysterie, is dit een verpletterend inzicht in zowel het tekort als de almacht van de schrijver.'

 

I

Het gebouw stond er van buitenaf gezien angstaanjagend bij. Bevond je je eenmaal binnen, dan werd de aanblik er niet beter op. Had het met het christelijke karakter van de gebruikers ervan te maken dat alles hier zo lelijk was? Het pand huisvestte de hoofdstedelijke gereformeerde universiteit, die was zelfs de enige gebruiker. August Voois had zich vaak afgevraagd of dat geen oxymoron was, een gereformeerde universiteit. Sloten religie en wetenschap elkaar niet uit? De laatste jaren zochten de gereformeerden die aan de universiteit de dienst uitmaakten overigens niet zozeer aansluiting met religieuze, maar met creatieve figuren. Met schrijvers en literatuurcritici, om precies te zijn. Dat uitte zich eigenaardig genoeg in een ouderwetse, communistisch aandoende huisstijl, die de onaantrekkelijkheid van het gebouw versterkte. Niet de onzichtbare God werd verheerlijkt, maar de personen die om hun scheppingsdrift waren aangetrokken. Overal hingen enorme affiches met daarop de koppen van de van buiten deze gereformeerde universiteit komende denkers. Er waren posters met daarop de literatuurcritica met het markante lange, krullende, rode haar. Van haar was trouwens bekend dat ze écht een communistisch verleden had. Tegenwoordig schreef ze voor een liberale kwaliteitskrant, al was de kwaliteit van die krant de laatste jaren flink tanende, maar vroeger had ze voor De Waarheid geschreven, het partijblad van de Communistische Partij van Nederland. Haar stalinistische redeneertrant kon je nog steeds aantreffen in de door haar geschreven recensies. In elk geval was macht een belangrijke impuls voor haar om zich met literatuur bezig te houden, dat kon je alleen al afleiden uit de talrijke literaire jury’s waarin ze de laatste decennia had plaatsgenomen. Ook hingen er overal affiches met daarop de in zijn manier van schrijven altijd jeugdig – zeg maar gerust infantiel – gebleven auteur die in de jaren negentig van de vorige eeuw even flink aan de weg had getimmerd, maar die evenzogoed inmiddels een kale kop, een onderkin en een niet te missen bril had gekregen. Het luchtige amusement dat hij altijd in zijn werk uitdroeg – ‘neuken, neuken en nog eens neuken’, had een criticus een keer over de inhoud van een van zijn boeken opgemerkt, waarna de populariteit van de schrijver gedurende een korte periode helemaal geen grenzen meer leek te kennen – stond inmiddels haaks op zijn ietwat zorgwekkende uiterlijk. Door dat verleden heen blikten ze je toch van alle kanten opgewekt aan, dit tweetal dat de universiteit moest opstoten in de vaart der volkeren, de voormalige communiste en de jolige seksschrijver, de cultuurdragers uit een andere tijd – de uitvreters. Voor hoeveel geld stonden die lui hier op de loonlijst? En wat deden ze daarvoor, behalve op die posters staan? En waarom stond August niet op zo’n enorm reclamebiljet? Waar was het met hem misgegaan dat hij hier echt gewoon moest werken voor zijn geld (een hongerloontje) terwijl die twee als filmsterren werden behandeld? Nee, die weg was August in gedachten al een keer ingeslagen, die liep dood, van dat pad moest hij terugkeren, meteen, nu. August liep dieper het gebouw in, naar de liften toe.
Daar was het een kleine hel. Er waren zes liften, drie aan de ene en drie aan de andere kant, en elke lift afzonderlijk bevond zich nu zwevend tussen of op een van de maar liefst zestien verdiepingen die het gebouw telde, maar geen ervan bevond zich op de begane grond. Op die begane grond verdrongen zich zo’n driehonderd studenten in een poging een plaats te bemachtigen zodra een van de liften beneden zou aankomen. Iedereen had haast. Het was iets voor negenen in de ochtend en de colleges begonnen hier exact op het hele uur; een academisch kwartiertje was op deze universiteit onbekend. Dat wil zeggen: alle colleges zouden precies om negen uur beginnen, behalve dat van August, want hij – de docent (en dat vond hij zelf een nogal onwaarschijnlijke omschrijving van zijn activiteiten hier, of op zijn zachtst gezegd een eigenaardige kronkel in het pad van zijn carrière) – stond nog beneden tussen de onrustige studenten. Hij zag niet voor zich hoe hij op tijd de elfde verdieping, want daar moest hij zijn, kon bereiken. Hij keek om zich heen of hij studenten van hem herkende. Nee. Die zouden allemaal al wel braaf boven op hem zitten te wachten, want zo waren de studenten hier: braaf, braver dan hij van zichzelf of zijn medestudenten herinnerde, bijna dertig jaar geleden. August had gestudeerd aan de ándere universiteit van deze stad, de atheïstische. Even vertoefde hij in gedachten in zijn verleden, waar hij uit terugkeerde omdat hij nu toch een student van hem zag. Zijn Chinese studente. Slank, lang, aantrekkelijk. Hoe heette ze ook weer? Hij moest zichzelf niet voor de gek houden. Natuurlijk wist hij dat. Natuurlijk wist hij hoe deze studente heette. Li. Li Boers, om precies te zijn. Li Boers was met afstand zijn favoriete studente. Li was een van de weinige redenen dat hij hier soms toch nog met enig plezier kwam.
Alle liften waren martelend langzaam met hun weg omhoog bezig – dat kon je zien aan de cijfers boven elke lift die aangaven op welke verdieping het dalende of stijgende hok zich bevond – maar een was nu toch begonnen aan de afdaling. Meteen kwam er nog meer beweging in de studentenmassa. Met hoeveel konden ze in één lift? Met z’n veertienen, als ze niet al te dik waren? Dicht op elkaar, stilstaand terwijl de adem van een ander in je nek blies. August overwoog serieus van de noodtrappen gebruik te maken. Het trappenhuis – donker, macaber beton – bevond zich om de hoek van de liften. Hij had daar één keer eerder zijn toevlucht tot genomen. Hij herinnerde zich de slopende beklimming met nog enkelen die hiervoor hadden gekozen en die hem in het matig verlichte trappenhuis hadden begeleid als schimmen in een van de kringen van Dantes hel. Hij kon zich niet goed herinneren hoe hij uiteindelijk precies boven was gekomen, zo aan het eind van zijn Latijn was hij geweest. Wat hem nog wel levendig voor de geest stond, was dat hij het hele college bezig was geweest zijn ademhaling onder controle te krijgen en zijn hartslag weer in een normaal ritme. Het was ongetwijfeld niet een van zijn beste optredens geweest. Het had zijn dood kunnen worden. Het trappenhuis was kortom geen optie. Elf verdiepingen omhoogklimmen – zou de literatuurcritica met het overdreven rode haar of de jeugdig denkende schrijver met het ouwelijke uiterlijk dat wel eens hebben gedaan? Zouden die doen wat híj hier deed: wérken voor je geld? Zouden die hier überhaupt iets anders doen dan enkel cashen? Nee, nu gingen zijn gedachten toch weer een verkeerde kant op.
De langzaam afdalende lift was op zo’n beetje elke verdieping gestopt, maar nu kwam hij er toch echt aan. De meute studenten drong naar voren. Zijn Chinese studente stond bijna vooraan. Misschien kon ze tegen zijn andere studenten zeggen dat hij iets later kwam. August ondernam een halfslachtige poging naar haar te zwaaien om de aandacht op zichzelf te vestigen zodat hij de een of andere boodschap kon doorseinen. Ze zag hem niet.
Daar was de lift; het rode lampje van de 0 ging aan en langzaam schoven de deuren open. Er kwam niemand uit, en toch stapte niemand in. Het werd opeens erg stil. August ving vanuit zijn positie een tiental meters van de lift vandaan een glimp op van wat er binnen te zien was: de reden van ieders aarzeling om naar binnen te stappen. Hij moest moeite doen om er in zijn brein een compleet plaatje van te maken, maar hij twijfelde niet aan wat hij zag, hoewel het iets ongelooflijks en verbijsterends had. Eddie Maan, dacht hij.
Toen sloten de liftdeuren langzaam weer. De lift begaf zich vervolgens op weg, niet naar boven, maar naar beneden, naar verdieping -1. Daar brandde het lampje al, ten teken dat de lift daar was aangekomen. August was er nooit geweest. Hij had zich regelmatig afgevraagd wat zich daar op die verdieping -1 bevond. Een gigantische kelder? Martelruimten? Een machinekamer? Een immens en onthutsend niets? Een fietsenkelder? De gereformeerde God?
De stilte werd doorbroken. Er gilde iemand. Meer studenten begonnen te schreeuwen. Er volgden onrustige bewegingen. Studenten botsten tegen elkaar op. August werd verder naar achteren geduwd. De lift was weer aan zijn tocht naar boven begonnen. De studenten hielden plotseling op met bewegen. Ze keken allen één kant op. De lift stopte. De deuren openden zich. Iedereen probeerde naar binnen te kijken. August ging op zijn tenen staan.
Binnen was niets anders te zien dan een gapende leegte. Of nee, aan de achterwand, dat kon zelfs August vanuit zijn positie niet ontgaan, was een veeg bloed te zien. Een forse veeg bloed. Waar zojuist nog het lichaam van Eddie Maan te zien was geweest – want dat was het plaatje dat zich zojuist in het brein van August had gevisualiseerd: een verder lege lift met daarin het bewegingloze lichaam van Eddie Maan, dat in een rare knak half op de vloer en half tegen de achterwand had gelegen, met uit zijn schedel bloed dat, als betrof het een horrorfilm, nog tevoorschijn kwam gutsen, bloed, vérs bloed, gutsen – herinnerde nu alleen nog die rode veeg aan hem. Maan zelf was verdwenen. Misschien hing zijn geest nog in het lifthokje. August zag even een bijna nog schokkender beeld voor zich: de geest van Eddie Maan, wanhopig op zoek naar zijn lichaam.

[...]

 

© Arie Storm

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum