Leesfragment: Met andere woorden

27 november 2015 , door Jhumpa Lahiri
|

Vandaag verschijnt het nieuwe boek van Jhumpa Lahiri: Met andere woorden (In altre parole, vertaald door Manon Smits). Wij brengen de eerste twee korte verhalen. ‘Ik bereik de andere kant, het is me moeiteloos gelukt. Ik zie het huisje, dat tot nu toe ver weg was, op twee stappen van me af. Ik zie in de verte de gedaantes van mijn man en kinderen. Ze lijken onbereikbaar, maar ik weet dat ze dat niet zijn. Na een oversteek wordt de bekende oever de overkant; hier wordt daar. Vol energie zwem ik opnieuw het meer over. Ik ben verrukt.’

Al vanaf haar debuutbundel Een tijdelijk ongemak schrijft Jhumpa Lahiri over het lot van de vreemdeling. Haar onvergetelijke verhalen en familiekronieken gaan over de cultuurshock die Indiase immigranten in Amerika ondergaan, en over hun kronkelpad naar assimilatie in een nieuw land.

Nu doet Lahiri moedig en openhartig verslag van haar eigen ervaringen. Twintig jaar geleden werd ze verliefd op Italië en het Italiaans. Door de jaren heen heeft ze zich de taal eigen gemaakt. Met Met andere woorden treedt ze in de voetsporen van Nabokov, Beckett en Conrad en schrijft ze voor het eerst in deze aangeleerde taal. Het is Lahiri's meest persoonlijke boek tot nu toe, het verhaal van een obsessie, een onderdompeling in een nieuwe cultuur, en van een wedergeboorte als schrijfster. Herkenbaar voor iedereen die zich ooit vreemdeling voelde.

N.B. Eerder publiceerden we voor uit Twee broers. Lees een fragment op Athenaeum.nl.

 

De oversteek

Ik wil een klein meer overzwemmen. Het is echt niet groot, maar toch lijkt de andere oever me te ver weg, die is voor mij niet haalbaar. Ik weet dat het meer in het midden heel diep is, en ook al kan ik zwemmen, ik vind het eng om in mijn eentje in het water te zijn, zonder enige steun.
Het bewuste meer bevindt zich op een afgezonderde, geïsoleerde plek. Om er te komen moet je een eindje lopen, door een stil bos. Aan de overkant is een huisje te zien, de enige woning aan de hele oever. Het meer heeft zich vlak na de laatste ijstijd gevormd, duizenden jaren geleden. Het water is schoon maar donker, zonder stroming, zwaarder dan zout water. Als je erin gaat zie je de bodem al niet meer zodra je een paar meter van de kant af bent.
’s Ochtends kijk ik naar de mensen die net als ik naar het meer komen. Ik zie hoe ze ongedwongen en relaxed naar de overkant zwemmen, hoe ze een paar minuten voor het huisje blijven zitten en dan weer terugzwemmen. Ik tel hun armslagen. Ik benijd hen.
Een maand lang zwem ik rondjes in het meer, zonder me in het midden te wagen. Dat is een veel grotere afstand, de omtrek vergeleken bij de diameter. Maar zo blijf ik steeds dicht bij de kant. Ik kan even stoppen, ik kan gaan staan als ik moe word. Het is een goede oefening, maar er is niets spannends aan.
Dan, op een ochtend tegen het eind van de zomer, heb ik bij het meer afgesproken met twee vrienden. Ik heb besloten samen met hen naar de overkant te gaan, om eindelijk recht naar het huisje te zwemmen. Ik ben het beu om alleen maar langs de kant te blijven.
Ik tel mijn armslagen. Ik weet dat mijn vrienden bij me in het water zijn, maar ik weet ook dat we alleen zijn. Na ongeveer honderdvijftig armslagen ben ik al in het midden, het diepste gedeelte. Ik ga door. Na weer honderd slagen zie ik de bodem alweer.
Ik bereik de andere kant, het is me moeiteloos gelukt. Ik zie het huisje, dat tot nu toe ver weg was, op twee stappen van me af. Ik zie in de verte de gedaantes van mijn man en kinderen. Ze lijken onbereikbaar, maar ik weet dat ze dat niet zijn. Na een oversteek wordt de bekende oever de overkant; hier wordt daar. Vol energie zwem ik opnieuw het meer over. Ik ben verrukt.
Twintig jaar lang heb ik de Italiaanse taal bestudeerd alsof ik rondjes zwom in dat meer. Ik bleef altijd dicht bij mijn dominante taal, het Engels. Ik bleef altijd langs de kant. Dat was een goede oefening. Weldadig voor de spieren, voor de hersens, maar er was niets spannends aan. Als je op die manier een vreemde taal leert, kun je niet verdrinken. De andere taal is er altijd om je te steunen, je te redden. Maar het is niet genoeg om wat rond te dobberen zonder de kans om te verdrinken, naar de bodem te zakken. Om een nieuwe taal goed te leren kennen, om je erin onder te dompelen, moet je verder weggaan van de kant. Zonder reddingsboei. Zonder dat je kunt rekenen op vaste grond onder je voeten.
Een paar weken nadat ik het kleine, verscholen meer ben overgezwommen, waag ik een tweede oversteek. Die is veel langer, maar totaal niet vermoeiend. Het wordt de eerste keer van mijn leven dat ik echt vertrek. Deze keer per schip, over de Atlantische Oceaan, om in Italië te gaan wonen.

 

Het woordenboek

Het eerste Italiaanse boek dat ik koop is een zakwoordenboek, met definities in het Engels. Het is 1994, ik sta op het punt om voor het eerst naar Florence te gaan. Ik ga in Boston een boekwinkel binnen met een Italiaanse naam: Rizzoli. Een mooie, verfijnde boekwinkel, die er nu niet meer is.
Ik koop geen reisgids, ook al is het mijn eerste bezoek aan Italië, en ook al ken ik Florence totaal niet. Via een vriend van me heb ik al het adres van een hotel. Ik ben student, ik heb weinig geld. Ik meen dat een woordenboek belangrijker is.
Het woordenboek dat ik kies heeft een plastic omslag, groen, onverwoestbaar, waterdicht. Het is licht, kleiner dan mijn hand. Het is ongeveer zo groot als een stuk zeep. Op de achterkant staat geschreven dat het circa veertigduizend Italiaanse woorden bevat.
Als mijn zus ontdekt dat ze haar muts kwijt is terwijl we door de bijna verlaten gangen van de Uffizi dwalen, sla ik mijn woordenboek open. Ik ga naar het Engelse gedeelte om te kijken wat ‘muts’ is in het Italiaans. Op de een of andere manier zeg ik, vast nogal krom, tegen een suppoost dat we een cappello kwijt zijn. Wonder boven wonder snapt hij wat ik zeg en algauw komt de muts weer boven water.
Na die keer neem ik jarenlang telkens als ik naar Italië ga dat woordenboekje mee. Het zit altijd in mijn tas. Ik zoek er woorden in op als ik op straat ben, als ik na een wandeling terugkom in het hotel, als ik probeer een artikel in de krant te lezen. Het leidt me, het beschermt me, het legt me alles uit.
Het wordt zowel mijn kaart als mijn kompas, ik weet dat ik verloren zou zijn als ik het niet had. Het wordt een soort gezaghebbende vader of moeder zonder wie ik de deur niet uit mag. Het is voor mij een heilige tekst, vol geheimen en onthullingen.
Op de eerste bladzijde schrijf ik op een gegeven moment: provare a = cercare di; ‘proberen om = trachten te’.
Dat willekeurige fragment, die lexicale vergelijking, zou een metafoor kunnen zijn voor de liefde die ik koester voor het Italiaans. Iets wat eigenlijk niets anders is dan een hardnekkig pogen, een voortdurend streven.
Twintig jaar nadat ik dat eerste woordenboek heb gekocht, besluit ik voor een langdurig verblijf naar Rome te verhuizen. Voordat ik vertrek vraag ik aan een vriend die er jaren gewoond heeft of ik een elektronisch woordenboek in het Italiaans nodig zal hebben, bijvoorbeeld een app op mijn mobiel, zodat ik elk moment een woord kan opzoeken.
Hij zegt lachend: ‘Binnenkort wóón je in een Italiaans woordenboek.’
Hij heeft gelijk. Na een paar maanden in Rome begin ik me te realiseren dat ik helemaal niet meer zo vaak iets opzoek in het woordenboek. Als ik de deur uit ga, blijft het meestal ongeopend in mijn tas zitten. Daardoor laat ik het steeds vaker thuis. Ik word me bewust van een ommekeer. Ik ervaar een gevoel van vrijheid, en tegelijkertijd van verlies. Ik besef dat ik ben gegroeid, een beetje in elk geval.
Tegenwoordig heb ik een heleboel andere woordenboeken op mijn bureau liggen, grotere, dikkere. Ik heb twee eentalige woordenboeken, waarin geen woord Engels voorkomt. Het omslag van dat kleine woordenboekje is nu een beetje versleten, een beetje vies. De bladzijden zijn vergeeld. Sommige beginnen los te laten.
Meestal ligt het op mijn nachtkastje, zodat ik snel een onbekend woord kan opzoeken als ik lig te lezen. Dit boekje stelt me in staat andere boeken te lezen, de deur naar een nieuwe taal te openen. Het vergezelt me nog altijd als ik op vakantie ga, als ik op reis ben. Het is onontbeerlijk geworden. Als ik het bij mijn vertrek per ongeluk vergeet mee te nemen, voel ik me een beetje onthand, net zoals ik me zou voelen als ik mijn tandenborstel zou vergeten, of een paar schone sokken.
Dat woordenboekje voelt inmiddels meer als een broer of zus voor me dan als een vader of moeder. Maar toch heb ik het nodig, het leidt me nog steeds. Het blijft boordevol geheimen. Dit kleine boekje blijft altijd groter dan ik.

 

© 2015 Jhumpa Lahiri
© 2015 Nederlandse vertaling Manon Smits

Uitgeverij Atlas Contact

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum