Leesfragment: Moussa, of de dood van een Arabier

04 oktober 2015 , door Kamel Daoud
| |

8 oktober verschijnt Kamel Daouds bekroonde en veelgeprezen romandebuut Moussa of de dood van een Arabier (Meursault. Contre-enquête, vertaald door Manik Sarkar). Wij publiceren voor. ‘Ongetwijfeld heb je het verhaal net als iedereen gelezen zoals die schrijver het heeft opgeschreven. Hij schrijft zo goed dat zijn woorden op eindeloos nauwkeurig uitgehakte stenen lijken. Hij was heel strikt met schakeringen, die held van jou; hij dwong ze haast om wiskunde te zijn. Oneindige berekeningen op basis van stenen en mineralen. Heb je gezien hoe hij schrijft? Hij beschrijft een schot en het is haast poëzie!’

Met Moussa of de dood van een Arabier heeft Kamel Daoud een stem gegeven aan ‘de Arabier’ uit de Franse klassieker De vreemdeling van Albert Camus. Haroen wordt al zijn hele leven gekweld door de zinloze moord op zijn broer door Meursault, de beruchte antiheld uit Camus’ roman. Haroen besluit zijn broer uit de anonimiteit te halen door hem een naam te geven: Moussa. En een stem, die de gebeurtenissen beschrijft die leidden tot Moussa’s dood op een oogverblindend Algerijns strand.

De roman Moussa of de dood van een Arabier is tegelijkertijd een liefdesverklaring aan en overpeinzing van de Arabische identiteit, waarin het kolonialisme en de druk van het geloof een grote rol spelen. Kamel Daoud won met Moussa of de dood van een Arabier de Prix Goncourt du Premier Roman 2015.

 

1

Vandaag is mijn moeder nog in leven.
Ze zegt niets meer, maar ze zou heel veel kunnen vertellen. Anders dan ik, die deze geschiedenis zo vaak ophaal dat ik me er nauwelijks iets van herinner.
Ik bedoel, het verhaal is ruim een halve eeuw oud. Het is gebeurd en er is veel over gepraat. Er wordt nog steeds over gepraat, maar de mensen noemen maar één dode – volkomen schaamteloos, begrijp je, terwijl er toch twee waren. Twee doden. Twee, ja. De oorzaak van die omissie? De eerste kon vertellen, zo goed dat hij zijn misdaad deed vergeten, terwijl de tweede een ongeletterde drommel was die kennelijk alleen door God was geschapen om een kogel te vangen en tot stof te vergaan, een naamloze die niet eens de tijd kreeg om een voornaam te dragen.
Ik zal er niet omheen draaien: die tweede dode, die vermoord werd, was mijn broer. Er is niks van hem over. Alleen ik ben er nog om voor hem het woord te voeren, hier in deze bar, hopend op condoleances die niemand me ooit aanbiedt. Je kunt erom lachen, maar dat is min of meer mijn missie: de stilte in de coulissen uitventen terwijl de zaal leegloopt. Dat is trouwens ook de reden dat ik deze taal heb leren spreken en schrijven: om te praten namens een dode, om zijn zinnen nog even te laten doorklinken. De moordenaar is beroemd geworden en heeft zijn verhaal zo goed opgeschreven dat het niet eens in me zou opkomen hem na te volgen. Het was zijn taal. Daarom doe ik wat sinds de Onafhankelijkheid iedereen in dit land doet: de stenen van de oude koloniale huizen een voor een weghalen om er een huis voor mezelf, een taal voor mezelf mee te bouwen. De woorden van de moordenaar, zijn zegswijzen, zijn mijn ‘onbeheerde eigendommen’. Het land ligt bezaaid met woorden die niemand meer toebehoren; ze staan op de voorgevels van oude winkels, in vergeelde boeken, op gezichten, of ze zijn vervormd door het vreemde creools dat de dekolonisatie tot stand heeft gebracht.
Het is dus behoorlijk lang geleden dat de moordenaar is doodgegaan, en te lang geleden dat mijn broer voor iedereen behalve mij ophield te bestaan. Ja, ja, ik weet het, je popelt om me al die vragen te stellen waar ik zo’n hekel aan heb, maar toch verzoek ik je om aandachtig te luisteren; dan zul je alles uiteindelijk begrijpen. Dit is geen gewoon verhaal. Het is een verhaal dat begint aan het einde en teruggaat naar het begin. Als een school zalmen ja, maar dan getekend met potlood. Ongetwijfeld heb je het verhaal net als iedereen gelezen zoals die schrijver het heeft opgeschreven. Hij schrijft zo goed dat zijn woorden op eindeloos nauwkeurig uitgehakte stenen lijken. Hij was heel strikt met schakeringen, die held van jou; hij dwong ze haast om wiskunde te zijn. Oneindige berekeningen op basis van stenen en mineralen. Heb je gezien hoe hij schrijft? Hij beschrijft een schot en het is haast poëzie! Zijn wereld is helder, duidelijk en precies, geciseleerd door de heldere ochtend, geschetst met geuren en vergezichten. De enige schaduw zijn de ‘Arabieren’, onduidelijke, onsamenhangende objecten, afkomstig ‘van voorheen’, spoken met als enige taal de klank van een fluit. Ik denk dat hij er genoeg van had om rond te moeten zwerven in een land dat hem – dood of levend – niet wilde. De moord die hij beging was als de daad van een geliefde, bedrogen door de grond die hij niet kon bezitten. De stumper – wat moet hij geleden hebben, als kind van een oord waaruit hij niet was geboren!
Ook ik heb zijn versie van de feiten gelezen. Net als jij en miljoenen anderen. Vanaf het begin is het meteen glashelder: hij droeg een mensennaam, mijn broer de naam van een gebeurtenis. Hij had hem ook ‘Veertien Uur’ kunnen noemen, zoals die ander, die zijn slaaf ‘Vrijdag’ noemde. Een moment van de dag in plaats van een dag van de week. Veertien Uur, ja, dat klinkt niet gek. Zjoezj in het Arabisch, twee, het tweetal, hij en ik, voor degenen die het verhaal van dit verhaal kennen in zekere zin een onvermoede tweeling. Een Arabier, kortom, technisch vluchtig, die twee uur heeft geleefd en zeventig jaar lang ononderbroken is doodgegaan, ook na zijn begrafenis. Mijn broer Zjoezj zit als het ware onder glas: zelfs vermoord blijft men hem steevast aanduiden met een naam als een zucht en de wijzers van een klok, en laat men hem zijn dood steeds opnieuw naspelen, zijn dood veroorzaakt door een kogel, afgeschoten door een Fransman die niet wist wat hij aan moest met zijn dag en met de rest van de wereld die hij op zijn rug droeg.
En nu alweer! Als ik het verhaal in mijn hoofd afspeel, word ik razend – wanneer ik daar de kracht voor heb, tenminste. De Fransman doet of hij de dode is, hij weidt uit over de manier waarop hij zijn moeder verloor, hoe hij vervolgens in de zon zijn eigen lichaam kwijtraakte en daarna dat van een geliefde, hoe hij naar de kerk ging om te constateren dat zijn God het lichaam van een mens in de steek had gelaten, hoe hij waakte over de lichamen van zijn moeder en zichzelf enzovoort. Grote god, hoe kún je: iemand vermoorden en hem dan ook nog zijn dood afnemen? Die kogel heeft toch mijn broer geraakt, niet hem! Moussa, niet Meursault – nou dan! En wat ook verbijsterend is: zelfs na de Onafhankelijkheid heeft niemand geprobeerd de naam van het slachtoffer te achterhalen, of zijn adres, zijn afstamming, zijn eventuele kinderen. Niemand. Iedereen stond met open mond te kijken naar die perfecte taal die de lucht facetten gaf als van een diamant, iedereen uitte zijn mede - leven met de eenzaamheid van de moordenaar en bood hem hooggeleerde condoleances aan. Wie kan de werkelijke naam van Moussa noemen? Wie weet welke rivier hem naar de zee heeft gevoerd die hij te voet moest oversteken, alleen, zonder volk, zonder magische staf? Wie weet of Moussa een revolver, een filosofie of een zonnesteek had?
Wie Moussa is? Mijn broer. Daar wilde ik naartoe. Vertellen wat Moussa nooit heeft kunnen zeggen. Toen je de deur van deze bar openduwde heb je een graf geopend, jonge vriend. Heb je het boek in je schooltas zitten? Goed zo, hang dan even de discipel uit en lees de eerste alinea’s voor…
Heb je het begrepen? Nee? Dan zal ik het je uitleggen. Wanneer zijn moeder doodgaat, heeft deze man, de moordenaar, geen land meer, en vervalt hij in ledigheid en absurdisme. Hij is een Robinson Crusoe die meent dat hij zijn lot kan veranderen door zijn Vrijdag te doden, maar die ontdekt dat hij niet van het eiland af kan en dan als een zelf - ingenomen papegaai begint te oreren. ‘Poor Meursault, where are you?’ Als je die uitroep een paar keer herhaalt, klinkt hij al minder belachelijk – probeer maar. Ik vraag het je voor je eigen bestwil. Ik ken dat boek uit mijn hoofd, ik kan het van begin tot eind opdreunen, als de Koran. Het verhaal is geschreven door een lijk, niet door een schrijver. Dat weet je omdat hij zoveel last heeft van de zon en de schitterende kleuren en omdat hij nergens een mening over heeft behalve over de zon, de zee en de rotsen die er toen nog waren. Vanaf het begin voel je dat hij op zoek is naar mijn broer. In werkelijkheid niet zozeer om hem te ontmoeten als wel om dat nooit te hoeven. Wat me pijn doet, telkens als ik eraan denk, is dat hij hem heeft gedood door over hem heen te stappen, niet door hem neer te schieten. De nonchalance van zijn misdaad is groots, weet je. Die heeft elke latere poging om mijn broer als sjahied te presenteren onmogelijk gemaakt. De martelaar is te lang na de moordaanslag verschenen. Ondertussen is mijn broer vergaan en werd het boek succesvol. En dus heeft daarna iedereen alles gedaan om te bewijzen dat er helemaal geen sprake was van moord, alleen van een zonnesteek.
Ha, ha. Wat drink je? Hier worden de beste dranken pas na je dood geschonken. Dat is het geloof, broeder. Schiet maar op; als over een paar jaar de wereld is vergaan, is er alleen in het paradijs nog een bar open.
Voordat ik het verhaal vertel, zal ik het voor je samenvatten: een man die goed kan schrijven doodt een Arabier die op die dag niet eens een naam heeft – alsof hij die aan een spijker heeft gehangen voordat hij het decor betrad – en begint dan uit te leggen dat het de schuld is van een god die niet bestaat en van wat hem in de zon duidelijk is geworden en van het zout van de zee dat hem dwong zijn ogen te sluiten. Zo wordt de moord in één klap een straffeloze daad, en daarna is het zelfs geen misdaad meer omdat er tussen twaalf en veertien uur geen wetten gelden, tussen hem en Zjoezj, tussen Meursault en Moussa. Vervolgens heeft iedereen zeventig jaar lang meegeholpen om het lichaam van het slachtoffer weg te moffelen en de plaats delict te veranderen in een onstoffelijk museum. Wat betekent Meursault? Meurt seul, sterft alleen? Meurt sot, sterft getikt? Sterf nooit? In het verhaal werd mijn broer geen woord gegund. En dat is waar jij op een dwaalspoor geraakt, net als al je voorgangers. Het absurde is wat mijn broer en ik moeten dragen, op onze rug of in de buik van onze aarde, en die ander niet. Begrijp me goed, ik ben niet verdrietig of boos. Ik ga niet eens doen of ik rouw. Het is alleen… tja, wat? Ik weet het niet. Ik denk dat ik wil dat er recht wordt gedaan. Dat kan belachelijk klinken op mijn leeftijd… maar ik zweer je dat het waar is. Dan heb ik het niet over het recht van een rechtbank, maar over een recht van het evenwicht. En er is nog een reden: als ik heenga, wil ik niet door een geest worden achtervolgd. Ik geloof dat ik weet waarom mensen waargebeurde verhalen schrijven. Niet om de roem, maar om onzichtbaarder te worden, en onderwijl mee te kunnen eten van de ware kern van de wereld.
Neem een slok en kijk uit het raam, dit land lijkt wel een aquarium. Oké, oké, maar dat is ook jouw schuld, vriend, je nieuwsgierigheid stookt me op. Ik wacht nu al zoveel jaren, en als ik mijn boek niet kan schrijven, kan ik het op z’n minst aan jou vertellen, nietwaar? Iedere drinker droomt van een toehoorder. Dat is de wijze les van vandaag, schrijf die maar op in je schrift…
Het is heel eenvoudig: het verhaal moet herschreven worden, in dezelfde taal, maar dan van rechts naar links. Dat wil zeggen door te beginnen met het nog levende lichaam van de Arabier, de stegen die hem naar zijn einde voerden, en zijn naam, tot aan zijn ontmoeting met de kogel. Ik heb deze taal mede geleerd om dat verhaal te kunnen vertellen, in naam van mijn broer die bevriend was met de zon. Klinkt dat ongeloofwaardig? Toch is het zo. Ik moest het antwoord vinden dat niemand me wilde geven toen ik het nodig had. Je kunt een taal drinken en spreken, tot ze op een dag bezit van je neemt; en dan begrijpt zij de dingen in plaats van jijzelf, overmeestert ze je mond, als een innige kus van een liefdespaar. Ik kende iemand die Frans leerde omdat zijn ongeletterde vader op een dag een telegram kreeg dat niemand kon ontcijferen – dat was in de tijd van jouw held en de kolonisten. Het telegram lag een week in zijn zak te vergaan totdat iemand het hem voorlas. In drie regels werd hem erin meegedeeld dat zijn moeder dood was, ergens in de diepte van het land waar geen bomen zijn. ‘Ik heb leren schrijven voor mijn vader, zodat er nooit meer zoiets hoeft te gebeuren. Ik ben nooit vergeten hoe woedend hij op zichzelf was en hoe hij me met zijn ogen om hulp vroeg,’ zei die man tegen mij. Eigenlijk heb ik dezelfde reden. Toe maar, lees maar door, ook al staat alles opgeschreven in mijn hoofd. Elke avond komt mijn broer Moussa alias Zjoezj uit het dodenrijk tevoorschijn, trekt me aan mijn baard en schreeuwt: ‘O Haroen, waarom heb je dit laten gebeuren, broer? Ik ben geen vaars, ik ben je broer, verdomme!’ Toe maar, lees maar verder!
Laat ik eerst wat dingen verduidelijken: mijn broer en ik waren met z’n tweeën, er waren geen zussen van lichte zeden, zoals jouw held in zijn boek suggereerde. Moussa was ouder dan ik, hij botste met zijn hoofd tegen de wolken. Ja, hij was groot, zijn lichaam was mager en knokig van de honger en het had de kracht die je van woede krijgt. Hij had een hoekig gezicht, grote handen die me beschermden en een harde blik vanwege de verloren grond van onze voorouders. Als ik erover nadenk, denk ik dat hij toen al als een dode van ons hield, dat wil zeggen zonder overbodige woorden en alsof hij ons uit het hiernamaals bekeek. Ik heb weinig beelden van hem, maar ik zal ze zorgvuldig beschrijven, daar hecht ik aan. Zoals die dag dat hij eerder thuiskwam van de haven of de markt in onze wijk; hij werkte als sjouwer en als manusje-van-alles; hij droeg, sleepte, tilde en zweette. Toen hij me zag spelen met een oude band nam hij me op zijn schouders en zei dat ik zijn oren moest vasthouden alsof zijn hoofd een stuur was. Ik weet nog hoe heerlijk het was om de hemel aan te raken terwijl hij bromde als een motor en de band voortduwde. En ook nog hoe hij rook. Een hardnekkige geur van verrotte groente en zweet, van spieren en adem door elkaar. Nog een beeld: Suikerfeest. De avond ervoor had hij me ervan langs gegeven omdat ik iets stoms had gedaan, en nu voelden we ons allebei een beetje opgelaten. Het was de dag van vergeving, hij zou me een kus moeten geven, maar ik wilde niet dat hij zijn trots zou beschamen of zich ertoe zou verlagen om me vergiffenis te vragen, al was het dan in naam van God. Ik herinner me ook zijn talent om onbeweeglijk op de drempel van het huis te staan, tegenover de muur van de buren, met een sigaret en een kop zwarte koffie die mijn moeder hem bracht.
Mijn vader was al eeuwenlang verdwenen, verkruimeld tot geruchten van mensen die zeiden dat ze hem in Frankrijk waren tegengekomen, en alleen Moussa hoorde zijn stem en vertelde ons wat hij hem in zijn dromen voorzegde. Mijn broer had hem maar één keer teruggezien, en dan nog van zo’n afstand dat hij het niet eens zeker wist. Als kind kon ik de dagen met praatjes onderscheiden van de dagen zonder. Als Moussa, mijn broer, iemand over onze vader hoorde kletsen, kwam hij naar huis met drukke gebaren en een blik van vuur en voerde hij op fluistertoon lange gesprekken met mama, die uitliepen op felle ruzies. Ik werd erbuiten gehouden, maar de essentie kon me niet ontgaan: om een duistere reden nam mijn broer mama iets kwalijk, en zij verdedigde zich op een nog duisterder manier. Dagen en nachten van onrust en woede, en ik herinner me de paniek die ik voelde bij het idee dat Moussa ons ook zou verlaten. Maar de volgende ochtend kwam hij altijd naar huis, dronken, merkwaardig trots op zijn rebellie en als vervuld van een nieuwe kracht. Dan werd mijn broer Moussa weer nuchter, alsof hij was uitgedoofd. Dan wilde hij niets anders dan slapen, en kreeg mijn moeder haar zeggenschap over hem weer terug. De beelden in mijn hoofd, meer heb ik niet te bieden. Een kop koffie, sigarettenpeuken, zijn espadrilles. Mama die huilde, maar zich direct herpakte om naar een buurvrouw te glimlachen die thee of kruiden kwam lenen, die van verdriet naar beleefdheid ging met een snelheid die me toen al liet twijfelen aan de oprechtheid ervan. Alles draaide om Moussa, en Moussa draaide om onze vader die ik nooit gekend heb en die me niets anders heeft nagelaten dan mijn achternaam. Weet je hoe we heetten in die tijd? Oeled el-assasse, zoon van de bewaker. Van de nachtwaker, om precies te zijn. Mijn vader werkte als bewaker in een of andere fabriek. Op een nacht verdween hij. Dat is alles. Dat is wat er gezegd wordt. Vlak na mijn geboorte, in de jaren dertig. Daarom stel ik me hem altijd donker voor, gehuld in een jas of een zwarte djellaba, weggedoken in een slecht verlichte hoek, zwijgend en zonder antwoord voor mij.
Moussa was dus een ingetogen, weinig praatgrage god. Met zijn dichte baard en zijn armen die de nekken konden omdraaien van de soldaten van iedere oeroude farao leek hij wel een reus. Daarmee bedoel ik te zeggen dat ik, op de dag dat we hoorden dat hij dood was en hoe dat was gebeurd, verdriet noch woede voelde – eerder teleurstelling, gekrenktheid, alsof iemand me beledigd had. Mijn broer Moussa was in staat de zee te splijten en hij stierf in onbeduidendheid, als een doodgewone figurant, op een strand dat nu verdwenen is, vlak bij de golven die hem wereldberoemd hadden moeten maken!
Ik heb nauwelijks om hem gehuild, ik keek alleen anders naar de hemel dan eerst.

[...]

 

© 2013 Editions barzakh, Algiers;
© 2014, Actes Sud
© 2015 Nederlandse vertaling Ambo|Anthos uitgevers, Amsterdam en Manik Sarkar

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum