Leesfragment: Niets dan de nacht

27 november 2015 , door John Williams

Niets dan de nacht (Nothing But the Night, vertaald door Edzard Krol) is het debuut van John Williams uit 1948. Het boek staat in mei in de schijnwerpers van Lebowski's Book of the Month Club. Williams biograaf, Charles J. Shields, schreef het voorwoord. 'De stijl van Williams is niet te vergelijken met de stem waarmee Stoner (1965) en Augustus (1972) zich zullen onderscheiden. In Niets dan de nacht schemeren de schrijvers door die hem beïnvloedden – F. Scott Fitzgerald, Thomas Wolfe, Ernest Hemingway en Sherwood Anderson – zoals bij de meeste jonge schrijvers van die generatie.' Wij publiceren het eerste hoofdstuk voor.

 

John Williams was 26 toen zijn debuutroman Niets dan de nacht verscheen. In dit kleine, maar adembenemende verhaal onderzoekt Williams de impact van een vroeg-traumatische ervaring. Als kind was Arthur Maxley getuige van een gewelddadige gebeurtenis die zijn leven voorgoed zou tekenen. In Niets dan de nacht volgen we de inmiddels volwassen, eigenzinnige Arthur tijdens een veelbetekenende dag in zijn leven: de dag waarop hij zijn vader, die hij sinds die afschuwelijke nacht in zijn jeugd niet meer heeft gezien, zal ontmoeten. Het weerzien brengt Arthurs oude demonen weer tot leven.

John Williams (1922-1994) is wereldwijd herontdekt als schrijver van een uniek en hartverscheurend oeuvre. Alleen al in Nederland werden van Stoner, Butcher’s Crossing en Augustus samen meer dan 450.000 exemplaren verkocht.

N.B.: Lees verder bij ons een fragment uit Augustus en ook een fragment uit Stoner.

 

Niets dan de nacht

De droom, waarin hij gewichtloos en apathisch was, waarin hij een uitdijende nevel van bewustzijn was die kolkte en trilde in een uitgestrekte duisternis, was aanvankelijk zonder gevoel, slechts een vaag soort associatieve waarneming, blind, hersenloos en afwezig, alleen maar in staat een onderscheid te maken tussen hemzelf en de duisternis.
Waarna hij zich van meer bewust begon te worden, van een soort dankbaarheid voor het gevoelloze wezen dat hij in de droom was. Onuitgesproken, en zonder erover na te denken, beviel hem dat zozeer dat hij, als hij de keuze had, zou hebben besloten altijd in die blinde schoot van het niets te blijven.
Maar het eigenaardige aan het dromen is dat de dromer van kracht is verstoken. Hoewel hij vaak begiftigd lijkt te zijn met geweldige gaven, vermogens die wakker niet zijn voor te stellen, kan de dromer alleen maar zijn dromende geest aanschouwen, zijn droomwereld verkennen, moet hij weten dat hij slechts zoveel kracht heeft als hem wordt gegund door de droom, de toestand waarin hij bestaat. Hij is het werktuig van een duistere grapjas, een macabere potsenmaker die werelden in een wereld schept, levens in een levend wezen, breinen in een brein. Al zijn verbeelde krachten zijn afkomstig van deze opgewekte scenarioschrijver, die er genoegen in schept om te geven en te nemen.
Aldus begon hij zich in zijn zwevende staat wat minder zeker te voelen; en naarmate hij zich van meer bewust werd, nam zijn dankbaarheid af, en drongen zich heftige gevoelens op, en ineens, tijdens een onlogische overgang, merkte hij dat hij zich niet langer in een volmaakte staat in de uitgestrekte duisternis bevond, maar iets was geworden, een persoon, onvolmaakt en levend, in een ziekteverwekkende, lichte wereld die vanuit de leegte opdoemde.
Even herkende hij de plek niet waar hij zichzelf aantrof, terwijl hij onzichtbaar door de kamer zweefde, nog altijd dobberend op een golf onverklaarbare afstandelijkheid. Het was een groot, amper verlicht vertrek, met druk pratende mensen, vol en warm. Om hem heen strekten de muren zich eindeloos uit. Ze waren lichtbeige, met smaakvolle, bruine sierlijsten, volgehangen met honderden opzichtige en betekenisloze schilderijen. Er hing een stemming, een sfeer die hem vrij bekend voorkwam, toch kon hij er geen naam voor vinden. Als hij had gekund, zou hij zich onder de mensen in de zaal hebben begeven, zou hij met hen hebben sproken en vragen hebben gesteld. Maar hij wist dat hij niet uit eigen vrije wil kon handelen. Hij was nog altijd overgeleverd aan de geest van de droom, en zolang die geest er geen opdracht toe gaf, kon het er niet van komen.
Toch mocht hij vanuit zijn andere dimensie naar het verzamelde gezelschap kijken; en hij bekeek hen alsof ze op een objectglaasje poseerden, kronkelend onder een immense microscoop. Hij zag het feestmasker, de valse, overdreven glimlach, die bestond uit een kort tonen van de mondholte, waarbij het vochtige, roze tandvlees te zien was, het pas gepoetste, naar blauw zwemende glazuur van gereinigde tanden – het meedogenloze aanspannen van spieren dat het gezicht tot een netwerk van grijns en rimpels vertrok, een anatomisch experiment bedoeld om te charmeren.
En hij zag de deftige heren, plomp uitgedost in hun weinig opwindende, bol staande smoking, die hun woorden uitstootten met wolken sigarenrook en de dure geuren van gin en vermout; en de eindeloze reeks op elkaar lijkende dames, van wie de omvang van de borsten en dijen tot vervelens toe in lange, nauwsluitende jurken werd getoond, met opgedofte, onherkenbare gezichten, fluit-achtige en lege stemmen.
En plotseling herinnerde de dromer zich waar hij was. Het schoot hem onverwacht te binnen en hij accepteerde het zonder zich erover te verbazen. Dit was de woning van Max Evartz. Die kende hij goed. Hij onderbrak zijn weinig systematische, kritische observatie van de feestgangers en keek het vertrek door, op zoek naar Max, keek en wist voordat hij keek dat hij hem niet zou zien. Je zag Max nooit op zijn eigen feestjes. Als het feest van start ging, trok hij zich met zijn kolossale lijf beleefd terug en daarna werd hij niet meer gezien. Hij was een wijze en succesvolle gastheer.
Nu hij zijn omgeving uiteindelijk herkend had, reikte zijn herinnering verder. Hij kende deze mensen, allemaal. Zijn geest mocht de vele gezichten langsgaan en erbij stilstaan, aan iedereen denken en iedereen typeren. En terwijl de herinneringen zich opdrongen, gleed zijn abstracte staat als een te grote cape van hem af en merkte hij dat hij onweerstaanbaar omlaag werd getrokken, het gewoel van de werkelijkheid in, merkte hij dat hij een klein onderdeel van deze mensenmassa werd.
Op dat moment zag hij de jongeman; en daar waar een deel van zijn geest zich verbaasde over de hardnekkige bekendheid van diens gezicht, raakte een ander deel ergens ernstig van doordrongen, van een onontkoombaar en onuitspreekbaar besef van de reden waarom hij hier was neergepoot, waarom hij nu stond te kijken, en wat er zou gaan gebeuren.
De jongeman zat alleen in een grote stoel in een hoek van het vertrek. Zijn haren vielen in lange, blonde strengen van zijn hoofd, en nu en dan ging er afwezig een slanke hand omhoog om ze met een weinig effectief gebaar op hun plek te vegen. Hij was tenger gebouwd en zijn gestalte viel enigszins op door een wat gebukte houding, die zelfs te zien was als hij zat. Hij was bleek; maar zijn bleekheid duidde op meer dan een louter gebrek aan zon. Er leek een deegachtig kussen onder zijn huid te zitten; je kreeg het idee dat als je zijn gezicht met een nieuwsgierige vinger aanraakte de huid zo zou blijven staan als je hem had ingedrukt, alsof die niet de gebruikelijke veerkracht van gezonde huid en spieren had. Zijn ongewone bleekheid stak af tegen een verrassend stel bloedrode lippen. Het was niet bepaald een sensueel rood, noch een ongezond rood. Integendeel, het leek de enige gezonde trek op een verder ziekelijk gelaat.
Je zag hem vaak op de feestjes van Max, maar zelfs voor een waarnemer die niet gezegend was met de bovennatuurlijk scherpe blik van de dromer, was het duidelijk dat hij er niet thuishoorde. Hij leek behept met een innerlijke rusteloosheid, waardoor hij net zo min op zijn gemak was met zichzelf als met een ander. Hij zat op het puntje van zijn stoel, gespannen, alsof hij elk moment kon opspringen om in pure paniek weg te vluchten. Toch werd hij hier vaak gezien, evenals op andere, vergelijkbare bijeenkomsten, en aldoor was hij een genegeerde vreemdeling, een buitenbeentje. Al deze dingen hingen altijd zonder mankeren als een slecht zittend pak om hem heen.
Wie kende deze man? vroeg de dromer zich af. Wie wist wie hij echt was? Wie wist waar hij vandaan kwam, wie wist waar hij heen ging? Dit is de echte onbekende, dacht de dromer: niet degene die je nooit hebt gezien, niet degene die je nooit hebt gekend, niet het gezicht waarvan je op de overvolle straat een glimp hebt opgevangen: niet de duistere, eenmaal gehoorde stem: niet het vreemde gelaat waarover je hebt gelezen: die niet. Maar hier – hier in deze man die je te goed kent om te kennen, die je te vaak hebt gezien om ooit te bekijken. Hier is jouw echte onbekende in de straten: deze ineengedoken, blonde, gespannen figuur die in de hoek van een kamer op een stoel zit, onopgemerkt en alleen.
Want hij was onopgemerkt en alleen, en niemand kende hem. Slechts een paar mensen konden vertellen hoe hij heette... en dat was alles. Van de eenvoudige, wezenlijke feiten van zijn leven was niemand hier op de hoogte. Ze werden niet belangrijk genoeg geacht om bij stil te staan, al helemaal niet om te achterhalen.
Voor deze mensen was hij een betekenisloos geluid, een explosie zonder ontwrichting.
De dromer herinnerde zich een specifiek voorbeeld. Hij herinnerde zich dat hij hem eens zenuwachtig midden in de woning van Max Evartz had zien staan, dat hij met snel knipperende ogen om zich heen keek, terwijl zijn rusteloze vingers de steel van zijn cocktailglas streelden en hij alles wat er gebeurde met de geconcentreerde intensiteit van een bijziende uil in zich opnam. Dat was zijn gebruikelijke houding en zijn gebruikelijke gedrag. Soms bleef hij een heel half uur achtereen zo staan, vrijwel zonder zich te bewegen, zonder iets te zeggen, luisterend naar het onbegrijpelijke gekwebbel om hem heen. Totdat een toevallige opmerking zijn oren bereikte, en hij ineens met zijn voet stampte en luid begon te schreeuwen, betekenisloze, minachtende, beledigende woorden, gericht op onaangedane, verbaasde gezichten. Dan trok zijn eigen gezicht samen tot een verachtende, afkeurende grijns, trok er een neerslachtige rilling door zijn dunne, rode lippen, en verscheen er een geïrriteerde roze zweem op het ongezonde deeg van zijn wangen. En hij weigerde te stoppen met zijn heetgebakerde tirade als de mensen bij hem vandaan liepen, zoals ze onveranderlijk geschrokken deden. Hij volgde ze de kamer door, waarbij zijn gescheld zo subtiel in wanhoop en smeken overging dat het nooit iemand opviel.
Vervolgens, even abrupt als hij ermee was begonnen, hield hij ermee op. En staarde hij degene of degenen tegen wie hij had gesproken dof aan, alsof ze ongewenste, vreemde indringers waren. Waarop hij zich omdraaide, hen verbijsterd, bang en enigszins beschroomd achterliet, en zich in zijn hoek van de kamer terugtrok. Daar verviel hij in een comateuze stilte die soms vijf minuten duurde, soms een uur, en dikwijls de rest van de avond. Al die tijd had het geen zin om te proberen hem wakker te schudden. Hij leek zich nergens meer van bewust, behalve van zijn eigen, zwijgende zelf.
Dus nu keek de dromer naar die kleine, bleke gestalte in de al te grote stoel. En terwijl hij keek, kreeg hij steeds meer het gevoel dat er onheil dreigde. Maar zodra hij wilde vluchten, het vertrek wilde verlaten, merkte hij dat hij zich niet kon bewegen, elke kracht om zich te bewegen werd hem door het dromenduiveltje afgenomen. Toen de droom plotseling misging, veel sneller dan hij voor mogelijk had gehouden, kwam hij in paniek overeind. Er volgde een verblindende explosie van licht, die een ondoordringbaar duistere leegte achterliet; waarna vanuit de duisternis, vele malen versterkt, het geluid van de mensenmenigte klonk. Ze schreeuwden wild, hard, vervuld van een diepe haat, en hij wist waarom ze schreeuwden.
Toen trok de duisternis op. En op het ogenblik dat dit gebeurde, zag hij alle feestgangers, alle tot dan toe bezadigde aanwezigen in de zaal, samendrommen rond die veel te grote stoel in een hoek, waar ze hun onzinnige woede lieten neerkomen op een ineengedoken, negerend wezen. In deze menselijke kring bevond zich de dromer, nogal dicht bij de bleke jongeman, en toen de mensenmassa naar binnen drong en hij voelde dat hij werd meegeduwd, in de richting van degene die op de stoel zat, vond hij ineens de kracht om te schreeuwen, had hij ineens weer de kracht om te bewegen en te vechten. Maar hij kon niet uit de kring ontsnappen; de menigte bleef meedogenloos tegen hem aan duwen, en hij was niet sterk genoeg om zich tegen het gewicht van hun samentrekkende lichamen te verzetten. De dromer werd naar binnen, naar binnen geperst totdat hij zo dichtbij was dat hij het weefsel van de huid van de jongeman kon zien, totdat hij de dunne aderen kon zien op zijn berustende, gesloten oogleden. Hij probeerde nogmaals terug te krabbelen, in een laatste, wanhopige poging een fataal contact met dat lichaam te vermijden; maar het was vergeefs. Met een machtige, gemeenschappelijke beweging werd hij naar binnen geduwd en voelde hij dat een deel van hem de jongeling raakte, en toen wist hij het: uiteindelijk viel het kwartje en sprak hij in gedachten uit wat hij de hele tijd al had geweten. Nauwelijks merkbaar, moeiteloos, geluidloos, alsof hij een immateriële hoeveelheid lucht was, ging hij op in het rustende lichaam, smolt hij er met een snel en onverklaarbaar chemisch proces mee samen, werd hij zich er met een beklemmende shock van bewust dat hij eigenlijk deze persoon was, dat hij dit zelf was; en vlak voordat het gordijn van de duisternis werd neergelaten, keek hij op vanuit de plots opengeslagen ogen van de jongeman en zag de eindeloze zee van het aanzicht van de menigte, hoorde hij weer de dierlijke kreet van haar haat, voelde hij hun brute handen op zijn lichaam, zag hij dat hun vuisten werden geheven om bloederig neer te slaan, voelde hij een dringende scheut pijn, waarna de zee van bloed verduisterde, hij in het diepste donker wegzakte en nergens meer van wist.

© John Williams
© Vertaling uit het Amerikaans: Edzard Krol
© Nederlandse uitgave: Lebowski Publishers, Amsterdam 2015

Uitgeverij Lebowski

MINDBOOKSATH : athenaeum