Leesfragment: Nu de angst is verdwenen

27 november 2015 , door Monika Held
|

Begin april verschijnt Monika Held, Nu de angst is verdwenen (Der Schrecken verliert sich vor Ort, vertaald door Jantsje Post). 21 april wordt het bij het Goethe Institut gepresenteerd. Wij publiceren voor. ‘De stilte is mooi, zei Heiner. Hij was nog maar net uitgesproken toen Lena zijn hand pakte. Luister! Het kraakte in het bos alsof er iemand over dorre takken door het onderhout sloop en het terras naderde. Toen doemde er een hert met een machtig gewei op uit het bos. Dat bestaat niet, fluisterde Heiner. Dat kan niet. Zeg dat het niet waar is.’

Heiner Rosseck was een van de vier overlevenden van een transport van bijna tweeduizend gevangenen. Hij was getuige bij het grote Auschwitz-proces van 1965, waar Lena als vertaalster werkte. Daar zagen ze elkaar voor het eerst. Nu de angst is verdwenen vertelt het waargebeurde verhaal van hun liefde.

Als Lena ziet dat de kroongetuige tijdens het Auschwitzproces na zijn verklaring ineenzakt, brengt ze hem een glas water en voelt ze: die man moet ik vasthouden. Op het eerste gezicht hebben de jonge, levenslustige Lena en de door nachtmerries geteisterde Heiner weinig gemeen. Zij droomt van vakantie op een exotisch eiland, hij van de verschrikkingen van het kamp. Kan hun liefde deze tegenstelling overbruggen?

Hoe ga je om met een man die volledig buiten zinnen raakt wanneer zijn geliefde vrouw een mooie jas heeft gekocht, waar op het etiketje achterin als merknaam staat: Selection? Lena vraagt zich af of zij de hel, waar haar man altijd weer naar terugkeert, ooit zal begrijpen. Maar ook of iemand die deze verschrikkingen heeft overleefd, het morele recht heeft om iedereen daaraan te meten. Gebruikt hij zijn verleden niet om alles naar zijn hand te zetten? Heiner probeert zijn verleden zo goed mogelijk met zijn Lena te delen, en gaat zelfs zover dat hij ’s nachts met haar door Auschwitz wil wandelen om haar zijn kamp te laten ervaren. Maar zij ziet zijn spoken niet.

Monika Held laat zien dat hun liefde alleen kans van slagen heeft als Lena alles durft te vragen, zonder Heiner te sparen. Het is Monika Held gelukt om het verhaal van een liefde ná Auschwitz vrij van clichés, goedkoop sentiment en politieke correctheid te vertellen. Niet eerder lazen wij een vergelijkbaar verhaal over een leven na Auschwitz.

 

I

Het huis stond aan het einde van de straat, de tuin ging zonder omheining over in het bos. Ze aarzelden over de koop alsof ze over hun lot moesten beslissen. Bij de eerste bezichtiging scheen de zon en zei Heiner: De woonkamer is vriendelijk. Lena viel op de pruimenbomen in de tuin en zag zichzelf al pruimenjam maken. De vrouwelijke makelaar gaf hun de sleutel: Neem de tijd om te voelen of jullie bij elkaar passen. Hoe kom je erachter of een huis bij twee mensen past of twee mensen bij een huis? Ze wisten het niet. Ze liepen om het huis heen, naderden het van alle kanten. Het verveelt zich, zei Lena, het is te lang alleen geweest. Heiner vroeg het huis naar de toekomst. Wat wachtte hen hier, onheil of geluk? Het huis bleef zwijgen. Als ze de raamkozijnen wit schilderden, zou het er vriendelijker uitzien. Bij de tweede bezichtiging was de lucht grijs en Heiner vond zes kamers te veel voor twee mensen, maar Lena wist voor elk vertrek een bestemming. Een woonkamer, een werk. en een strijkkamer op de begane grond, op de eerste verdieping de slaapkamer en twee kamers voor gasten.
Hij inspecteerde de wijk. Er waren geen winkels, geen kroeg, geen kiosk, alleen maar nieuwe huizen, die allemaal als twee druppels water op elkaar leken, zelfs aan de voortuinen waren ze niet te onderscheiden. Een kort gazon en een rododendron of een kort gazon en een bremstruik. Dat was goed. Hij liep door alle straten. Voor de deuren stonden kleine vuile schoenen en in de tuinen hingen schommels. Er was een speelplaats met een glijbaan en kinderen in de zandbak. Een meisje met blonde vlechten flitste op rolschaatsen door de wijk, haar moeder riep uit het keukenraam: Jenny, voorzichtig! En bij de aanblik van het behendige kind schoot Heiner een naam te binnen, waar hij geen goed gevoel bij kreeg. Kaija. De kinderen zouden opgroeien en hun ouders zouden als ze oud waren nog steeds jonger zijn dan hij nu. In een wijk met mensen van zijn eigen leeftijd zou hij slecht hebben geslapen. De wijk is in orde, zei hij, maar moet een huis niet liefde op het eerste gezicht zijn? Ze brachten de sleutel terug en bezichtigden andere huizen in andere nieuwbouwwijken. Toen het huis na een maand nog steeds te koop stond, maakten ze een afspraak voor een derde bezichtiging. Het was vroeg in de avond, een nevelige, zwoele dag – van dat weer waarbij alle huizen er somber uitzien. Ze gingen zitten op de schommelbank die was achtergelaten op het terras. Lena zette de thermoskan en twee koffiekoppen op de tuintafel, ze wachtten zonder dat ze hadden kunnen zeggen waarop. Mistflarden daalden neer op de dennentakken en gleden vandaar naar de grond. De vogels zwegen, alsof de mist ook op hun snavels lag. Lena sloeg een arm om Heiner heen. Wat denk je, zou je hier kunnen aarden?
Het ruikt lekker, zei hij, dat is een goed teken.
Zo had Lena’s haar geroken toen het zijn voorhoofd bedekte, over zijn gesloten ogen viel en in zijn neus kietelde, en hij niet wist of het haar van de vrouw die over hem heen gebogen stond, blond, bruin of zwart was. Het lag over zijn gezicht, was warm en rook naar paddenstoelen.
Ze zaten wat te schommelen op de bank en wisten nog steeds niet of het huis bij hen paste of zij bij het huis. Zes kamers is te veel, zei Heiner, en het is hier zo eenzaam. Hij schonk nog wat koffie in. Alleen jonge mensen en kinderen in de wijk. Meer katten dan honden. Ze keken naar de geruisloos neerdalende nevelflarden. De stilte is mooi, zei Heiner. Hij was nog maar net uitgesproken toen Lena zijn hand pakte. Luister! Het kraakte in het bos alsof er iemand over dorre takken door het onderhout sloop en het terras naderde. Toen doemde er een hert met een machtig gewei op uit het bos.
Dat bestaat niet, fluisterde Heiner. Dat kan niet. Zeg dat het niet waar is.
Het dier keek hen aan, rustig, zonder angst, misschien zag het de twee roerloze mensen ook niet. Het liet zijn kop zakken en draaide zich langzaam om. Het hert stond tot zijn buik in de nevel en leek op een witte wolk terug het bos in te zweven. Ze hoorden de takken onder zijn hoeven kraken.
Lena stond op. Ze pakte de thermoskan van de tafel en trok Heiner mee het terras af. Zijn handen waren ijskoud, hij rilde. Het is een teken, zei hij, duidelijker kan het lot niet spreken. Lena keek hem aan. Hmm, zei ze, dus jij kunt het lot horen – en wat zegt het?
Kopen, zei Heiner, en als we hier wonen en het komt nog eens, dan vertel ik je over de verschrikkelijkste nacht van mijn leven.
Ze hielden de sleutel en kochten het huis. De raamkozijnen schilderden ze wit.

 

De schommelbank werd Heiners zomerbank. Hier zat hij vaak tot ver na middernacht te luisteren naar het doffe ploffen van de vallende dennenappels en hij wist met de dag zekerder dat het op deze plek een tijdlang goed met hem zou gaan. Ongeduldig wachtte hij op de terugkeer van het hert.
Op zijn winterbank, in de woonkamer, waren twee kale plekken, een van het zitten, de andere vlak bij de rechter armleuning, waar hij met zijn hoofd lag als hij overdag werd overvallen door de vermoeidheid waartegen zelfs Lena’s koffie niet hielp.
Boven de bank hing de koekoeksklok. Een dertig centimeter hoog huisje met een puntdakje, notenbruin, omkranst door vijf handgesneden blaadjes, met onder de wijzerplaat een verbleekt opschrift: Made in Germany. Als de koekoek vier keer riep, was het tijd voor taart, als hij ’s avonds acht keer riep, tijd voor het nieuws. De koekoeksklok was het lelijkste voorwerp in de kamer, in het huis, waarschijnlijk in de hele wijk. Elk heel uur klapte het deurtje open en schoot er uit het blanke hout een sjofel, verbleekt vogeltje tevoorschijn, dat schril het aantal uren meldde. Dag en nacht, de klok rond, 156 schelle kreetjes per etmaal. Van het rode snaveltje, dat het opendeed als het riep, resteerde alleen een rode stip, als een restje jam. Het linkeroogje was een beetje bleker dan het rechter, de vogel was scheel. Heiner hield van het lelijke geval. Het hing vroeger in de woonkamer van zijn ouders. Koekoek had het geroepen bij Heiners geboorte, koekoek bij de intocht van de Duitsers. Zeven keer koekoek was het laatste dat Heiner hoorde toen de gendarmes hem bij de arm namen en afvoerden. Zijn moeder was in de keuken gebleven, zodat niet het laatste dat hij van haar zag een betraand gezicht zou zijn. Martha, zijn geliefde, hield zich vast aan de deurpost en fluisterde ‘Roodfront’. En omdat hij dat veel te zacht vond voor datgene wat ze hem aandeden en nog zouden aandoen, draaide hij zich bij de laatste koekoek om. Harder, liefje, harder roepen. Voordat hij de straat op stapte, hoorde hij haar vertwijfelde kreet in het trappenhuis: Roodfront!
Kom gauw terug, had zijn moeder gezegd – maar wat is gauw? Is vier uur gauw of drie dagen? Als hij de toekomst had gekend was een maand gauw geweest, of zelfs een jaar. Maar Heiner dacht niet aan een lange scheiding toen hij werd opgehaald voor het verhoor, hij dacht aan de dood.
Toen hij na de oorlog de sleutel bij de huismeester haalde en de woning van zijn ouders binnenging, was hij op alles voorbereid, behalve op de orde die hij er aantrof. In zijn kamer was het bed opgemaakt. Het kussen en de lakens glad alsof ze gestreken waren. Hoe vaak had hij gedroomd van het rood-wit geruite beddengoed. Op het nachtkastje lag Gelukkig leven van Seneca. Tussen bladzijde 260 en 261 zat een bladwijzer. De titel van het hoofdstuk was: De mens is de mens een wolf. Maar dertig regels. De belangrijkste had hij dik onderstreept: Een onweer kondigt zich aan voordat het boven onze hoofden losbarst, gebouwen kraken voordat ze instorten, vuur wordt verraden door rook; maar het onheil dat van een mens afkomstig is komt plotseling en verhult zich zorgvuldiger naargelang het dichter nadert. Je vergist je als je je verlaat op de gezichten van de mensen die je ontmoet: ze hebben het uiterlijk van mensen maar het innerlijk van wilde dieren. Hij sloeg het boekje dicht. Die zinnen had hij niet meer nodig.
Heiners kinderjaren in Wenen waren een rustige tijd geweest. Bijna geen auto’s in de straten, alleen paard-en-wagens. Er was in hun buurt een put waar de paarden van een man, die ze de waterman noemden, werden gedrenkt, net zoals later de auto’s bij de benzinepomp. ’s Winters suisde Heiner met een sleetje de hellende straten af. Op school zat hij met veertig jongens in bruine houten banken, met kaarsrechte rug, alsof ze een bezemsteel hadden ingeslikt. Hun handen moesten altijd op de tafel, nooit eronder, en dus lagen er voor bijna alle leerlingen tien brave vingertjes met schoongeschrobde nageltjes op de bank. Alleen bij Heiner niet. Hij smeerde met opzet modder onder zijn nagels en liet zich door de meester met de liniaal op zijn handen slaan. De striemen liet hij thuis aan zijn vader zien en hij werd nooit meer door een onderwijzer geslagen, ook al had hij nog zulke zwarte rouwrandjes.
In de keuken hing nog altijd het schilderij waar hij als kind zo van griezelde. Op een bed van wortels, selderie en prei lag een dode fazant met gebroken ogen, gespreide tenen en uit de open snavel kroop een naaktslak. Hij begreep zijn kinderangst niet meer. Het schilderij was een idylle. Pure vrede.
Op de rand van de badkuip stond een pot Nivea. In de groene keramieken beker stond de tandenborstel van zijn moeder. Boven de wastafel de spiegel waarvoor zijn grootmoeder haar lange haar had verzorgd. Voorovergebogen honderd keer met de borstel over het achterhoofd naar het voorhoofd. Daarna boog ze haar hoofd achterover en borstelde het haar vanaf haar voorhoofd naar haar nek, honderd keer. Niet één streek meer, niet één minder. Waarom doet u dat, oma? Zo gaat het glanzen, jongen, en wordt het niet grijs. Kijk maar, niet één grijze haar. Mag ik ook eens borstelen, oma? Ze zei: Maar wel voorzichtig jongen, trek je oma niet de haren uit het hoofd, die heeft ze nog nodig. Soms mocht hij ’s avonds haar haar borstelen, en zo leerde hij al voordat hij naar school ging tot honderd tellen. Als hij de borstel aan het begin van de steel vasthield, gleed haar haar langs zijn vingers. Dat was alsof je zijde streelde. Soms kwamen er vonkjes uit het haar, dan zat er onweer in de lucht, zei oma. Ze was een oude vrouw in zwarte rokken, die zo lang waren dat ze over de grond sleepten. Ze had de barricaden beklommen voor het vrouwenkiesrecht, dat op 12 november 1918 was ingevoerd. Heiners grootmoeder had 12 november tot haar verjaardag uitgeroepen. In de familie werd ze vanwege haar lange haar en die barricaden ‘Wilde Hilde’ genoemd.
Hij liep naar de woonkamer. Op de eettafel lag het witte kanten tafelkleed dat bij familiefeestjes werd gebruikt. Op tafel stond het zilveren zoutvaatje dat nooit werd afgeruimd. Zout op tafel brengt geluk. Aan het hoofdeinde zat zijn vader, tegenover hem zijn grootmoeder, rechts moeder, daarnaast Greta, die nog moest worden geholpen met eten, en links van vader zat Heiner naast zijn zus Alma. Even zag hij ze voor zich, de hele familie. Ze baden niet. Ze hielden elkaars hand vast en grootmoeder zei: Zelfs in de grootste nood kan niemand zonder zout en brood.
Voorzichtig, alsof het een relikwie was, nam hij het zilveren zoutvaatje in zijn hand. Het was dof geworden, hij wreef het op aan zijn jas. Negen kleine, verstopte gaatjes. Er ging een stilte uit van het zilveren zoutvaatje, alsof het al jaren de adem inhield. Hij likte aan het dekseltje – zelfs in de grootste nood kan niemand zonder zout en brood. Pas als vader ‘Eet smakelijk’ had gezegd, mocht iedereen zijn bestek oppakken. Heiner kende zijn vader alleen maar in pak. Hij was ambtenaar in het ‘rode Wenen’, uit de oorlog teruggekeerd als radicale sociaaldemocraat. Er was niet altijd pudding of taart als toetje, maar wel altijd een klein lesje van zijn vader over politiek, waarbij zijn grootmoeder zat te knikken, dat zijn moeder over zich heen liet komen, de meisjes verveelde en Heiner elektriseerde. Zijn kinder- Wenen was alleen buiten op straat rustig. Heiner wist op zijn vijfde al dat er een Grote Oorlog was geweest en dat Oostenrijk daarna geen keizer meer had. Hij was zes toen zijn vader hem naar de sociaaldemocratische club de Kinderfreunde bracht. Toen wist hij al dat alleen Wenen van de ‘roden’ was en de rest van Oostenrijk van de ‘zwarten’. Hij hoorde de hoeven van paarden, het ratelen van karren, het gejoel van kinderen – hij hoorde zijn gemoedelijke Wenen buiten op straat, op de dag dat zijn vader niet zoals anders zijn bestek oppakte en hun smakelijk eten wenste, maar naar zijn lege bord bleef zitten staren tot hij de stilte verbrak: Het Paleis van Justitie staat in brand. Heiner was zeven en raakte zijn soep niet aan voordat zijn vader had uitgelegd waarom het Paleis van Justitie in brand stond, wie het had aangestoken en of het goed was dat in het brand stond. En voor wie het goed was, voor de roden of voor de zwarten.
Hij ging op de stoel zitten waarop hij als kind had gezeten. Hij hoorde de stem van zijn vader. Bondig, docerend, net als de meester op school. In Schattendorf, een plaatsje in Burgenland, waren bij een confrontatie tussen rechtse, keizergetrouwe ‘frontstrijders’ en linkse sociaaldemocraten twee mensen doodgeschoten. Een man en een kind. Gisteren, op 14 juli 1927 – onthoud die datum, jongen – zijn de daders door een juryrechtbank vrijgesproken. De verontwaardiging over het ‘vonnis van Schattendorf’ had de mensen de straat op gedreven, de massa trok naar het Paleis van Justitie, brak door de versperringen heen, trok steeds verder op, stenen vlogen door de lucht, ramen gingen aan diggelen. Dappere mannen bestormden het gebouw, vernielden de meubels met een bijl en staken alles in brand wat brandbaar was. Het vuur vrat zich door het dak heen, de rook steeg op naar de wolken. Het volk verweert zich, vergeet dat nooit, jongen. Laten we ernaartoe gaan, bedelde Heiner, laten we gaan kijken. Kinderen hebben daar niets te zoeken, zei zijn vader. Na het middageten verliet hij het huis, tijdens het avondeten vatte hij de dag samen. De politie had op de menigte geschoten. Er waren negenentachtig doden en meer dan duizend gewonden. Pas op, jongen, rechts is in opmars. Hij pakte zijn bestek op. De moordenaars gaan vrijuit, zei hij zacht, we gaan radicale tijden tegemoet. Let op mijn woorden, dit is de eerste stap naar de burgeroorlog. Smakelijk eten. Voor Heiner was zijn vader een profeet.
Op zijn elfde ging hij bij de Rote Falken, de jeugdbeweging van de sociaaldemocraten. Hij maakte kennis met Marx en met Martha. Een mager meisje met dikke vlechten en de eerste in de nieuwe kring die vroeg hoe hij heette. Andere jongens liepen weg met Hadji Halef Omar Ben Hadji Aboel Abbas Ibn Hadji Dawoed al Gossarah, maar Heinerle, zoals Martha hem noemde, droomde van de dictatuur van het proletariaat en werd verliefd op het magere meisje, dat zijn dromen deelde. Voor gerechtigheid waren zij bereid de barricaden op te gaan, net als Heiners oma.
Toen hij dertien was overleed zijn vader. Een jaar later brak de burgeroorlog uit. Heiner en Martha verspreidden pamfletten. Er bestond alleen nog maar rechts en links. Links stond voor gerechtigheid, rechts voor uitbuiting. Ze wisten waar ze bij hoorden. Alles wat de socialisten in Wenen voor de armen hadden bereikt, wilden de rechtsen afschaffen. Betaalbare woonruimte, bescherming voor huurders, luxebelasting voor het houden van bedienden en huismeisjes, rijpaarden en privéauto’s. In veel Weense districten was het niet langer gemoedelijk. In de parlementen raakten de hoge heren slaags en op straat het gewone volk. Heiner ging op de vuist voor zijn moeder, aan wie het pensioen van haar man werd onthouden omdat zij slechts zijn tweede echtgenote was geweest. Zij stapte over haar trots heen, wist bij de gratie van de instanties toch een wezenpensioen voor haar kinderen los te krijgen, en maakte tien uur per dag schoon in de huizen van rijke mensen. Bij het eten zat Heiner nu aan het hoofdeinde van de tafel en speelde de baas van het gezin. Hij hield politieke betogen, citeerde Marx en zei ‘Roodfront’ voordat hij het bestek oppakte. Toen hij zijn moeder een ‘dweil van de klassenvijand’ noemde, smeet ze de lege portemonnee op zijn bord. Koop maar brood en vlees, zei ze, dan kun je terugkomen. Woedend liep hij door de stad, belde aan bij Martha en kwam erachter dat haar moeder ook uit schoonmaken ging. Toen was hij stil. Zonder het werk van hun moeders waren ze verhongerd. Schoonmaken bij de klassenvijand – voor die vernedering zouden ze zich wreken, dat zwoeren ze.

[...]

 

© 2013 Bastei Lübbe AG, Keulen
Nederlandse vertaling © 2015 Jantsje Post en Uitgeverij Cossee bv, Amsterdam

Utgeverij Cossee

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum