Leesfragment: Onderweg met Roadie

27 november 2015 , door Thomas Acda
| | |

Wij richten in samenwerking met Recensieweb de schijnwerpers op de vijf Nederlandse prozadebuten van augustus, allemaal voorzien van uitgebreide fragmenten. Lees op onze website de voorpublicaties uit de romans van Thomas Acda, Inge van der Krabben, Anne Neijzen, Isabelle Rossaert en Rebekka de Wit.

Thomas Acda schreef Onderweg met Roadie, zijn romandebuut. Hier staat alvast een voorpublicatie. 'We hadden te weinig ervaring om te weten waarom het zo lekker klonk. We zongen terwijl we dartten, we zongen als we 's ochtends binnenkwamen, koffiezetten, achter de typemachines zaten. Steeds weer de eerste twee coupletten en het refrein, als twee heel vervelende kinderen uit The Sound of Music die de hele musical aan het woord wensten te blijven. We zongen liggend op de grond. We zongen onszelf in slaap, werden wakker en we zongen weer. Toen hoorden we het ineens.'

Hij was de helft van het beroemdste popduo dat Nederland ooit gekend heeft. Maar na de breuk met zijn collega Bob loopt de verteller van dit sprankelende verhaal met zijn ziel onder de arm, en verliest hij zich in drank en drugs. Als een vriendin hem vraagt haar hond naar Los Angeles te brengen, is dat dé kans op een uitweg. De roadtrip door Amerika wordt een avontuur waarin hij terugblikt op mislukte relaties, het succes en het einde van de samenwerking met Bob, zijn gevecht tegen de kilo’s en vooral het gevecht tegen zichzelf.
Onderweg met Roadie is een met veel vaart en humor geschreven roman over vriendschap, muziek, de dood maar vooral ook de kunst van leven.

21.

Het is pauze en ik heb een biertje gekocht. IPA. Indian Pale Ale. Geen idee wat het is, maar het smaakt. Ik ben nog steeds ontroerd. Art is hier, hij kwam ergens anders vandaan en heeft een heel lange weg afgelegd om weer te kunnen zingen.
Waar kom ik vandaan? Van de academie. Daar ben ik geboren. Bij Bob. Naast Bob. Bob aan de piano en ik voorzichtig toenadering zoekend. Als een jochie dat eerst tegen een nieuw buurtgenootje zegt: 'Wat een ongelooflijk lelijke chopper heb jij, zeg! Schaam je je niet? Paars met oranje? Drie versnellingen maar? En dat stuur is toch helemaal niet hoog? Ik heb sturen gezien die veel hoger waren.' Om vervolgens te vragen of hij ook eens een rondje mag. En 's avonds thuis aan zijn vader vraagt of hij alvast voor zijn verjaardag een chopper mag. Dan hoeft hij over acht maanden, als hij echt jarig is, geen cadeautje meer.
Bob wist dat ik zijn fiets afkraakte omdat ik eigenlijk ook wilde fietsen. Dus hij schoof op en we schreven ons eerste lied samen. Een heel slecht lied. Volledig geënt op het werk van een fameus duo van vijfentwintig jaar voor ons. Wij waren ook gewoon geïnspireerd door anderen. En dat hoorde je. Maar we hielden al die kopietjes tenminste voor onszelf. Tot we ons eerste echte lied schreven.
Inmiddels hingen we niet meer in de kroeg rond. Dat werd ook gênant; we babbelden maar door over hoe we het hele theaterwezen eens even op de schop gingen nemen, maar ondertussen stonden we alleen maar biertjes te drinken en sjekkies te draaien. Vol van onszelf, of in ieder geval, vol van hoe we zouden gaan worden. Dat schoot niet op en het irriteerde anderen mateloos. We trokken in een kamer van een verlaten machinegebouw op het Westergasfabriekterrein. Twee bureaus erheen gesleept en een dartbord. Twee typemachines en een oud schoolbord dat er al hing, waarop machinisten in vroeger dagen konden lezen wanneer hun diensten begonnen en eindigden. De strepen die op het bord stonden leken veel op muziekbalken. We hadden een lied. Een mooi lied. Met een vergelijking, een metafoor, dus het was nog poëtisch verantwoord ook. Het ging over het echte leven, over dat je het nauwelijks aankunt en zo. Maar algauw kwamen we erachter dat dat lied helemaal nog niet zo goed was. Het liep niet, swingde niet. Met dit nummer konden we niet naar buiten. Het was een net niet mooi meisje. Een onopvallend, niet bijster knap meisje is niet erg, dat kan. Daar zijn er veel van. Maar een net niet mooi meisje dat doet of ze heel mooi is, is pijnlijk. En dat was hier het geval. Het was net geen goed lied, en dus een vreselijk slecht lied. Dit was een pretentieuze lillekerd!
Dit besef werd onze redding. Nooit zouden we naar buiten komen met iets wat we op dat moment niet het allermooist vonden, besloten we. Een heilig pact. Zo ontstond meteen wet twee: we moesten het nummer allebei goed vinden, anders ging het niet door.
We moesten een arrogant, lelijk meisje een facelift geven. Andere kleren, kappertje, op de sportschool met dat wicht. Nee, alles moest gelift. Maar wat we ook verzonnen, niets werkte. Tot we het nummer in plaats van in c in d speelden. Waarom, geen idee. Een van ons zal het geopperd hebben, en dat zal dan hoogstwaarschijnlijk Bob zijn geweest, want die liep muzikaal gezien lichtjaren op mij voor. Ik had mijn eerste gitaar nog maar twee weken en moest mijn eerste officiële les nog krijgen. Bob zei: 'Zet je vingers zo neer. En daar. En nu daar.' Ik deed dat en toen was het muziek.
Omdat ik niet zomaar een beetje achterstand had, maar nog mijn schaatsen aan het zoeken was terwijl Bob de Elfstedentocht er al op had zitten, studeerde ik me het apezuur. Elke avond als ik thuiskwam oefende ik tot diep in de nacht de akkoorden die hij me had geleerd. En soms verzon ik er zelf een paar. Niet gehinderd door enige kennis van zaken drukte ik mijn vingers op de snaren tot het mooi klonk. Om die reden kunnen de beste gitaristen sommige nummers van ons nu nog niet goed ten gehore brengen. Ze willen logica in het schema, akkoorden met volwassen namen. Maar die namen kende ik niet, en Bob vond het prachtig. ALS HET KLINKT, KLINKT HET schreven we met een dikke stift op de muur. En fuck 'em!
We speelden het lied in d en meteen ging de hemel open. De bliksem sloeg in in de machinekamer. Het klonk zo mooi dat we niet eens de behoefte hadden om er tegenover elkaar over op te scheppen. We hadden te weinig ervaring om te weten waarom het zo lekker klonk. We zongen terwijl we dartten, we zongen als we 's ochtends binnenkwamen, koffiezetten, achter de typemachines zaten. Steeds weer de eerste twee coupletten en het refrein, als twee heel vervelende kinderen uit The Sound of Music die de hele musical aan het woord wensten te blijven. We zongen liggend op de grond. We zongen onszelf in slaap, werden wakker en we zongen weer. Toen hoorden we het ineens.
Er waren drie momenten in het lied waar je met geen mogelijkheid kon horen wie welke noot zong. We zongen in tertsen, maar daar, in dat gebied, hoorde ik mijn eigen stem verdwijnen in die van Bob. En andersom. We keken elkaar aan. We zongen met onze hoofden dicht bij elkaar. We zongen op een meter afstand van elkaar, we zongen ieder aan een kant van de kamer. Daar was het verschillend. Maar als we naast elkaar stonden, op minder dan een meter afstand, dan kon je het niet horen. Bob besloot het uit te schrijven op het bord.
'Ik zing deze lijn. Jij zingt dit... hier en hier en hier. Die tonen zijn het.'
'Oké, en als we het in g zingen?'
We zongen het in g. Gelukkig. De drie identieke tonen bestonden nog steeds, ze waren alleen verschoven.
Opgetogen gingen we naar de kroeg, waar we een veteraan in het liedjesschrijfwezen tegenkwamen. We lieten hem horen wat we ontdekt hadden.
Hij vond het prachtig. Maar als we dat toch konden, zo zingen, waarom zongen we dan niet in contramelodieën? Dan konden we allebei de lead zingen in plaats van dat de een de tweede stem op de ander moest leggen. Hij legde het uit. Zonder een woord te wisselen dronken we ons glas leeg en renden we terug naar de machinekamer. Contramelodieën! We zongen en Bob schreef het uit op het bord.
Het moet er vreemd hebben uitgezien. Twee jongens en een schoolbord in de enige verlichte kamer van een heel groot machinegebouw op een verlaten industrieterrein. We zongen voor ons plezier. En we zijn nooit opgehouden met zingen. Wel met zingen voor ons plezier.
Ik heb eenzelfde soort carrière doorgemaakt als Art. Maar dan in het klein, dat besef ik ook wel. Niet in volume, niet wat betreft impact. Oké, het lijkt er helemaal niet op. Wat ik maar wil zeggen is dat Bob en ik zijn begonnen in Asten, voor twaalf hardrockers op een zondagmiddag en uitgroeiden tot een duo dat jarenlang in de grootste zalen van het land speelde. En buitenconcerten, ook geen punt. 250.000 man in Den Haag. Dat was natuurlijk niets vergeleken met 500.000 man in Central Park. Maar om dan hier, op Industry Drive in Georgia, voor 250 hillbillies te eindigen... Ik hoop dat dat me bespaard blijft.
Hoezo: ik hoop dat dat me bespaard blijft? Ik mag hopen dat het me ooit weer lukt. Zingen om het plezier van het zingen. Kan ik nog wel zingen? Niet meer geprobeerd sinds we uit elkaar zijn gegaan.
Roadie en ik kijken de schuur in. 250 hooibalen voor 250 Billy-Bobs en Daisy-Maes. Er zitten natuurlijk ook notabelen bij, dus 210 betalende bezoekers voor maar liefst 60 dollar per kaartje. Ik deed de boekhouding nooit, sterker nog, ik heb al in geen vijftien jaar zelfs maar een rekening hoeven te betalen, maar dit optreden komt neer op 12.600 dollar. Zal het 80/20 verdeeld worden? En die gitarist moet natuurlijk ook wat verdienen. 1000, 2000 dollar? Dan treedt Art hier op voor 8000 dollar. Doe je als volledig onbekende dj een imitatie van Junkie xl loop je met een hoger bedrag weg. Art Garfunkel! Die man krijgt aan royalty's waarschijnlijk 8000 dollar in hetzelfde tempo als dat ik 8000 dollar zeg. Art doet het voor de kunst. Voor het plezier. Voor het zingen zelf.
'Excuse me... does she ever talk back?'
Achter me staat een Daisy-Mae mee de schuur in te kijken.
Ze glimlacht: 'Ik hoor je praten tegen je hond in een raar taaltje en toen dacht ik: dat doet hij niet voor het eerst. Dus hij is alleen. Alleen met de hond. Of hij is gek. Dus wat is het? Ben je een gekkie? Of al heel lang alleen?'
Ze kijkt me vrolijk aan. Cowboylaarzen, uiteraard. Blauwe spijkerblouse, witte tanktop eronder. Blond als haar broek.
'Of ik ben buitenlands. Daar al aan gedacht?'
Ik kijk triomfantelijk terug, maar weet dat ik mis zit. Ze was helemaal niet onvriendelijk. Nu ik mezelf hoor weet ik het helemaal zeker. Waarom doe ik dat toch? Ik had helemaal niet in de gaten dat ik tegen Roadie aan het praten was.
Ze glimlacht en zegt: 'Sorry. Dat kwam er volkomen verkeerd uit.' En vervolgens: 'We moeten weer naar binnen. Daarnet stond ik te ver weg, maar nu hoor ik inderdaad dat je buitenlands bent. Als je wat wilt drinken tijdens de tweede helft moet je je bier in een plastic cup doen. Mister Garfunkel hates the sound of beer bottles. Veel plezier!' En ze beent naar binnen.
Wat ben ik een eikel. 'Of ik ben buitenlands, heb je daar al aan gedacht?' Je gulp staat zelf open! Had ik ook kunnen zeggen. Eikel. Kom Roadie, we gaan naar Art luisteren.

De g-snaar breekt. Hoe heet die gitarist eigenlijk? Art heeft het wel gezegd maar omdat iedereen met Paul Simon in zijn hoofd zit, denk ik niet dat ik mijn buurman kan aanstoten om het te vragen. Zelfs in gedachten ben ik onaardig. Onaardig tegen de man naast mij die vriendelijk naar mij glimlachte toen ik naast hem ging zitten. En als Art mooier zingt dan hij zelf dacht ooit nog te kunnen, kijkt mijn buurman even naar links: 'Mooi hè?' Ja, mooi, kijk ik dan terug.
Art vult de stilte met een verhaal, voorgelezen van een envelop. Een verhaal over Jack Nicholson. Ze zaten kennelijk ooit samen in een film. Art is ook nog acteur. Ik wil mezelf niet vergelijken met Art. En vroeger een duo zijn en nu een tour moeten doen langs Shitville, Alabama en Cousinlove, Kentucky. Ik was niet de Art van ons duo, ik speelde gitaar. Ik was Paul Simon! Op zijn minst.
De gitarist heeft een nieuwe g-snaar omgelegd en komt weer terug. Art eindigt zijn verhaal met dat Jack een great guy is, wat tot instemmend geknik leidt bij het publiek.
Ze gaan weer spelen gelukkig. 'The Boxer.' Wat een gave lick, die intro. Ze stoppen. Weer de g-snaar gebroken. De gitarist kijkt naar zijn baas en haalt zijn schouders op. Art gebaart dat hij nog wel een envelopje heeft en inderdaad, een nieuw verhaal volgt. Zachtjes voorgelezen. Of is het dezelfde envelop en doet hij alleen maar of er iets staat om zichzelf een houding te geven? Terwijl Art vertelt over een avond op Long Island waar hij, zoals inmiddels bekend, van het podium liep, volgen mijn ogen de gitarist naar achteren. Het eerste wat je leert als je het podium op gaat, is dat als er twee mensen op het podium staan, en één begint te praten of te zingen, bijna iedereen naar die ander kijkt. Je hebt immers die ene al binnen, op gehoor. Art lijkt zich er niet van bewust. Hij is een bescheiden, lieve man.
Art liep op Long Island van dat podium omdat een man te laat binnen was gekomen, vooraan ging zitten en toen ging sms'en. Art stopte met zingen en stelde een vraag met het venijn van een moeder die zacht een kind in slaapt zingt. Art zei tot de man: 'Hoe komt het dat u dacht: als ik ga sms'en kan Art best wel verder zingen, heeft hij geen last van?' De man had niet opgekeken van zijn telefoon en gezegd: 'Omdat je een professional bent.' 'En toen moest ik even alleen zijn,' zegt Art. 'Even in de kleedkamer, alleen.' Zeven minuten maar liefst, toen was hij verdergegaan met het concert. Zeven minuten lijkt niet lang, maar in theatertijd is het een eeuwigheid.
Terwijl de gitarist de nieuwste g-snaar opwindt, denk ik aan een optreden, met een dronken jongen op de eerste rij. Met een vriend naast zich die in slaap was gevallen. De dronken jongen probeerde de slapende jongen iets te laten zien op zijn telefoon. Met veel tekst. Die jongen heb ik afgebrand. Of dat de afstandsbediening was? 'Nee? O gek, je gedraagt je alsof je thuis bent en tv zit te kijken. Eind lopen naar de koelkast, hè?' en ik ging maar door, me veilig voelend door vijfhonderd lachende mensen in de zaal. Gênant. Buiten had ik niks durven zeggen tegen ze. Salon- stand-up.
Hoe heet die gitarist? Ik wil het nu weten. Ik pak mijn telefoon en zoek. Art Garfunkel, Savannah, gitarist. Ik kom niet verder dan Bill. Bill niks, geen achternaam. Bill. Wat is het stil. Wat is het stil, Bill, hoor ik mezelf denken. Ik kijk op. Het is stil. En iedereen kijkt naar mij. Hallo? Waarom kijkt iedereen naar mij? Ook Art en Bill kijken. Het is doodstil. Het is zaak dat ik nu iets ga zeggen. Of Art. Het kan zijn dat Art net iets gezegd heeft en iedereen op mijn antwoord zit te wachten. Het zal mijn telefoon zijn. Ik zie Daisy-Mae zich door de schuur heen mijn richting op bewegen, elegant zijdelings tussen de rijen hooibalen door. En not in a happy mood.
'Sorry. Ik zocht op waarom die g-snaar steeds breekt.' Lieg ik snel. 'Ik was eens bij een ander concert en toen gebeurde dat ook steeds. En aangezien alles op internet staat tegenwoordig... Sorry... Ik deed het voor u...'
Roadie schurkt tegen me aan. Ze voelt dat ik in de problemen zit, maar kan niet zien waarom. Ze heeft besloten om mij slapend te beschermen.
'Oookaaay,' zegt de fluwelen stem van Art. 'How?'
Goeie vraag. Daisy-Mae is nu vlakbij. Breng me in de problemen en ik kom er wel uit.
'Omdat er een braam op de brug zit, bij de g.' Ik schuifel uit mijn rij, ontmoet Daisy-Mae aan het einde ervan.
'Kom mee,' fluister ik, 'alsjeblieft?'
Samen lopen we naar voren. Roadie haast zich achter ons aan. Terwijl wij het podium naderen, kijkt gitarist Bill naar de brug van zijn gitaar.
'A what?' zegt Bill. Ik realiseer me dat ik een vergissing heb gemaakt. Ik heb 'blackberry' gezegd.
'O, sorry,' zeg ik als ik het podium op stap. 'A bramble.' En ik weet dat dat misschien wel de juiste vrucht is, maar nog steeds niet het goede woord.
Bill laat zijn arm zakken, een beetje ter verdediging, denk ik. Begrijpelijk, want er komt een gek met een hond op, die zegt dat je g-snaar steeds breekt omdat er vruchten op je dertig jaar oude Martin zitten.
'Well... this could be fun...' zegt Art en hij glimlacht heel lief. Art is niet bang voor me. Misschien ziet hij dat ik in wezen een aardige jongen ben. Dat zou mooi zijn. Dan is er nog hoop.
'Mag ik?' vraag ik aan Bill en ik strek mijn hand uit om de gitaar over te nemen. Bill geeft mij na een hoofdknik van Art de gitaar.
'It's the bramble,' verklaart Art richting zijn publiek, dat opgelucht lacht. De meeste aanwezigen zijn duidelijk niet erg overtuigd van mijn goede inborst. En Bill is er ook niet helemaal gerust op. Als ik naar achteren loop met zijn gitaar, omdat ik niet van plan ben fouten te maken met al die mensen erbij, loopt hij gedecideerd achter mij aan.
'And while those two friend up... why don't I tell you about the things I do now. I walk...' zegt Art. Terwijl ons vreemde groepje, bestaande uit Bill, Roadie, Daisy-Mae en ik, ons voegt bij de vriendelijke dikke oude manager achter het paarse fluwelen doek, hoor ik Art vertellen dat hij op een dag zijn appartement op Central Park West was uit gelopen, en was gaan wandelen. Dat beviel kennelijk, want hij bleef maar wandelen. De George Washington Bridge over zelfs. Heel de weg naar Allentown. En dat is een hele tippel, kan ik je vertellen.

 

© Thomas Acda, 2015
© Lebowski Publishers, Amsterdam 2015

Uitgeverij Lebowski

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum