Leesfragment: Onderworpen

20 december 2015 , door Michel Houellebecq
|

Een van de beste boeken van 2015 volgens de critici is Onderworpen van Michel Houellebecq (Soumission, vertaald door Martin de Haan). Fragment! 'Een universitaire studie in de letteren leidt zoals iedereen weet zo ongeveer nergens toe, behalve, voor de meest getalenteerde studenten, tot een universitaire onderwijscarrière in de letteren - het is kortom de tamelijk koddige situatie van een systeem dat geen ander doel heeft dan zijn eigen instandhouding, met daarbij een afvalpercentage van meer dan 95 procent. Zo'n studie is echter niet schadelijk en kan zelfs een marginaal nut hebben.'

Een professor aan de Sorbonne, groot kenner van het oeuvre van Joris-Karl Huysmans, ziet zijn land in 2022 aan de vooravond van de presidentsverkiezingen steeds verder polariseren: een burgeroorlog lijkt onvermijdelijk. De traditionele partijen zijn uitgespeeld, de strijd gaat tussen het Front National en de Fraternité musulmane (Moslimbroederschap). Op de valreep doet een van de leiders een politiekemeesterzet.

Na de kalme triomf van De kaart het gebied, waarmee hij de Prix Goncourt won, is Michel Houellebecq helemaal terug als Frankrijks grootste provocateur. Ook zijn bekende thema’s keren terug: liefde, seks, eenzaamheid… Maar voor het eerst eindigt hij met een verrassend majeurakkoord.

I

‘Een geroezemoes bracht hem terug naar de Saint-Sulpice; het koor vertrok, de kerk ging sluiten. Ik had moeten bidden, dacht hij, dat zou beter zijn geweest dan zomaar te zitten dagdromen op een stoel; maar bidden? Ik heb daar geen behoefte aan; ik word geobsedeerd door het katholicisme, bedwelmd door zijn sfeer van wierook en was, ik sluip eromheen, tot tranen geroerd door zijn gebeden, tot het bot uitgeperst door zijn psalmen en gezangen. Ik ben mijn leven behoorlijk moe, mezelf behoorlijk beu, maar om daarom nu een ander bestaan te willen leiden, dat gaat wel heel ver! En ook... en ook... ik mag in een kapel dan van slag zijn, zodra ik buiten sta word ik weer onontroerd en koel. In wezen, dacht hij, terwijl hij opstond en de paar mensen volgde die opgedreven door de kerkwachter naar een deur liepen, in wezen is mijn hart verschrompeld en berookt door de uitspattingen, ik deug nergens voor.’

- Joris-Karl Huysmans, En route

Gedurende alle jaren van mijn naargeestige jeugd bleef Huysmans voor mij een metgezel, een trouwe vriend; nooit voelde ik twijfel, nooit overwoog ik op te geven of me op een ander onderwerp te richten. Toen, op een namiddag in juni 2007, na lang te hebben gewacht en al even lang te hebben getreuzeld, wat langer zelfs dan toelaatbaar was, verdedigde ik voor de jury van de universiteit Paris IV-Sorbonne mijn proefschrift: Joris- Karl Huysmans, of het einde van de tunnel. Meteen de volgende ochtend (of misschien dezelfde avond nog, dat kan ik niet met zekerheid zeggen, de avond van mijn promotie was eenzaam en erg alcoholisch) begreep ik dat een deel van mijn leven ten einde was, en waarschijnlijk het beste deel.
Datzelfde geldt in onze nog altijd westerse en sociaaldemocratische samenlevingen voor iedereen die klaar is met zijn studie, maar de meeste mensen beseffen het niet, of niet meteen, verblind als ze zijn door de drang naar geld, of misschien naar consumptie bij de primitiefsten, degenen die het sterkst verslaafd zijn geraakt aan bepaalde producten (zij vormen een minderheid, de meesten zijn bedachtzamer en bedaarder en raken domweg gefascineerd door geld, die 'onvermoeibare Proteus'), en nog meer verblind door de drang om zich te bewijzen, een benijdenswaardige sociale positie te verwerven in een wereld waarvan ze aannemen en hopen dat die competitief is, daartoe geprikkeld door hun verafgoding van wisselende iconen: sportlieden, mode. of websiteontwerpers, acteurs en modellen.
Om diverse psychologische redenen die ik niet kan en niet wil analyseren, week ik vrij ver van een dergelijk patroon af. Op 1 april 1866, toen hij achttien jaar oud was, begon Joris-Karl Huysmans zijn carriere als ambtenaar zesde klas bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Eredienst. In 1874 bracht hij in eigen beheer een eerste bundel prozagedichten uit, Le drageoir à épices, die weinig recensies kreeg, afgezien van een bijzonder vriendschappelijk artikel van Theodore de Banville. Zijn debuut in het bestaan had niets opzienbarends, zoveel moge duidelijk zijn.
Zijn ambtelijke leven verstreek, en ook zijn leven in het algemeen. Op 3 september 1893 werd hem het Legioen van Eer toegekend voor zijn verdiensten binnen het overheidsapparaat. In 1898 ging hij met pensioen, toen hij - na verrekening van de periodes van buitengewoon verlof - zijn reglementaire dertig jaar dienst erop had zitten. In de tussentijd had hij kans gezien om diverse boeken te schrijven op grond waarvan ik hem, op meer dan een eeuw afstand, als een vriend beschouwde. Er is veel, misschien te veel geschreven over literatuur (en als literatuurwetenschapper heb ik op dat vlak meer recht van spreken dan enig ander). De specificiteit van literatuur, een van de hoofdkunsten van een Avondland dat voor onze ogen ten einde loopt, valt evenwel niet gemakkelijk te definiëren. Evenzeer als literatuur kan muziek een hevige beroering oproepen, een emotionele omslag, een totale droefheid of extase; evenzeer als literatuur kan schilderkunst een verrukking voortbrengen, een nieuwe blik op de wereld. Maar alleen literatuur kan je de indruk geven van contact met een andere menselijke geest, met de totaliteit van die geest, zijn zwakke en zijn grootse kanten, zijn tekortkomingen, zijn bekrompenheden, zijn dwangvoorstellingen en zijn overtuigingen; met alles wat hem aangrijpt, interesseert, opwindt of tegenstaat. Alleen literatuur kan je in contact brengen met de geest van een dode, op een directere, completere en diepere manier zelfs dan met een vriend met wie je praat - want hoe diep en hoe duurzaam een vriendschap ook is, nooit geef je je in een gesprek zo volledig bloot als tegenover een lege pagina, voor een lezer die je niet kent. Dus als we het over literatuur hebben, zijn de schoonheid van de stijl en de muzikaliteit van de zinnen uiteraard van belang, zijn de diepzinnigheid van de beschouwing en de originaliteit van de gedachten van de schrijver niet te versmaden; maar een schrijver is in de eerste plaats een mens, die aanwezig is in zijn boeken, en of hij heel goed of heel slecht schrijft doet er uiteindelijk weinig toe, het belangrijkste is dat hij schrijft en dat hij daadwerkelijk aanwezig is in zijn boeken (het is vreemd dat zo'n simpele, ogenschijnlijk zo weinig onderscheidende voorwaarde in werkelijkheid juist extreem onderscheidend is en dat dat zonneklare, eenvoudig constateerbare feit zo weinig is onderzocht door filosofen van welke gezindte dan ook: de kwaliteit van het menselijk bestaan mag dan niet voor iedereen gelijk zijn, de kwantiteit is dat in principe wel, en om die reden zijn alle mensen ongeveer in gelijke mate aanwezig; toch is dat niet de indruk die ze op een paar eeuwen afstand wekken, en maar al te vaak zie je in de loop van een tekst waarvan je aanvoelt dat die meer door de tijdgeest dan door een eigen individualiteit is gedicteerd, de contouren van een toch al vage persoonlijkheid verrafelen en steeds spookachtiger en anoniemer worden). Precies zo is een boek dat je dierbaar is vooral een boek waarvan de schrijver je dierbaar is, je wilt hem terugzien en je dagen met hem doorbrengen. En gedurende de zeven jaar dat ik aan mijn proefschrift had gewerkt, had ik in Huysmans' gezelschap, in zijn vrijwel permanente aanwezigheid geleefd. Geboren in de Rue Suger, gestorven in de Rue Saint-Placide na te hebben gewoond in de Rue de Sevres en de Rue Monsieur, begraven op het Cimetière du Montparnasse: bijna zijn hele leven heeft zich dus afgespeeld binnen de grenzen van het zesde arrondissement van Parijs - zoals zijn beroepsleven zich meer dan dertig jaar lang heeft afgespeeld in de burelen van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Eredienst. Ik woonde zelf toen ook in het zesde arrondissement van Parijs, in een vochtige, koude en vooral extreem donkere kamer - de ramen keken uit op een piepkleine binnenplaats, een schacht haast, het licht moest 's ochtends meteen aan. Ik leefde in armoede, en als ik een enquête had moeten beantwoorden van het soort dat regelmatig probeert 'de polsslag van de jeugd op te nemen', zou ik mijn leefomstandigheden ongetwijfeld hebben omschreven als 'tamelijk zwaar'. Toch was mijn eerste gedachte op de ochtend na mijn promotie (of misschien diezelfde avond nog) dat ik iets van onschatbare waarde was kwijtgeraakt, iets wat ik nooit meer zou terugvinden: mijn vrijheid. Een aantal jaren lang had ik dankzij de laatste overblijfselen van een zieltogende sociaaldemocratie (in de vorm van een studiebeurs, een uitgebreid systeem van kortingen en sociale voordelen, matige maar goedkope maaltijden in de mensa) al mijn dagen volledig kunnen wijden aan een bezigheid van mijn keus: de vrije intellectuele omgang met een vriend. Zoals André Breton terecht aantekent, zien we bij Huysmans het unieke geval van een gulle humor, een humor die de lezer op voorsprong zet, die de lezer uitnodigt al bij voorbaat de spot te drijven met de schrijver, met zijn overdaad aan klagerige, wrede of lachwekkende beschrijvingen. En van die gulheid had ik meer dan enig ander geprofiteerd wanneer ik, bij het ontvangen van mijn porties selderij met remouladesaus of puree met kabeljauw in de vakjes van het metalen ziekenhuisdienblad dat de Bullier-mensa verstrekte aan haar onfortuinlijke gebruikers (degenen die kennelijk nergens anders terecht konden, die ongetwijfeld uit alle acceptabele mensa's waren verstoten, maar toch nog altijd hun studentenkaart hadden, die kon niemand hun afnemen), aan Huysmans' epitheta dacht, de bedroevende kaas, de geduchte zeetong, en me probeerde voor te stellen wat voor beschrijving Huysmans, die die mensa niet had gekend, wel niet had kunnen geven van die metalen gevangenisplateaus, en dan voelde ik me al wat minder ongelukkig, wat minder eenzaam daar bij Bullier.
Maar dat was allemaal voorbij; en meer in het algemeen was ook mijn jeugd voorbij. Binnen korte tijd (en waarschijnlijk vrij snel) zou ik nu een beroepskeuzetraject moeten ingaan. Waarvoor ik allerminst stond te juichen.

Een universitaire studie in de letteren leidt zoals iedereen weet zo ongeveer nergens toe, behalve, voor de meest getalenteerde studenten, tot een universitaire onderwijscarrière in de letteren - het is kortom de tamelijk koddige situatie van een systeem dat geen ander doel heeft dan zijn eigen instandhouding, met daarbij een afvalpercentage van meer dan 95 procent. Zo'n studie is echter niet schadelijk en kan zelfs een marginaal nut hebben. Een meisje dat solliciteert naar een baan als verkoopster bij Céline of Hermès zal natuurlijk in de allereerste plaats verzorgd tevoorschijn moeten komen; maar een bachelor- of masterdiploma in de moderne letterkunde kan een bijkomstige troef vormen en de werkgever bij gebrek aan bruikbare vaardigheden toch de garantie op een zekere intellectuele wendbaarheid geven, een goede indicatie voor een mogelijke carrièreontwikkeling - waarbij literatuur bovendien van oudsher gepaard gaat met een positieve connotatie in de luxe-industrie.
Ikzelf was me ervan bewust dat ik tot de zeer kleine minderheid van 'meest getalenteerde studenten' behoorde. Ik had een goed proefschrift geschreven, dat wist ik, en ik verwachtte een eervolle vermelding; maar ik was toch aangenaam verrast door het cum laude, vooral toen ik het beoordelingsrapport te lezen kreeg, dat bijzonder lovend, haast dithyrambisch was; ik maakte derhalve goede kans om, als ik dat wenste, tot universitair docent te worden benoemd. Mijn leven bleef door zijn voorspelbare eenvormigheid en banaliteit kortom lijken op dat van Huysmans anderhalve eeuw eerder. Ik had de eerste jaren van mijn volwassen leven aan een universiteit doorgebracht; ik zou daar waarschijnlijk ook de laatste jaren doorbrengen, en misschien wel aan dezelfde (wat in werkelijkheid niet helemaal het geval bleek: ik had mijn diploma's behaald aan de universiteit Paris IV-Sorbonne en werd benoemd aan Paris III, iets minder prestigieus, maar eveneens gevestigd in het vijfde arrondissement, een paar honderd meter verderop).
Ik had nooit de minste roeping voor het onderwijs gevoeld . en vijftien jaar later had mijn carriere dat aanvankelijke gebrek aan roeping alleen maar bevestigd. Een paar privelessen die ik had gegeven in de hoop mijn levenspeil te verhogen hadden me er heel gauw van overtuigd dat kennisoverdracht meestal onmogelijk was en het verschil in begripsvermogen extreem groot; en dat niets die fundamentele ongelijkheid ongedaan kon maken of ook maar verzachten. Erger nog misschien, ik hield niet van jongeren - en ik had nooit van ze gehouden, ook niet in de tijd dat ik als een van hen kon worden beschouwd. Het idee van jeugd impliceerde, zo leek me, een zeker enthousiasme ten aanzien van het leven, of misschien een zekere opstandigheid, dat alles vergezeld van een op zijn minst vaag gevoel van superioriteit ten opzichte van de generatie die geacht werd plaats te maken voor de jouwe; iets dergelijks had ik bij mezelf nog nooit gevoeld. Toch had ik in mijn jeugd vrienden gehad - of om precies te zijn, er waren bepaalde medestudenten geweest met wie ik in de pauze tussen de colleges eventueel zonder weerzin een kop koffie of een biertje kon gaan drinken. Ik had vooral minnaressen gehad - of liever gezegd, zoals dat toen heette (en zoals dat misschien nog steeds wel heette), ik had vriendinnetjes gehad - ongeveer één per jaar. Die liefdesrelaties voltrokken zich volgens een relatief onwrikbaar patroon. Ze ontstonden aan het begin van het collegejaar bij een seminar, een uitwisseling van aantekeningen, kortom een van de vele gelegenheden tot socialisatie waar het studentenleven zo rijk aan is, en waarvan de verdwijning ten gevolge van de toetreding tot het beroepsleven de meeste mensen in een even verbijsterende als radicale eenzaamheid stort. Ze duurden het hele jaar, er werden nachten bij de een of bij de ander doorgebracht (of nou ja, vooral bij de meisjes, want de troosteloze of zelfs ronduit ongezonde sfeer van mijn kamer leende zich toch niet erg goed voor galante afspraakjes), er vonden seksuele handelingen plaats (tot een tevredenheid waarvan ik graag aanneem dat die wederzijds was). Na de zomervakantie, dus aan het begin van het nieuwe collegejaar, kwam er een einde aan de relatie, bijna altijd op initiatief van de meisjes. Er was in de zomer iets gebeurd, zo luidde de verklaring die ze me gaven, meestal zonder aanvullende informatie; sommigen, die waarschijnlijk minder aan mijn gevoelens dachten, vulden aan dat ze iemand hadden ontmoet. Ja, en wat dan nog? Ik was ook iemand. Achteraf gezien lijken die feitelijke verklaringen me ontoereikend: ze hadden inderdaad, dat ontken ik niet, iemand ontmoet; maar dat ze aan die ontmoeting genoeg belang hadden gehecht om onze relatie af te breken en een nieuwe relatie aan te gaan, kwam alleen door het krachtige amoureuze gedragsmodel dat ze impliciet toepasten, en dat trouwens vooral zo krachtig was omdat het impliciet bleef.

[...]

Copyright © 2015 Michel Houellebecq

Copyright Nederlandse vertaling © 2015 Martin de Haan / Uitgeverij De Arbeiderspers

Auteursportret © Philippe Matsas

MINDBOOKSATH : athenaeum