Leesfragment: Ook dit gaat voorbij

27 november 2015 , door Milena Busquets
| |

Milena Busquets' (1972) debuteerde met También esto pasará, een boek over liefde, seks en verlies. Arieke Kroes vertaalde Busquets roman naar Ook dit gaat voorbij. Op Athenaeum.nl een voorpublicatie. 'De begrafenis is voorbij. Twintig minuten in totaal, in bijna absolute stilte, geen sprekers, geen gedichten – je zwoer uit het graf op te staan en ons tot in eeuwigheid te achtervolgen als een van je dichtersvrienden iets zou voordragen –, geen gebeden, geen bloemen, geen muziek.'

Blanca is veertig als haar sterke, beroemde en flamboyante moeder na een ziekbed overlijdt. Ze realiseert zich dat ze, ondanks twee huwelijken en twee kinderen, nu werkelijk volwassen dient te worden en haar plek op de wereld moet veroveren zonder ouders om op te leunen. Ze brengt de zomer met haar zoontjes door in het familiehuis in het idyllische kustplaatsje Cadaqués.Álles in het zomerhuis en in het kunstenaarsdorp herinnert haar aan haar moeder en maakt dat Blanca’s verdriet scherp voelbaar wordt. Haar vrienden en (ex-)geliefden proberen haar door praten, lachen, feesten, filosoferen tot de zon op komt, vrijen, ruziemaken, samen lachen en huilen, te laten voelen dat ‘ook dit voorbij zal gaan’.Ook dit gaat voorbij is een liefdesbetuiging aan een moeder, maar vooral ook een ode aan het leven, de liefde en de Middellandse Zee.

 

I

Om een of andere vreemde reden was het nooit bij me opgekomen dat ik op een dag veertig zou zijn. Toen ik twintig was, zag ik mezelf op mijn dertigste samen zijn met de liefde van mijn leven en een paar kinderen. Op mijn zestigste zou ik appeltaarten bakken voor mijn kleinkinderen, ik, die nog geen ei kan bakken, maar dat zou ik dan leren. En op mijn tachtigste zou ik als verlopen oude taart whisky drinken met mijn vriendinnen. Maar nog nooit had ik me voorgesteld dat ik veertig zou zijn, zelfs niet vijftig. En daar ben ik dan. Op de begrafenis van mijn moeder, en ook nog eens veertig. Ik weet niet zo goed hoe ik hier ben beland, of in dit dorp, dat me plotseling enorme braakneigingen bezorgt. En ik ben volgens mij nog nooit zo slecht gekleed geweest. Als ik straks thuiskom, zal ik alle kleren verbranden die ik vandaag aanheb; ze zijn doorweekt met vermoeidheid en treurnis, ze zijn niet meer te redden. Bijna al mijn vrienden zijn ge- komen, en een paar van die van haar, en een paar die nooit vrienden zijn geweest, van niemand. Er zijn veel mensen, en er zijn mensen niet. Door de ziekte, die haar bruut van haar troon stootte en haar koninkrijk meedogenloos verwoestte, haalde ze ons op het eind allemaal het bloed onder de nagels vandaan, en dat merk je natuurlijk op de begrafenis. Om te beginnen heb jij, de gestorvene, je behoorlijk misdragen, en daarbij kunnen ze het niet zo goed vinden met mij, de dochter. Dat is natuurlijk jouw schuld, mam. Onbewust en beetje bij beetje legde je alle verantwoordelijkheid voor jouw slinkende geluk op mijn schouders. En dat bedrukte me, zelfs wanneer ik ver weg was, zelfs toen ik begon te begrijpen en te aanvaarden wat er aan de hand was, en zelfs toen ik je een beetje op afstand hield omdat ik inzag dat jij anders niet de enige zou zijn die onder jouw puinhopen zou bezwijken. Toch geloof ik dat je van me hield, niet veel of weinig, je hield van me, punt uit. Ik ben altijd van mening geweest dat mensen die ‘ik hou veel van je’ zeggen, eigenlijk maar een klein beetje van je houden, of dat ze ‘veel’ toevoegen, wat dus eigenlijk ‘niet zo veel’ betekent, uit verlegenheid of uit angst voor de stelligheid van ‘ik hou van je’, wat de enige ware manier is om ‘ik hou van je’ te zeggen. Door ‘veel’ verandert ‘ik hou van je’ in iets wat op iedereen van toepassing is, wat het in werkelijkheid bijna nooit is. ‘Ik hou van je’, magische woorden die je in een hond, een god, een gek, een schim kunnen veranderen. Daar komt bij dat veel van je vrienden rooie rakkers waren, ik geloof dat ze nu niet meer zo genoemd worden of dat ze niet meer bestaan. Ze geloofden niet in God en ook niet in een leven na de dood. Ik herinner me de tijd dat het in de mode was om niet in God te geloven. Als je nu zegt dat je niet in God gelooft, en ook niet in Vishnoe of Moeder Aarde, niet in reïncarnatie of in de geest van het een of ander, helemaal nergens in, dan kijken de mensen je meewarig aan en zeggen: ‘Het is je wel aan te zien dat je niet verlicht bent.’ Dus ze zullen wel gedacht hebben: ik kan maar beter thuisblijven, en haar, op de bank met een fles wijn erbij, op mijn eigen manier de laatste eer bewijzen, dat is veel meer waard dan die begrafenis op die berg, met die vervelende kinderen. Tenslotte zijn begrafenissen toch ook alleen maar een sociale conventie. Of zoiets. Want ik neem aan dat ze je vergeven hebben, als er al iets te vergeven was, en dat ze van je hielden. Als klein meisje zag ik jullie lachen en kaartspelen tot het licht werd, en reizen en in jullie blote kont zwemmen in de zee, en uit eten gaan, en ik ben ervan overtuigd dat jullie plezier hadden, dat jullie gelukkig waren. Het probleem met zelfgekozen familie is dat ze eerder verdwijnt dan familie van je eigen vlees en bloed. De volwassenen met wie ik ben opgegroeid, zijn dood of ik weet niet waar ze zijn. Hier, onder deze ongenadige zon die de huid doet smelten en de aarde barsten, zijn ze zeker niet. Het is een hard gelag, zo’n begrafenis, en de twee uur durende autorit om hier te komen gaat je ook niet in de kouwe kleren zitten. Ik ken deze smalle, bochtige weg tussen de olijfbomen op mijn duimpje. Het is, of was, de weg naar huis en naar alle dingen waar we van hielden, ook al waren we maar een paar maanden per jaar in het dorp. Wat het nu is, weet ik niet. Ik had een hoed moeten meenemen, hoewel ik die dan na afloop ook had moeten weggooien. Ik ben duizelig. Ik geloof dat ik even ga zitten naast deze dreigende engel met vleugels als zwaarden, en nooit meer opsta. Carolina komt naar me toe, die merkt ook altijd alles, ze pakt me bij mijn arm en loopt met me naar de muur vanwaar je de zee kunt zien, die vlakbij ligt, onder aan een helling vol olijfbomen die vermoeid met hun rug naar iedereen toe staan. Mam, je had me beloofd dat ik mijn leven op de rails zou hebben wanneer je dood zou gaan, en dat de pijn draaglijk zou zijn, je had niet gezegd dat ik zin zou hebben mijn eigen ingewanden uit te rukken en ze op te eten. En dat zei je vóórdat je begon te liegen. Er was een moment, ik weet niet waarom, dat jij, die nooit loog, daarmee begon. De vrienden die op het laatst nog maar weinig contact met je hadden en die zich de sprankelende persoon herinneren die je tien of tienduizend jaar geleden was, die zijn wel gekomen. En mijn vriendinnen, Carolina, Mercè, Elisa en Sofía. Mam, we hebben uiteindelijk besloten Patum niet met je mee te begraven. We zijn niet in het Egypte van de farao’s. Ik weet wel dat je zei dat haar leven zonder jou zinloos zou zijn, maar om te beginnen is het een grote hond, en ze zou niet in de nis passen – ik stel me voor hoe de twee doodgravers tegen haar kont zouden duwen om haar naar binnen te krijgen, net zoals wij zo vaak hebben gedaan, om haar na het zwemmen midden op zee, via het trappetje op de boot te krijgen – en verder is het vast verboden je hond met je mee te laten begraven. Zelfs als het dier net als jij dood zou zijn. Want jij bent dood, mam. De afgelopen twee dagen blijf ik dat maar herhalen en tegen mezelf herhalen en aan mijn vriendinnen vragen, voor het geval er een fout is gemaakt of ik het verkeerd begrepen heb, maar elke keer verzekeren ze me ervan dat het ondenkbare gebeurd is. Behalve de vaders van mijn zonen is er maar één interessante man, een onbekende. Ik sta op het punt flauw te vallen van ellende en van de warmte, maar ondanks alles ben ik nog steeds in staat onmiddellijk een aantrekkelijke man te bespeuren. Het zal wel mijn overlevingsinstinct zijn. Ik vraag me af wat het protocol is voor flirten op een begrafenis. En of hij me zal komen condoleren. Ik denk van niet. Lafaard. Een knappe lafaard; wat heeft een lafaard te zoeken op de begrafenis van mijn moeder, de minst laffe persoon die ik in mijn leven heb gekend? Of misschien is dat meisje naast je, dat zo stevig je hand vasthoudt en mij aankijkt met een mengeling van nieuwsgierigheid en vasthoudendheid, je vriendin. Is ze niet een beetje te klein voor je? Nou goed, dwergvriendin van mysterieuze lafaard, vandaag is het de begrafenis van mijn moeder, ik mag alles doen of zeggen waar ik zin in heb, vind je niet, alsof het mijn verjaardag is. Neem het me maar niet kwalijk. De begrafenis is voorbij. Twintig minuten in totaal, in bijna absolute stilte, geen sprekers, geen gedichten – je zwoer uit het graf op te staan en ons tot in eeuwigheid te achtervolgen als een van je dichtersvrienden iets zou voordragen –, geen gebeden, geen bloemen, geen muziek. Het zou nog korter zijn geweest als de bejaarde werkmannen die de kist in de nis moesten schuiven niet zo onhandig waren geweest. Ik begrijp dat de aantrekkelijke man niet mijn leven is komen veranderen, hoewel ik me anderzijds geen beter en noodzakelijker moment daarvoor kan voorstellen, maar hij had op zijn minst die oude mannetjes kunnen helpen toen ze de kist bijna op de grond lieten vallen. Een van hen riep: ‘Godverdorie!’ Dat is het enige woord dat op jouw begrafenis is gesproken. Ik vind het heel toepasselijk, precies goed. Ik neem aan dat elke begrafenis die ik vanaf nu zal bijwonen, die van jou zal zijn. We lopen de helling af. Carolina pakt mijn hand. Dat is het dan. Mijn moeder is dood. Ik denk dat ik me in Cadaqués laat inschrijven. Nu jij hier woont, is dat maar het beste.

Uitgeverij Meulenhoff

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum